Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:274

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
11867256 \ CV EXPL 25-2619
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 sub a BWArt. 6:119 BWWet op het ConsumentenkredietRichtlijn consumentenkrediet 87/102
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering terugbetaling resterend kredietbedrag wegens onredelijk rentebeding

Eiseres heeft gevorderd dat gedaagde het resterende bedrag van een kredietovereenkomst betaalt, omdat gedaagde meerdere maanden achterstallig was met betalingen. Gedaagde heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd. De kantonrechter heeft ambtshalve getoetst of eiseres aan haar informatieplicht heeft voldaan en of er sprake is van oneerlijke bedingen.

De kantonrechter oordeelt dat het variabele rentebeding in de kredietovereenkomst onredelijk bezwarend en niet transparant is, waardoor dit beding vernietigd wordt. Dit heeft echter geen gevolgen voor de vordering omdat de kredietvergoeding tot het moment van ingebrekestelling gelijk was aan de aanvangsvergoeding.

De kantonrechter wijst de vordering toe tot betaling van een bedrag van € 2.249,19 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 september 2019. Tevens wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten van € 837,14. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 2.249,19 plus wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11867256 \ CV EXPL 25-2619
Vonnis van 20 januari 2026
in de zaak van
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: eiseres,
gemachtigde: Flanderijn Incasso Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: gedaagde,
gemachtigde: mr. S.M. Wolff.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de mededeling van de gemachtigde van gedaagde dat er geen inhoudelijk verweer zal worden gevoerd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
Eiseres heeft bij dagvaarding gevorderd gedaagde bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen primair tot betaling van een bedrag van € 2.365,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 september 2019. Eiseres heeft subsidiair gevorderd de kredietovereenkomst te ontbinden en gedaagde te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.365,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 september 2019. Daarnaast heeft eiseres veroordeling gevorderd van gedaagde in de proceskosten.
2.2.
Ter onderbouwing van die vordering heeft eiseres gesteld dat zij met gedaagde een kredietovereenkomst heeft gesloten voor een bedrag van maximaal € 5.000,00. Volgens eiseres is gedaagde toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de hiervoor genoemde kredietovereenkomst omdat gedaagde ten minste twee maanden achterstand in de maandelijks aan eiseres verschuldigde termijnen heeft laten ontstaan, en later het opgeëiste bedrag onbetaald heeft gelaten.

3.De beoordeling

Ambtshalve toetsing
3.1.
De tussen partijen gesloten overeenkomst betreft een consumentenkrediet, waarop de Wet op het Consumentenkrediet van toepassing is zoals deze tot 25 mei 2011 gold. Daarnaast is de Richtlijn consumentenkrediet 87/102 van toepassing. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat de voorschriften zijn nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. De kantonrechter is van oordeel dat eiseres voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat zij hieraan heeft voldaan.
3.2.
De kantonrechter heeft verder ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de gevorderde hoofdsom en de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dit is niet het geval, met inachtneming van het navolgende.
Kredietvergoeding
3.3.
Eiseres heeft gesteld dat partijen een variabele kredietvergoeding zijn overeengekomen. Het deel van het kredietvergoedingsbeding waarin is overeengekomen dat de kredietvergoeding variabel is, ziet op een eenzijdig wijzigingsbeding. Hierin is niet opgenomen onder welke geldige reden de kredietvergoeding mag worden gewijzigd en niet is gebleken dat gedaagde een redelijke termijn voor inwerkingtreding van de bedongen wijziging wordt gegund, waarin zij de overeenkomst kan opzeggen of de prijswijziging kan betwisten. Dit maakt volgens de kantonrechter dat het variabele gedeelte van het kredietvergoedingsbeding niet transparant is en daarnaast onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 onder Pro a BW, wat betekent dat het moet worden vernietigd.
3.4.
Een vernietiging brengt met zich dat gedurende de gehele looptijd van de kredietovereenkomst de overeengekomen kredietvergoeding verschuldigd is tot het moment van opeising. Nu volgens eiseres de hoogte van de kredietvergoeding (12,3%) voor het moment van de ingebrekestelling hetzelfde was als bij aanvang van de overeenkomst, heeft dit geen consequenties voor haar vordering.
Hoofdsom en rente
3.5.
Gedaagde heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd. Het primair gevorderde komt de kantonrechter verder niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal met inachtneming van het navolgende worden toegewezen.
3.6.
Uit het lichaam van de dagvaarding volgt uit de door eiseres opgestelde optelling dat een totaalbedrag van € 2.975,82 aan door gedaagde gedane betalingen in mindering strekt op de oorspronkelijke hoofdsom van € 5.225,01. Dat maakt dat gedaagde nog een bedrag van € 2.249,19 moet betalen. De kantonrechter zal dan ook dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de door eiseres gevorderde wettelijke rente daarover.
Proceskosten
3.7.
Gedaagde is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eiseres worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
385,00
- salaris gemachtigde
204,00
(1 punt × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
837,14

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van € 2.249,19, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag met ingang van 22 september 2019 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 837,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.