Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2554

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
84.071322.25
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 21b Meststoffenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot betaling ter ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel fosfaatrechten

De rechtbank Overijssel heeft op 13 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een commanditaire vennootschap die is veroordeeld voor het opzettelijk overtreden van voorschriften uit de Meststoffenwet. De veroordeelde produceerde in 2022 en 2023 meer fosfaat dan haar fosfaatrecht toestond, zonder de benodigde fosfaatrechten te leasen of te kopen.

De officier van justitie vorderde de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de oplegging van een betalingsverplichting aan de Staat. De rechtbank stelde het voordeel vast op €106.629,69, gebaseerd op de leasekosten van fosfaatrechten en de leges die betaald hadden moeten worden aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Namens de veroordeelde werd aangegeven dat terugbetaling moeilijk zou zijn, maar de rechtbank volgde de vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat draagkracht in beginsel pas in de executiefase wordt beoordeeld. Omdat niet was gebleken dat de veroordeelde geen draagkracht heeft, werd de volledige betalingsverplichting opgelegd.

De rechtbank baseerde haar oordeel op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en legde de verplichting tot betaling van het vastgestelde bedrag aan de veroordeelde op.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €106.629,69 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.071322.25
Datum vonnis: 13 mei 2026
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige economische kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde bedrijf] C.V.
gevestigd aan de [adres].

1.De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 106.629,69.

2.De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 30 april 2026. De heer
[naam], beherend vennoot van de commanditaire vennootschap, is op die terechtzitting verschenen en is namens de veroordeelde op de vordering gehoord.
Op de terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd.

3.De beoordeling van de vordering

3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 13 mei 2026 veroordeeld voor de volgende strafbare feiten:
feit 1en feit 2, telkens het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan.
3.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft kennisgenomen van het met deze vordering samenhangende strafdossier.
De veroordeelde is veroordeeld voor het produceren van meer fosfaat in de kalenderjaren 2022 en 2023 dan het in die jaren op haar bedrijf rustende fosfaatrecht. De veroordeelde had ervoor moeten zorgdragen dat haar fosfaatproductie overeenkwam met de aan haar toegekende hoeveelheid fosfaatrechten, door fosfaatrechten te leasen of te kopen. Door dat na te laten heeft de veroordeelde kosten bespaard.
In 2022 heeft de veroordeelde 1.867,49 kilogram meer fosfaat geproduceerd dan het in dat jaar op haar bedrijf rustende fosfaatrecht. De berekende gemiddelde leaseprijs per kilogram afgeroomd fosfaatrecht 2022 met een leaseperiode van één jaar, na aftrek van onderhandelingskorting (hierna: afgeroomde leaseprijs) bedroeg in 2022 € 33,44. [1] Het leasen van de benodigde fosfaatrechten zou de veroordeelde in 2022 € 62.448,87 hebben gekost.
In 2023 heeft de veroordeelde 1.885,97 kg meer fosfaat geproduceerd dan het in dat jaar op haar bedrijf rustende fosfaatrecht. De afgeroomde leaseprijs per kilogram fosfaat bedroeg in 2023 € 23,32. [2] Het leasen van de benodigde fosfaatrechten zou de veroordeelde in 2023
€ 43.980,82 hebben gekost.
In het geval een landbouwer extra fosfaatrechten verwerft, moet dit gemeld worden aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Hiervoor moet per transactie € 100,00 aan leges worden betaald. [3]
Door na te laten fosfaatrechten te verwerven, heeft de veroordeelde de volgende kosten bespaard:
2022
Leasekosten
€ 62.448,87
Leges
€ 100,00
Totaal 2022
€ 62.548,87
2023
Leasekosten
€ 43.980,82
Leges
€ 100,00
Totaal 2023
€ 44.080,82
De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op
€ 106.629,69.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
Namens de veroordeelde is verklaard dat het lastig zal zijn om het wederrechtelijk verkregen voordeel terug te betalen. Als de ontnemingsvordering wordt toegewezen, zal zij zich ter financiering moeten wenden tot een bank.
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de draagkracht van de betrokkene in beginsel aan de orde komt in de executiefase. De reden daarvoor is dat de rechter in de ontnemingsprocedure doorgaans niet met zekerheid zal kunnen vaststellen hoe de draagkracht van de betrokkene zich in de – soms aanzienlijk later plaatsvindende – executiefase zal ontwikkelen, en dat de mogelijkheid om aan de opgelegde betalingsverplichting te voldoen zich dus beter laat beoordelen in de executiefase. In de ontnemingsprocedure bestaat alleen grond voor matiging van de betalingsverplichting als aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Het gaat dan om het geval waarin de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat de betrokkene op het moment van de ontnemingsprocedure geen draagkracht heeft en dat het zeer waarschijnlijk is dat daarin in de toekomst geen verandering zal komen.
In deze zaak is niet gebleken dat de door de Hoge Raad genoemde uitzonderingsituatie aan de orde is, zodat de rechtbank bij het vaststellen van de betalingsverplichting geen rekening zal houden met de draagkracht van de veroordeelde.
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 106.629,69.

4.De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
  • legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en
mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Kannegieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
Buiten staat
Mr. A.F. Germs-de Goede is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Nota leaseprijzen fosfaatrechten 2022 van 17 april 2023 (bijlage 41 bij het dossier van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) met nummer 187396/159949/6001858/5, paragraaf 5.3, pagina 8 tot en met 10).
2.Nota leaseprijzen fosfaatrechten 2023 van 28 februari 2024 (bijlage 43 bij het dossier van de NVWA met nummer 187396/159949/6001858/5, paragraaf 5.3, pagina 8 tot en met 11).
3.Het dossier van de NVWA met nummer 187396/159949/6001858/5, pagina 15, eerste alinea.