Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".
6. Het is aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft in dat kader verwezen naar de in beroep overgelegde taxatiematrix, opgesteld door [naam 3], WOZ-taxateur. In deze matrix wordt geconcludeerd tot een (hogere) waarde van de woning op de waardepeildatum van € 390.000,-. Bij de waardebepaling is rekening gehouden met de verkoopprijzen van drie vergelijkingsobjecten te Zenderen. Het gaat om:
- [adres 1], op 5 juni 2024 geleverd voor € 400.000,-;
- [adres 2], op 3 april 2023 geleverd voor € 350.000,-;
- [adres 3], op 2 juli 2024 geleverd voor € 374.095,-.
7. De in de taxatiematrix genoemde vergelijkingsobjecten zijn naar het oordeel van de rechtbank vergelijkbaar met de woning van belanghebbende. Met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning, zoals gebruiksoppervlakte, uitstraling en voorzieningen, is bij de herleiding van de vastgestelde waarde van de woning uit de marktgegevens van de vergelijkingsobjecten in voldoende mate rekening gehouden. Deze verschillen zijn voorts niet van een zodanige omvang dat de marktgegevens van de vergelijkingsobjecten bij de bepaling van de waarde van de woning niet goed bruikbaar zijn.
8. Belanghebbende voert aan dat de buren (Hoge Maat 3) een uitbouw aan hun woning hebben geplaatst van 2,65 meter hoog en 8 meter lang (bijna de gehele lengte van de tuin van belanghebbende). Belanghebbende stelt dat dit een verminderde lichtinval in de keuken veroorzaakt en een claustrofobisch gevoel en daarom moet leiden tot verlaging van de WOZ-waarde van zijn woning.
9. De heffingsambtenaar stelt in zijn verweerschrift dat bij een fictieve verkoop op de waardepeildatum 1 januari 2024 een potentiële koper niet minder zou betalen voor de woning ondanks de uitbouw van de woning van de buren. De uitbouw met een lengte van
8 meter is voor wat betreft de doorslaggevende hoogte van de uitbouw niet (wezenlijk) afwijkend ten opzichte van een andere uitbouw, zoals bij de woning van belanghebbende of achtergelegen buren. Ook is de hoogte niet (wezenlijk) afwijkend ten opzichte van de overkapping die bij de woning van belanghebbende is gerealiseerd.
10. De rechtbank verenigt zich met dit betoog en verenigt zich ook met het betoog van de taxateur dat in aanvulling op de (overgelegde) foto’s van het perceel een uitwendige noch inpandige waarde-opname niet is/was geïndiceerd, alleen al niet vanwege de duidelijke foto’s en los daarvan vanwege de vrije bewijsleer in het belastingrecht op grond waarvan een inpandige/uitpandige taxatie in onderhavig geval evenmin aangewezen of noodzakelijk is/was.
11. Daarnaast is de doelmatigheid van belanghebbendes woning reeds met ingang van vorig jaar - en thans opnieuw herhaald - al aangepast doordat de grondwaarde van het perceel een afslag heeft gekregen van 10% vanwege de situering als zodanig van belanghebbendes woning op het perceel en de vorm van het perceel.
12. In zijn aanvullende gronden van beroep stelt belanghebbende vragen waarop hij een antwoord wil zien. De vragen gaan over de rechtmatigheid van de aanbouw van de buren: is deze aan-/uitbouw legaal en (hoe) had belanghebbende op de hoogte kunnen zijn van de voorgenomen bouw en gaan over het ontbreken van contact dat belanghebbende hierover wenst met de gemeente.
13. De rechtbank oordeelt dat dit vragen zijn die in onderhavige WOZ-procedure niet aan de orde zijn. Dit beroep ziet slechts op de uitspraak op bezwaar van 4 juni 2025 van de heffingsambtenaar en in het bijzonder of de heffingsambtenaar de WOZ-waarde aannemelijk heeft gemaakt.
14. Genoemde vragen kan/moet belanghebbende desgewenst (opnieuw/blijven) richten aan de gemeente.
15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waarde van de woning en de aanslag niet te hoog vastgesteld.