Eiser, handelend onder een bedrijfsnaam, verrichtte installatiewerkzaamheden voor gedaagde en leende daarnaast een bedrag van €24.285,90 van gedaagde. Na opschorting van werkzaamheden door eiser, stelde gedaagde de nakoming om in een verplichting tot vervangende schadevergoeding en legde conservatoir beslag op het bedrijfspand van eiser.
In een eerdere procedure veroordeelde de rechtbank eiser tot betaling van een aanzienlijk bedrag aan gedaagde, met uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis. Eiser stelde hoger beroep in tegen deze vonnissen. Gedaagde zette de executie van het vonnis voort, waarop eiser in kort geding verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging tot het hoger beroep is beslist.
De voorzieningenrechter overwoog dat het uitgangspunt is dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis ten uitvoer kan worden gelegd, ook bij hoger beroep, tenzij het belang van de veroordeelde bij behoud van de status quo zwaarder weegt dan het belang van de schuldeiser bij executie. Eiser voerde aan dat hij door het onttrekken van zijn advocaat benadeeld is en dat hij failliet zal gaan als executie doorgaat. Gedaagde betwistte dit en stelde dat eiser bewust geen nieuwe advocaat heeft genomen, dat eiser het pand niet nodig heeft voor zijn werkzaamheden en dat gedaagde een zwaarwegend belang heeft bij executie vanwege de te verwachten opbrengst.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van eiser bij schorsing niet zwaarder weegt dan het belang van gedaagde bij executie. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat executie hem onherstelbare schade zal berokkenen of dat gedaagde geen uitkering zal ontvangen. De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.