AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling beroep tegen betalingsregeling toeslagschuld op basis van betalingscapaciteit
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de door Dienst Toeslagen vastgestelde persoonlijke betalingsregeling voor de terugvordering van huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget over de jaren 2017 tot en met 2022. Dienst Toeslagen had een betalingsregeling getroffen waarbij eiseres gedurende 24 maanden maandelijks €1.270 moet betalen, gebaseerd op een berekende betalingscapaciteit van €2.856 per maand.
Eiseres voerde aan dat zij dit bedrag niet kan opbrengen en dat haar loon in 2025 is veranderd, maar zij onderbouwde deze stellingen niet met documenten. De rechtbank oordeelde dat Dienst Toeslagen de betalingscapaciteit juist heeft berekend volgens de artikelen 13 tot en met 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 en dat de betalingsregeling daarom terecht is vastgesteld.
De rechtbank wees erop dat eiseres bij wijziging van haar financiële situatie een nieuw verzoek tot aanpassing van de betalingsregeling kan indienen met relevante gegevens. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de beslissing op bezwaar in stand blijft en eiseres geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de betalingsregeling van €1.270 per maand wordt ongegrond verklaard en de regeling blijft van kracht.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1164
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,
en
Dienst Toeslagen,
gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2].
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de betalingsregeling voor de ontstane schuld als gevolg van de terugvordering van huurtoeslag over de jaren 2017 tot en met 2022, de zorgtoeslag over de jaren 2017 tot en met 2022 en het kindgebonden budget over de jaren 2017 en 2018.
1.1.
Dienst Toeslagen heeft met de besluiten van 15 april 2024 (de primaire besluiten) aan eiseres uitstel van betaling verleend en een betalingsregeling getroffen, inhoudende dat eiseres gedurende 24 maanden een bedrag van € 1.270 per maand terugbetaalt.
1.2.
Met het bestreden besluit van 28 januari 2025 heeft Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.3.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft voorafgaand aan de zitting telefonisch laten weten dat zij niet ter zitting zal verschijnen. De Dienst Toeslagen heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigden.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres heeft op 9 februari 2024 een verzoek om een persoonlijke betalings-regeling ingediend. Het verzoek ziet op de openstaande terugvorderingsbeschikkingen huurtoeslag 2017 tot en met 2022, zorgtoeslag 2017 tot en met 2022 en kindgebonden budget 2017 en 2018. Het totaal van deze terugvorderingen bedraagt € 30.459.
3. Met de primaire besluiten is aan eiseres uitstel van betaling verleend onder de voorwaarde dat zij vanaf 30 april 2024 iedere maand € 1.270 betaalt. Het totale bedrag (inclusief invorderingsrente en vervolgingskosten) moet op 31 maart 2026 zijn betaald.
4. In het bezwaar tegen dit besluit heeft eiseres aangevoerd dat zij een bedrag van
€ 1.270 per maand niet kan opbrengen en dat er nog schulden zijn die opnieuw bekeken moeten worden.
5. Met het bestreden besluit heeft Dienst Toeslagen het bezwaar ongegrond verklaard. Op basis van de gegevens, zoals die op het moment van het nemen van het bestreden besluit bekend zijn, is de maandelijkse betalingscapaciteit van eiseres vastgesteld op € 3.570. Omdat daarvan 80 % wordt opgeëist, bedraagt de maandelijkse betalingscapaciteit € 2.856. Het maandelijks te betalen bedrag blijft € 1.270. Eiseres moet gedurende 24 maanden, voor het eerst per 28 februari 2025, dit bedrag voldoen. De laatste termijn moet voor 31 januari 2027 zijn voldaan.
6. Eiseres heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat het te betalen bedrag te hoog is, omdat haar loon in 2025 is veranderd. Verder zijn nieuwe aangiften inkomstenbelasting ingevuld over de jaren 2017 tot en met 2022.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt of Dienst Toeslagen de betalingsregeling terecht op
€ 1.270 per maand heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
8.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
8.2.
Uitgangspunt van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is, gelet op de artikelen 26 en 28, dat een belanghebbende, als een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot tot een terug te vorderen bedrag leidt dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering en de op grond van artikel 27 verschuldigdePro rente in zes weken moet terugbetalen.
Artikel 31 vanPro de Awir geeft de bevoegdheid om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling dienaangaande. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt met artikel 7 vanPro de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Uitvoeringsregeling Awir).
In beginsel treft Dienst Toeslagen een betalingsregeling, als bedoeld in het eerste lid, in verbinding met het derde lid, van artikel 7 vanPro de Uitvoeringsregeling Awir. Dit wordt ook wel de standaard betalingsregeling genoemd en houdt kort gezegd in dat de belanghebbende betaling van de schuld in ten hoogste 24 maandelijkse termijnen wordt toegestaan, waarbij binnen die termijn de volledige schuld dient te worden voldaan.
Op grond van het vierde lid kan Dienst Toeslagen op schriftelijk verzoek van de belanghebbende die aangeeft niet in staat te zijn de terugvordering overeenkomstig de voorgaande leden te betalen, in afwijking in zoverre van de voorgaande leden, een betaling in termijnen toestaan gebaseerd op de betalingscapaciteit. De berekening van de betalingscapaciteit vindt plaats op grond van de artikelen 13 tot en met 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.
8.3.
Uit de dossierstukken volgt dat Dienst Toeslagen eiseres bij brieven van
26 november 2024 en 7 januari 2025, die naar het woonadres van eiseres zijn gezonden, heeft verzocht om toezending van de gegevens die in de betreffende brieven zijn benoemd. In de brieven heeft Dienst Toeslagen eiseres verder verzocht om telefonisch contact op te nemen, dit om voor Dienst Toeslagen inzicht te krijgen in de aard van het bezwaar en om de verdere bezwaarprocedure met eiseres te bespreken. Ten slotte is eiseres in de brieven verzocht om te laten weten of zij op haar bezwaar gehoord wilde worden.
Uit de dossierstukken volgt niet dat eiseres op de beide brieven van Dienst Toeslagen heeft gereageerd.
8.4.
Namens Dienst Toeslagen is ter zitting verklaard dat de beslissing op bezwaar is gebaseerd op de gegevens zoals die op het moment van het nemen van deze beslissing bekend waren.
8.5.
Eiseres heeft in haar beroepschrift niet bestreden dat haar betalingscapaciteit in overeenstemming met de artikelen 13 tot en met 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet is berekend. Zij heeft wel aangevoerd dat het terug te betalen bedrag te hoog is en dat haar loon in 2025 is veranderd, maar zij heeft dit niet met documenten of op een andere wijze onderbouwd.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat Dienst Toeslagen terecht een persoonlijke betalingsregeling heeft vastgesteld, waarbij eiseres gedurende 24 maanden maandelijks een bedrag van € 1.270 moet terugbetalen.
8.6
De rechtbank wijst eiseres er voor de goede orde op dat, als de bij de vaststelling van haar betalingscapaciteit gehanteerde bedragen wijzigen, zij een nieuw verzoek om toekenning van een persoonlijke betalingsregeling kan indienen. [1] Zij kan dan alle nog niet ingebrachte gegevens bij haar verzoek voegen. Dienst Toeslagen zal op een nieuw verzoek om toekenning van een persoonlijke betalingsregeling een beslissing moeten nemen.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de beslissing op bezwaar in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van H. Blekkenhorst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Artikel 26. Terugvordering is verschuldigd door belanghebbende
1. Indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.
(…).
Artikel 28. Betalingstermijn bij terugvordering
1. De belanghebbende heeft de verplichting om het bedrag van een terugvordering alsmede de op de voet van artikel 27 verschuldigdePro rente binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking tot terugvordering te betalen aan Dienst Toeslagen.
(…).
Artikel 31.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling.
Artikel 7. Uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen
1. Dienst Toeslagen stelt de belanghebbende in de gelegenheid een terugvordering te betalen in maandelijkse termijnen van € 20 mits hij voldoet aan door Dienst Toeslagen nader te stellen voorwaarden.
(…)
4. Een betaling van de terugvordering of bestuurlijke boete in maandelijkse termijnen eindigt uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de terugvordering of bestuurlijke boete geldende betalingstermijn 24 maanden zijn verstreken. Indien de omvang van de terugvordering of bestuurlijke boete betaling in 24 maandelijkse termijnen van € 20 niet toelaat, kan Dienst Toeslagen, in afwijking van het eerste, tweede en derde lid, een betaling in maandelijkse termijnen van meer dan € 20 verlangen.
5. Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende die aangeeft niet in staat te zijn een of meer terugvorderingen of bestuurlijke boetes overeenkomstig de voorgaande leden te betalen kan Dienst Toeslagen, in afwijking in zoverre van de voorgaande leden, een betaling in termijnen toestaan gebaseerd op de betalingscapaciteit. De berekening van de betalingscapaciteit vindt plaats op de voet van artikel 13 vanPro de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, met dien verstande dat Dienst Toeslagen het netto-besteedbare inkomen van de belanghebbende vermeerdert met het netto-besteedbare inkomen van de persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek als partner in de zin van artikel 3 vanPro de wet kan worden beschouwd.
Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990
Artikel 11
Kwijtschelding wordt verleend voor:
a. het gehele op de belastingaanslag openstaande bedrag indien geen vermogen en geen betalingscapaciteit aanwezig is;
b. het openstaande bedrag van de belastingaanslag dat resteert nadat:
1°. het aanwezige vermogen is aangewend ter voldoening van de belastingaanslag;
2°. ten minste 80 percent van de betalingscapaciteit is aangewend;
een en ander onverminderd het bepaalde in artikel 8 enPro artikel 18.
Artikel 13
1. Onder betalingscapaciteit, bedoeld in artikel 11, wordt verstaan het positieve verschil in de periode van 12 maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend van het gemiddeld per maand te verwachten netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige in die periode en de gemiddeld per maand te verwachten kosten van bestaan in die periode.
2. Het netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto-besteedbare inkomen in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend van zijn echtgenoot, bedoeld in artikel 3 vanPro de Participatiewet.
Artikel 14
1. Onder het netto-besteedbare inkomen, bedoeld in artikel 13, wordt verstaan het met de in artikel 15, eerste lid, vermelde uitgaven verminderde gezamenlijke bedrag van:
a. de aan inhouding van loonbelasting/premie voor de volksverzekeringen onderworpen inkomsten verminderd met de wettelijke inhoudingen, zonder rekening te houden met de daarbij eventueel in mindering gebrachte jonggehandicaptenkorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de ingehouden pensioenpremies, bijdragen ingevolge een levensloopregeling en premies ziektekostenverzekering;
b. uitkeringen voor levensonderhoud ingevolge de artikelen 157, 158 of 404 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
c. overige inkomsten met uitzondering van:
1°. de uitkeringen ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet;
2°. [Red: vervallen;]
3°. de kinderopvangtoeslag, bedoeld in hoofdstuk 1, afdeling 2, van de Wet kinderopvang
en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, en de tegemoetkomingen ingevolge de Wet
kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;
4°. de premie, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet,
alsmede een daarmee naar aard, strekking en omvang overeenkomende premie;
5°. de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36 vanPro de Participatiewet;
6°. de vergoeding voor de verzorging en opvoeding van een pleegkind in het kader van de
Jeugdwet;
7°. het kindgebonden budget, bedoeld in de Wet op het kindgebonden budget;
8°. de huurtoeslag, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet op de huurtoeslag, de
krachtens de Participatiewet ontvangen woonkostentoeslag en de zorgtoeslag, bedoeld in
artikel 1, onderdeel e, van de Wet op de zorgtoeslag;
9°. de inkomsten uit arbeid, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r, van de
Participatiewet;
10°. een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk tot ten hoogste de
bedragen, genoemd in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.
2. Tot de inkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt ook gerekend de voorlopige teruggaaf, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, daaronder begrepen de aanspraak op een zodanige teruggaaf.
Artikel 15
1. Als uitgaven als bedoeld in artikel 14, eerste lid, worden in aanmerking genomen:
a. betalingen op belastingschulden, met uitzondering van die genoemd in artikel 8, tweede lid, en betalingen op terugvorderingen van tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
b. het bedrag van de voor rekening van de belastingschuldige komende nettowoonlasten tot maximaal het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag, voorzover dit meer is dan het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van die wet;
c. de niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie voor verzekering ingevolge de Wet langdurige zorg, verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 vanPro de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de belastingschuldige geldt ingevolge artikel 475d, eerste, tweede en vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, en met de krachtens de Wet op de zorgtoeslag ontvangen zorgtoeslag;
d. betaalde uitkeringen voor levensonderhoud ingevolge de artikelen 157, 158 of 404 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
e. aflossingen op leningen voor zover die zijn aangewend voor de betaling van belastingschulden, met uitzondering van die genoemd in artikel 8, tweede lid;
f. de met het houden van kostgangers verbonden kosten tot een totaal van € 11,45 per dag, met dien verstande dat bij de bepaling van het aantal dagen een volle maand op 30 dagen wordt gesteld;
g. uitgaven voor het levensonderhoud van kinderen, vastgesteld op het verschil tussen het maximale bedrag waarop de belastingschuldige, zijn toetsingsinkomen buiten beschouwing latend, op grond van artikel 2 vanPro de Wet op het kindgebonden budget aanspraak zou kunnen maken en het bedrag van de krachtens die wet te ontvangen kindgebonden budget.
2. Onder betalingen op belastingschulden wordt mede begrepen een betaling ter zake van premie voor de volksverzekeringen en ter zake van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 vanPro de Zorgverzekeringswet.
3. Onder nettowoonlasten wordt verstaan: de op de belastingschuldige drukkende huurprijs, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag, dan wel hypotheekrente en erfpachtcanon ter zake van een door hem bewoonde woning voor zover deze hem voor gebruik ter beschikking staat, verminderd met de te ontvangen huurtoeslag, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van die wet, of met de te ontvangen woonkostentoeslag.
4. Indien de belastingschuldige zijn woning deelt met een of meer personen op wie de norm, bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet, van toepassing is, worden de nettowoonlasten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, geacht gelijkelijk over ieder van deze personen te zijn verdeeld.
Artikel 16
1. De kosten van bestaan, bedoeld in artikel 13, eerste lid, bedragen voor een belastingschuldige die wordt aangemerkt als:
a. een echtgenoot als bedoeld in artikel 3 vanPro de Participatiewet: 90 percent van de bijstandsnorm, bedoeld in artikel 21, onderdeel b, van die wet;
b. een alleenstaande of een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Participatiewet: 90 percent van de bijstandsnorm, bedoeld in artikel 21, onderdeel a, van die wet.
2. De kosten van bestaan, bedoeld in artikel 13, eerste lid, bedragen, in afwijking van het eerste lid, voor een belastingschuldige die wordt aangemerkt als:
a. een echtgenoot als bedoeld in artikel 3 vanPro de Participatiewet, die, afgezien van zijn echtgenoot, niet met een of meer andere personen op wie de kostendelersnorm, bedoeld in artikel 22a van die wet, van toepassing is, in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en:
1°. die tezamen met zijn echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt: 90 percent van de norm, bedoeld in artikel 22, onderdeel b, van de Participatiewet;
2°. die alleen of waarvan de echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt: 90 percent van de norm, bedoeld in artikel 22, onderdeel c, van de Participatiewet;
b. een echtgenoot als bedoeld in artikel 3 vanPro de Participatiewet, die zijn woning deelt met zijn echtgenoot en met een of meer andere personen op wie de norm, bedoeld in artikel 22a van die wet, van toepassing is: 90 percent van de som van de norm, bedoeld in artikel 22a, eerste lid, van die wet, die voor ieder van de echtgenoten afzonderlijk geldt;
c. een alleenstaande of een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Participatiewet, die niet met een of meer personen op wie de norm, bedoeld in artikel 22a van die wet, van toepassing is, in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt: 90 percent van de norm, bedoeld in artikel 22, onderdeel a, van de Participatiewet;
d. een alleenstaande of een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Participatiewet, die zijn woning deelt met een of meer personen op wie de norm, bedoeld in artikel 22a van die wet, van toepassing is: 90 percent van de norm, bedoeld in artikel 22a, eerste lid, van die wet.
3. De kosten van bestaan, bedoeld in artikel 13, eerste lid, worden verhoogd:
a. als de belastingschuldige en zijn echtgenoot, bedoeld in artikel 3 vanPro de Participatiewet, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt: met € 22,36;
b. als de belastingschuldige of zijn echtgenoot, bedoeld in artikel 3 vanPro de Participatiewet, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt: met € 11,18.
4. De kosten van bestaan, bedoeld in artikel 13, eerste lid, bedragen, in afwijking van de vorige leden, voor de belastingschuldige die ter verzorging of verpleging in een daartoe bestemde inrichting is opgenomen: de prijs die is verschuldigd voor verzorging dan wel verpleging, verhoogd met twee derden van de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm, genoemd in artikel 23 vanPro de Participatiewet.
De ontvanger kan – afhankelijk van de concrete situatie van de belastingschuldige en zijn gezin – bepaalde aanvaardbare uitgaven op de berekende betalingscapaciteit in mindering brengen. Het moet dan gaan om uitgaven die samenhangen met de maatschappelijke positie van de belastingschuldige, en die naar het oordeel van de ontvanger niet in redelijkheid kunnen worden betaald uit het normbedrag voor levensonderhoud en de zogenoemde uitvoeringstolerantie van 20%.
Artikel 25.5.8 Berekening betalingscapaciteit – aflossingsverplichtingen aan derden
In het algemeen blijven bij de berekening van de betalingscapaciteit de aflossingsverplichtingen aan derden buiten beschouwing als de schuld aan de Belastingdienst een hogere preferentie heeft. De ontvanger kan een uitzondering maken voor aflossingen op schulden waarvan het niet-betalen tot ongewenste effecten kan leiden.
Uitgangspunt is dat de belanghebbende die te veel ontvangen toeslag moet terugbetalen in de gelegenheid wordt gesteld om het bedrag van de toeslagschuld te voldoen met een standaardbetalingsregeling. De standaardregeling wordt zonder nader onderzoek in te stellen door Dienst Toeslagen aangeboden en gaat uit van een af te lossen bedrag van € 20 per maand voor iedere terugvordering afzonderlijk.
De periode waarover de regeling zich uitstrekt is maximaal 24 maanden te rekenen vanaf één maand na de dagtekening van de terugvorderingsbeschikking. De eerste termijn moet zijn voldaan op de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking. Als het teruggevorderde bedrag meer bedraagt dan € 480 wordt het maandelijks af te lossen bedrag zodanig verhoogd dat aflossing binnen 24 maanden mogelijk is.
Aflossing kan op twee manieren plaatsvinden:
1. De belanghebbende maakt maandelijks het termijnbedrag over naar de rekening van de Belastingdienst.
2. Dienst Toeslagen verrekent het termijnbedrag met het maandelijks uit te keren voorschot aan de belanghebbende.
De situatie kan zich voordoen dat de belanghebbende tijdens de looptijd van een standaardregeling te maken krijgt met een nieuwe terugvordering voor dezelfde toeslag. In dat geval vindt een herziening van het bedrag van de standaardregeling plaats. Het bedrag van de nieuwe terugvordering wordt opgeteld bij het nog resterende bedrag van de terugvordering waarvoor de standaardregeling loopt. Voor het totaalbedrag geldt dan weer de aflossingssystematiek van ten minste € 20 per maand gedurende maximaal 24 maanden.
Artikel 79.8. Betalingsregeling toeslagschuld op basis van betalingscapaciteit
Dienst Toeslagen kan een andere betalingsregeling toestaan dan de standaardregeling. Dit kan alleen als de belanghebbende schriftelijk kenbaar maakt dat hij niet in staat is de toeslagenschuld te voldoen onder de condities die gelden voor de standaardregeling. De belanghebbende moet dan op het daartoe bestemde formulier de benodigde informatie verstrekken aan Dienst Toeslagen zodat beoordeeld kan worden of er sprake is van onvoldoende betalingscapaciteit om een maandelijkse aflossing overeenkomstig de standaardregeling te voldoen.
De artikelen 11, 12 en 13 van de regeling zijn hierbij van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat
- naast het netto besteedbaar inkomen van de belanghebbende ook rekening wordt gehouden met het netto besteedbaar inkomen van een eventuele partner als bedoeld in artikel 3 vanPro de Awir, met dien verstande dat met het netto besteedbaar inkomen van de partner alleen rekening wordt gehouden als die partner belanghebbendes partner was gedurende de periode waarop belanghebbendes toeslagschuld betrekking heeft;
- bevoorrechte schulden (zoals belastingschulden) op het vermogen in mindering mogen worden gebracht.
Als uit de verstrekte gegevens blijkt dat de betalingscapaciteit voldoende is om de toeslagenschuld af te lossen volgens de standaardregeling, zal Dienst Toeslagen het verzoek om een andere betalingsregeling afwijzen.
Zo’n betalingsregeling wordt ook afgewezen als de belanghebbende of de in artikel 7, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir bedoelde partner over voldoende vermogen in de zin van artikel 12 vanPro de regeling beschikt voor de voldoening van de terugvordering, met dien verstande dat bevoorrechte schulden op het vermogen in mindering worden gebracht.
Als echter blijkt dat de betalingscapaciteit lager is dan € 20 per maand, maar voldoende om het bedrag van de toeslagenschuld in maximaal 24 maanden te voldoen - zij het met een lager bedrag dan € 20 - dan zal Dienst Toeslagen een betalingsregeling toestaan die is gebaseerd op die betalingscapaciteit
Als de belanghebbende wel over betalingscapaciteit beschikt, maar deze is niet voldoende om de toeslagenschuld af te lossen in 24 maanden, dan zal Dienst Toeslagen een regeling voor 24 maanden treffen, gebaseerd op die betalingscapaciteit. In de uitstelbeschikking zal worden opgenomen dat de regeling opnieuw wordt bezien na verloop van twaalf maanden.
Na twaalf maanden kan Dienst Toeslagen de belanghebbende opnieuw een vragenformulier toesturen. Als na ontvangst van het formulier een inkomensverbetering wordt geconstateerd, dan wordt het lopende uitstel ingetrokken en een nieuwe uitstelregeling getroffen op basis van het hogere bedrag van de betalingscapaciteit, gedurende de resterende twaalf maanden. Als een inkomensvermindering wordt geconstateerd, dan wordt een nieuwe uitstelregeling getroffen op basis van het lagere bedrag voor de resterende periode van twaalf maanden.
Voetnoten
1.Dit is ook geoordeeld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste bestuursrechter in toeslagzaken, in de uitspraak van 3 augustus 2022, te vinden op