Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2601

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
AK_25_2658
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 60 lid 3 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen inhouding bijstandsuitkering wegens terugvordering alimentatie

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Enschede om maandelijks € 67,27 in te houden op haar bijstandsuitkering vanwege een openstaande schuld van € 559,39, voortvloeiend uit een terugvordering van € 759,39 uit 2021.

Eiser stelde dat de schuld was kwijtgescholden en dat de wettelijke grondslag van het terugvorderingsbesluit was vervallen door een beschikking van de familierechter die de alimentatie nihil stelde met terugwerkende kracht. De rechtbank oordeelde dat het terugvorderingsbesluit onherroepelijk was omdat er destijds geen bezwaar was gemaakt en dat de nihilstelling pas per 1 december 2021 inging, terwijl de terugvordering betrekking had op de periode van maart tot juli 2021.

De rechtbank concludeerde dat het college terecht de inhouding toepaste, mede omdat eiser sinds april 2022 alimentatie had ontvangen die deels aan de terugvorderingsperiode kon worden toegerekend. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg het betaalde griffierecht niet terug.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de maandelijkse inhouding op de bijstandsuitkering wegens een resterende vordering uit 2021.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2658

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats] (hierna: [eiser])

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: college)

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van [eiser] tegen een maandelijks inhoudingsbedrag op haar bijstandsuitkering vanwege een schuld van € 759,39 uit 2021.
1.1.
Met het besluit van 1 mei 2025 heeft het college besloten om vanaf 1 mei 2025 € 67,27 per maand in te houden op de bijstandsuitkering van [eiser]. Daarbij is rekening gehouden met de beslagvrije voet en met het nog resterende bedrag van € 559,39, omdat [eiser] al een deel had afgelost.
1.2.
Met het bestreden besluit van 11 september 2025 is het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft [eiser] beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van het college.
1.5.
Tijdens de zitting is met partijen afgesproken dat zij beiden in de gelegenheid worden gesteld om navraag te doen en om informatie te overleggen. De rechtbank heeft deze afspraken bevestigd in de brief van 5 februari 2026.
1.6.
[eiser] heeft op 6 februari 2026 printscreens van mailwisselingen opgestuurd. Vervolgens heeft het college op 17 februari 2026 gereageerd. Deze reactie is op
20 februari 2026 doorgestuurd naar [eiser].
1.7.
De rechtbank heeft daarna aan partijen laten weten dat zij een tweede zitting niet nodig vindt en heeft aan partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben niet aangegeven dat een tweede zitting nodig is. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Standpunten van [eiser]

2. [eiser] stelt dat de terugvordering onterecht is omdat het college de vordering van
€ 759,39 met finale kwijting heeft kwijtgescholden. Dit heeft zij onderbouwd met verschillende printscreens van mailwisselingen.
2.1.
Ook stelt [eiser] dat de wettelijke grondslag voor het terugvorderingsbesluit van
12 oktober 2021 is vervallen, omdat de familierechter met de beschikking van 19 juni 2024 heeft bepaald dat zij de ontvangen alimentatie niet hoeft terug te betalen (nihilstelling). Deze beschikking heeft terugwerkende kracht, waardoor de grondslag van het terugvorderingsbesluit vervalt. [eiser] stelt dat het college zich verschuilt achter de formele rechtskracht van het terugvorderingsbesluit en ook in strijd handelt met de beginselen van behoorlijk bestuur.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank moet beoordelen of het college terecht heeft besloten om € 67,27 per maand in te houden haar bijstandsuitkering, vanwege een (resterende) vordering uit 2021.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college daar terecht toe heeft besloten. Het beroep van [eiser] zal dan ook ongegrond worden verklaard. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Feiten
4. [eiser] had een bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 2020 tot en met
31 juli 2021. Met het besluit van 12 oktober 2021 heeft het college een bedrag van € 759,39 aan bijstandsuitkering van haar teruggevorderd. De reden daarvoor was dat de rechtbank bij beschikking van 31 augustus 2021 heeft bepaald dat de vader van hun gezamenlijke kind vanaf 23 maart 2021 een bedrag van € 177,- per maand aan kinderalimentatie aan [eiser] dient te betalen. Volgens het college heeft [eiser] hierdoor achteraf gezien te veel aan bijstandsuitkering ontvangen in de periode van 23 maart 2021 tot en met 31 juli 2021. Tegen het besluit van 12 oktober 2021 heeft [eiser] geen bezwaar gemaakt.
4.1.
Nadat [eiser] per 1 januari 2025 weer een bijstandsuitkering ontving heeft het college besloten om de nog resterende vordering van € 559,39 te verrekenen via een maandelijkse inhouding van € 67,27 op haar bijstandsuitkering. Het college baseert zich hierbij op artikel 60, derde lid van de PW. Daarin staat dat het college een terugvordering kan verrekenen met een bijstandsuitkering.
Beoordeling van de beroepsgronden
5. [eiser] stelt dat de vordering door het college is kwijtgescholden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Tegen het terugvorderingsbesluit van 12 oktober 2021 is destijds geen bezwaar gemaakt, zodat het besluit in rechte vast staat en dus niet meer kan wijzigen. Niet is gebleken dat het college de vordering heeft kwijtgescholden en ook is niet gebleken van zodanige omstandigheden dat [eiser] daar in redelijkheid van uit mocht gaan. De kwijtschelding blijkt niet uit de printscreens die zijn overgelegd. Daarin staan namelijk geen toezegging(en) van een kwijtschelding van deze vordering. Dat het college in de tussenliggende jaren verschillende keren uitstel van betaling heeft gegeven voor deze schuld, betekent niet dat de schuld is vervallen. Voor andere schulden is een betalingsregeling afgesproken met het college, maar de schuld van € 759,39 is niet kwijtgescholden. Dit is ook zo vermeld en toegelicht in de beslissing van 1 december 2022, waarin staat:
“U heeft één of meerdere schulden bij de gemeente Enschede. Wij hebben bekeken of u recht heeft op kwijtschelding van deze schulden. In deze brief leest u onze beslissing.
Uw schulden worden voor een deel kwijtgescholden.
Uw totale schuld is € 3.444,31. Er wordt € 2.684,92 kwijtgescholden.
De openstaande schuld is dan nog € 759,39 en dit bedrag moet u wel terugbetalen.”
5.1.
[eiser] stelt dat de grondslag van het terugvorderingsbesluit van 12 oktober 2021 is vervallen, omdat de rechtbank met de beschikking van 19 juni 2024 heeft bepaald dat zij de ontvangen alimentatie niet hoeft terug te betalen (nihilstelling). Volgens [eiser] heeft deze beschikking terugwerkende kracht.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij beschikking van 19 juni 2024 heeft de rechtbank de eerdere beschikking van 31 augustus 2021 gewijzigd en de bijdrage van de man aan de vrouw in de vorm van kinderalimentatie vanaf 1 december 2021 op nihil gesteld. De terugvordering van te veel ontvangen bijstand heeft echter betrekking op de bijstand die is betaald over de periode van 23 maart 2021 tot 31 juli 2021, dus van voor de nihil stelling per 1 december 2021. Daarnaast heeft het college met het verkregen overzicht van het LBIO [1] onderbouwd dat [eiser] sinds april 2022 alsnog in totaal € 2.557,79 aan alimentatiebedragen heeft ontvangen. Met het college is de rechtbank van oordeel dat deze bedragen deels kunnen worden toegerekend aan de periode van 23 maart 2021 tot
31 juli 2021 waarin [eiser] bijstand heeft ontvangen.
5.3.
De overige beroepsgronden van [eiser] zijn naar het oordeel van de rechtbank overtuigend weersproken door het college in onder meer het verweerschrift van
20 januari 2026. De beroepsgronden slagen niet.
5.4.
De beroepsgronden van [eiser] slagen niet. Het college heeft met het bestreden besluit van 11 september 2025 terecht besloten om € 67,27 per maand in te houden op haar bijstandsuitkering.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. Daarom krijgt zij het door haar betaalde griffierecht van € 53,- niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen