ECLI:NL:RBOVE:2026:2561

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
ak_25_1671
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens termijnoverschrijding ongegrond verklaard

Belanghebbende kreeg op 24 januari 2025 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd wegens het ontbreken van geldig parkeerrecht. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar aanvankelijk ongegrond, maar wijzigde later het standpunt naar niet-ontvankelijk wegens te late indiening van het bezwaar. De rechtbank stelde vast dat belanghebbende reeds op of omstreeks de datum van de naheffingsaanslag beschikte over de kennisgeving onder de ruitenwisser, waardoor de bezwaartermijn van zes weken was gestart.

Belanghebbende stelde dat hij de aanslag pas op 4 maart 2025 ontving, maar dit werd niet geaccepteerd. De rechtbank oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een verschoonbare termijnoverschrijding konden rechtvaardigen. Onjuistheden in het dossier, zoals een verkeerd kenteken of adres, deden hieraan niet af omdat belanghebbende tijdig bezwaar had kunnen maken.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat de naheffingsaanslag gehandhaafd blijft. Belanghebbende krijgt geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter L.M. Rijksen en griffier P.P. van Essen - van 't Ende op 13 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting is ongegrond verklaard wegens niet tijdig ingediend bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1671

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in de zaak tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende

en
de heffingsambtenaar van de Regionale Belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte (DOWR).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 14 mei 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 24 januari 2025 aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift. Daarin heeft de heffingsambtenaar zich - anders dan in het besluit op bezwaar - alsnog op het standpunt gesteld dat het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het bezwaar, naar eerst in de beroepsprocedure is gebleken, te laat is ingediend.
1.4.
Bij uitspraak van deze rechtbank van 9 september 2025 is het beroep van belanghebbende, met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet op tijd is betaald.
1.5.
Bij uitspraak van deze rechtbank van 15 januari 2026 is het verzet van belanghebbende gegrond verklaard. De beroepsgronden van belanghebbende zullen in deze uitspraak daarom worden beoordeeld.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2026 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en via Teams: [naam] als gemachtigde van de heffingsambtenaar.

Feiten

2. Op 24 januari 2025 om 16.56 uur stond de auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de Hofstraat te Deventer. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijdstip is geconstateerd dat voor de auto geen geldig parkeerrecht bestond. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag van € 82,28 opgelegd, bestaande uit € 3,48 aan tariefkosten en € 78,80 aan kosten voor de naheffingsaanslag.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is, omdat belanghebbende niet binnen zes weken bezwaar heeft gemaakt en niet verschoonbaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De ontvankelijkheid van het bezwaar
4. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar in het verweerschrift zich alsnog primair op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het te laat is ingediend. Het uitgangspunt hierbij is [1] dat nadat reeds inhoudelijk op het bezwaar is beslist, omstandigheden kunnen blijken waaronder de rechter het alsnog gewijzigde standpunt van de heffingsambtenaar mag honoreren als het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel zich hiertegen niet verzetten.
5. Nu belanghebbende, aldus de heffingsambtenaar, vóór de uitspraak op bezwaar niet de juiste of niet de volledige feitelijke informatie aan de heffingsambtenaar heeft verstrekt door eerst in beroep de naheffingsaanslag mee te sturen terwijl de heffingsambtenaar eerder er nog vanuit ging dat belanghebbende niet beschikte over de papieren kennisgeving/naheffingsaanslag onder de ruitenwisser van de auto, is de rechtsvraag of belanghebbende niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar en of de heffingsambtenaar terecht het bezwaar wegens termijnoverschrijding alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard.
6. Aan een inhoudelijke beoordeling - de vraag of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd - komt de rechtbank eerst toe als blijkt dat het bezwaar (wel) ontvankelijk moet worden verklaard.
7. De heffingsambtenaar stelt dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. De naheffingsaanslag/kennisgeving is op 24 januari 2025 opgelegd en het bezwaarschrift is op 13 april 2025, buiten de wettelijke termijn van zes weken, ontvangen.
8. Belanghebbende stelt (in het bezwaarschrift) dat hij de aanslag op 4 maart 2025 heeft ontvangen.
9. In het voetspoor van de heffingsambtenaar oordeelt de rechtbank dat met de kennis van alle processtukken in de beroepsprocedure thans moet worden geoordeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is wegens termijnoverschrijding. Onbetwist staat vast - en belanghebbende heeft dat ter zitting uitdrukkelijk bevestigd - dat hij reeds op of omstreeks 24 januari 2025 beschikte over de naheffingsaanslag onder de ruitenwisser van zijn voertuig, maar dat hij deze eerst in beroep heeft overgelegd. Vanaf dat eerste moment is de bezwaartermijn gaan lopen en niet vanaf de datum waarvan de heffingsambtenaar aanvankelijk veronderstellenderwijs en abusievelijk is uitgegaan, 4 maart 2025, welke datum belanghebbende in zijn bezwaarschrift noemde als eerste datum waarop hij kennis kreeg van het foutief, onbetaald, parkeren van zijn auto.
10. Als een bezwaar te laat is ingediend, moet het bestuursorgaan het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaren, tenzij sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest. [2] Daarvan kan sprake zijn als bijzondere omstandigheden de indiener hebben verhinderd om tijdig bezwaar te maken.
11. Die omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De door de heffingsambtenaar erkende feitelijke onjuistheden (verkeerd woonadres van belanghebbende, verkeerd kenteken etc.) doen daar niet aan af, nu belanghebbende tijdig bezwaar had kunnen maken voor zover er bij belanghebbende al twijfel zou (kunnen) zijn ontstaan over zijn foutief parkeren. Sterker nog, voor zover de heffingsambtenaar al onjuistheden (verkeerd kenteken) bij het uitschrijven van de kennisgeving (en/of ook nadien) heeft of nadien heeft begaan, had het te meer op de weg van belanghebbende gelegen direct aan de bel te trekken toen hij de kennisgeving onder de ruitenwisser aantrof, al is het maar in eerste instantie met een telefoontje, appje of mail. Wat daar ook van zij, het dossier bevat tal van foto’s van belanghebbendes (onbetaald) geparkeerd staande auto zodat daarover geen misverstand kan bestaan.
12. Al het vorenstaande leidt ertoe dat het beroep ongegrond is, nu de heffingsambtenaar belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar. De enkele stelling dat belanghebbende meende dat hij nog niet op de kennisgeving onder de ruitenwisser van zijn auto had hoeven te reageren, maar kon afwachten, volstaat niet om de verstreken bezwaartermijn veilig te stellen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt en dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
P.P. van Essen - van 't Ende, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:451.
2.Artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).