ECLI:NL:RBOVE:2026:268

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
ak_26_336
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake opvang van vreemdeling in asielprocedure

In deze uitspraak van de Rechtbank Overijssel beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van de eiser, die zich in een asielprocedure bevindt. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is en wijst het af zonder zitting, op basis van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De eiser had bezwaar gemaakt tegen een brief van het college van burgemeester en wethouders van Wierden, waarin hem werd meegedeeld dat hij zich diende uit te schrijven en de gemeente diende te verlaten, omdat zijn beschermingsstatus onder de Regeling Tijdelijke Bescherming Oekraïners (RTB) was verlopen. De voorzieningenrechter legt uit dat de eiser recht heeft op opvang zolang de asielprocedure aanhangig is, en dat er daarom geen sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet kan worden toegewezen, omdat de eiser niet dakloos zal worden zolang de asielprocedure loopt. De uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier, en is openbaar uitgesproken. Er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/336
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats],
(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),
en
het college van burgemeester en wethouders van Wierden.

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [eiser] tegen de brief van het college. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

2.Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.
Het college heeft op 20 januari 2026 middels een brief aan [eiser] bekend gemaakt dat hij zich dient uit te schrijven bij de gemeente Wierden en uit de gemeente dient te vertrekken.
2.2.
In de brief wordt vermeld dat in een gesprek tussen [eiser] en de gemeente op 19 januari 2026 aan [eiser] is uitgelegd dat de beschermingsstatus binnen de Regeling Tijdelijke Bescherming Oekraïners (hierna: RTB) is verlopen en dat hij daardoor geen recht meer heeft op werk, verblijf en voorzieningen in de gemeente Wierden. Verder is vermeld dat uit de gegevens van de Immigratie- en Naturalisatiedienst is gebleken dat hij staat geregistreerd als een vreemdeling in Nederland zonder verblijfstitel. Daarnaast staat in de brief dat door [eiser] is aangegeven dat hij in procedure is. De voorzieningenrechter begrijpt dit zo dat het gaat om een asielprocedure. In de brief wordt namelijk vervolgens vermeld dat hij de uitkomst van deze asielprocedure kan afwachten in een opvangcentrum in Nederland, waarbij het adres van het aanmeldcentrum in [plaats] wordt vermeld en wordt aangegeven dat de gemeente op 21 januari 2026 om 13:00 uur een taxi heeft geregeld die [eiser] naar [plaats] kan brengen.
2.3.
[eiser] heeft tegen deze beslissing van het college op 21 januari 2026 bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek is door de voorzieningenrechter ontvangen op 21 januari 2026 om 12:12 uur.
2.4.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
2.5.
In het verzoek geeft [eiser] aan dat er per direct een acute noodsituatie zal ontstaan, omdat met de bestreden beslissing de opvang is beëindigd dan wel dreigt te beëindigen, waardoor hij feitelijk dakloos is. Hij stelt dat die beslissing raakt aan elementaire levensbehoeften (onderdak, veiligheid en bestaansminimum). Daarmee is volgens [eiser] sprake van een spoedeisend belang.
2.6.
In de brief van het college van 20 januari 2026 heeft het college erop gewezen dat omdat een asielprocedure aanhangig is, [eiser] de uitkomst van die procedure kan afwachten in een opvangcentrum in Nederland.
2.7.
De voorzieningenrechter volgt [eiser] gelet op het vorenstaande, dan ook niet in zijn standpunt. Nu sprake is van een asielprocedure heeft [eiser] recht op opvang [1] . Hij zal daarom niet dakloos worden. De voorzieningenrechter komt daarmee tot het oordeel dat er geen sprake is van “onverwijlde spoed”.
2.8.
Nu het spoedeisend belang ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen gedurende de bezwaarfase. De vraag of [eiser] uiteindelijk recht heeft op voortzetting van zijn opvang op grond van de RTB laat zich niet beantwoorden in het kader van deze spoedvoorziening. Uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (zaaknummer NL24.12261) blijkt niet dat ook in dat geval [eiser] uit hoofde van een asielprocedure recht op opvang had.
2.9.
Omdat [eiser] op 21 januari 2026 om 13:00 uur de mogelijkheid is geboden met een taxi naar [plaats] te reizen en het verzoek op diezelfde datum om 12:12 uur door de rechtbank is ontvangen, heeft de voorzieningenrechter besloten partijen om 12:45 uur de beslissing op het verzoek telefonisch door te geven.

3.Conclusie en gevolgen

3.1.
Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie ook artikel 3, tweede lid, onder a, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.