ECLI:NL:RBOVE:2026:268
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake opvang van vreemdeling in asielprocedure
In deze uitspraak van de Rechtbank Overijssel beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van de eiser, die zich in een asielprocedure bevindt. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is en wijst het af zonder zitting, op basis van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De eiser had bezwaar gemaakt tegen een brief van het college van burgemeester en wethouders van Wierden, waarin hem werd meegedeeld dat hij zich diende uit te schrijven en de gemeente diende te verlaten, omdat zijn beschermingsstatus onder de Regeling Tijdelijke Bescherming Oekraïners (RTB) was verlopen. De voorzieningenrechter legt uit dat de eiser recht heeft op opvang zolang de asielprocedure aanhangig is, en dat er daarom geen sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet kan worden toegewezen, omdat de eiser niet dakloos zal worden zolang de asielprocedure loopt. De uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier, en is openbaar uitgesproken. Er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze uitspraak.