Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2553

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
84.071322.25 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21b MeststoffenwetArt. 1a Wet op de economische delictenArt. 2 Wet op de economische delictenArt. 6 Wet op de economische delictenArt. 14a Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke overschrijding fosfaatrecht in melkveehouderij

De rechtbank Overijssel heeft op 13 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een melkveehouderijbedrijf dat in 2022 en 2023 meer fosfaat produceerde dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht toestond. Verdachte heeft bekend dat de fosfaatproductie de toegestane hoeveelheid overschreed, maar ontkende opzet. De rechtbank oordeelde echter dat het opzettelijk was, omdat verdachte als professionele melkveehouder kennis had van de regelgeving en bewust verkeerde diercategorieën gebruikte bij de berekening.

De overschrijding bedroeg in 2022 circa 1867,49 kilogram en in 2023 circa 1885,97 kilogram fosfaat. De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen en strafbaar gesteld onder artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet in combinatie met de Wet op de economische delicten. Er waren geen omstandigheden die strafuitsluiting rechtvaardigden.

Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, de milieuschade door overtollige fosfaatproductie, en de lastige bedrijfsomstandigheden waaronder verdachte verkeerde, zoals de plotselinge invoering van het fosfaatrechtstelsel, financiële nood, het overlijden van een belangrijke bedrijfsmedewerker en aardbevingsproblematiek. Verdachte toonde zich coöperatief en had maatregelen genomen om binnen de regels te blijven.

De rechtbank legde een geheel voorwaardelijke geldboete van €10.000 op met een proeftijd van twee jaar, waarbij de tenuitvoerlegging wordt gelast als verdachte binnen die periode opnieuw een strafbaar feit pleegt. Hiermee werd de eis van de officier van justitie deels gevolgd, die een hogere boete had gevorderd.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van €10.000 met een proeftijd van twee jaar wegens opzettelijke overschrijding van het fosfaatrecht in 2022 en 2023.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.071322.25 (P)
Datum vonnis: 13 mei 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] C.V.
gevestigd aan de [vestigingsplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat namens verdachte, vertegenwoordigd door de heer [naam], beherend vennoot, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:in 2022 als landbouwer op haar bedrijf 1867,49 kilogram meer fosfaat heeft geproduceerd met melkvee dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht;
feit 2:in 2023 als landbouwer op haar bedrijf 1885,97 kilogram meer fosfaat heeft geproduceerd met melkvee dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
zij in het kalenderjaar 2022, te [plaats 1] en/of [plaats 2], in de gemeente [gemeente], in ieder geval in Nederland,
als landbouwer, al dan niet opzettelijk,
op een bedrijf met UBN-nummer [nummer 1] en/of [nummer 2] meer meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft geproduceerd met melkvee dan op het bedrijf rustende fosfaatrecht, immers:
- heeft zij, verdachte in 2022 (ongeveer) 19.806,49 kg fosfaat geproduceerd, terwijl op het bedrijf in 2022 (ongeveer) 17.939 kg fosfaatrecht rustte;
2.
zij in het kalenderjaar 2023, te [plaats 1] en/of [plaats 2], in de gemeente [gemeente], in ieder geval in Nederland,
als landbouwer, al dan niet opzettelijk,
op een bedrijf met UBN-nummer [nummer 1] en/of [nummer 2] meer meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft geproduceerd met melkvee dan op het bedrijf rustende fosfaatrecht, immers:
- heeft zij, verdachte in 2023 (ongeveer) 20.725,13 kg fosfaat geproduceerd, terwijl op het bedrijf in 2023 (ongeveer) 18.839,16 kg fosfaatrecht rustte.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdachte
Namens verdachte heeft [naam] niet betwist dat het bedrijf in 2022 en 2023 meer fosfaat heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht, maar wel dat hij – zo begrijpt de rechtbank – geen opzet heeft gehad op het overschrijden van haar fosfaatrecht. [1]
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu [verdachte] – behoudens het hierna te bespreken verweer inzake het bestanddeel ‘opzettelijk’ – de feiten heeft bekend. [2]
Ten aanzien van feit 1:
Het proces-verbaal van de zitting van 30 april 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van [verdachte];
Een geschrift, zijnde een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel betreffende [verdachte] C.V. 1 augustus 2024 (bijlage 1), pagina 18.
Een geschrift genaamd ‘Uitdraai BOZ’ (bijlage 2), pagina 19.
Een geschrift genaamd ‘Berekening overschrijding fosfaatrecht 2022’ (bijlage 38), pagina 348.
Ten aanzien van feit 2:
Het proces-verbaal van de zitting van 30 april 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van [verdachte];
Een geschrift, zijnde een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel betreffende [verdachte] C.V. 1 augustus 2024 (bijlage 1), pagina 18.
Een geschrift genaamd ‘Uitdraai BOZ’ (bijlage 2), pagina 19.
Een geschrift genaamd‘ Berekening overschrijding fosfaatrecht 2023’ (bijlage 39), pagina 349.
Opzet
In het economisch strafrecht moet de term opzet worden uitgelegd als kleurloos opzet. Dit betekent dat het opzet alleen gericht moet zijn op de verweten gedraging en niet op de wederrechtelijkheid daarvan.
De verweten gedraging bestaat erin dat [verdachte] C.V. in de kalenderjaren 2022 en 2023 meer fosfaat heeft geproduceerd dan het op haar bedrijf rustende fosfaatrecht.
Naar het oordeel van de rechtbank is dat opzettelijk gedaan, ook al was [verdachte] in de veronderstelling dat de fosfaatproductie in 2022 en 2023 overeenkwam met de aan het bedrijf toegekende hoeveelheid fosfaatrechten. [verdachte] heeft verklaard dat hij handmatig aanpassingen heeft gedaan in de diercategorieën waarbij een deel van de koeien op enig moment als ‘weidekoe’ in plaats van ‘melkkoe’ gecategoriseerd is. De als ‘weidekoe’ gecategoriseerde koeien waren ‘drooggezet’, maar werden nog wel gemolken, aldus [verdachte]. Voor de berekening van de benodigde fosfaatrechten is hij dus uitgegaan van een verkeerde diercategorie waardoor te weinig fosfaatrecht is berekend. Ook ging [verdachte] ervan uit dat het bedrijf voor wat betreft de melkproductie per melkkoe in een lagere categorie forfaitaire excretiewaarde zou worden ingeschaald dan daadwerkelijk het geval was, zodat hij ook om die reden in de veronderstelling verkeerde dat de fosfaatproductie niet meer zou bedragen dan de hoeveelheid fosfaatrecht waarover het bedrijf op dat moment beschikte. Als melkveehouder behoort [verdachte] echter te weten hoe hoog de melkproductie en daarmee de fosfaatproductie zijn en ook hoe hoog het op het bedrijf rustende fosfaatrecht is. Kennis van de regelgeving die van toepassing is op de activiteiten die [verdachte] C.V. als professionele melkveehouderij uitvoert, mag worden verondersteld en er mag van de C.V. worden verwacht dat zij opereert volgens die regels.
Door na te laten te handelen naar de geldende regelgeving heeft [verdachte] C.V. naar het oordeel van de rechtbank in 2022 en 2023 opzettelijk meer fosfaat geproduceerd dan het op haar bedrijf rustende fosfaatrecht.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
zij in het kalenderjaar 2022, te [plaats 1] en [plaats 2], in de gemeente [gemeente],
als landbouwer, opzettelijk, op een bedrijf met UBN-nummer [nummer 1] en [nummer 2], meer meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft geproduceerd met melkvee dan op het bedrijf rustende fosfaatrecht, immers:
- heeft zij, verdachte in 2022 (ongeveer) 19.806,49 kg fosfaat geproduceerd, terwijl op het bedrijf in 2022 (ongeveer) 17.939 kg fosfaatrecht rustte;
2
zij in het kalenderjaar 2023, te [plaats 1] en [plaats 2], in de gemeente [gemeente],
als landbouwer, opzettelijk, op een bedrijf met UBN-nummer [nummer 1] en [nummer 2], meer meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft geproduceerd met melkvee dan op het bedrijf rustende fosfaatrecht, immers:
- heeft zij, verdachte in 2023 (ongeveer) 20.725,13 kg fosfaat geproduceerd, terwijl op het bedrijf in 2023 (ongeveer) 18.839,16 kg fosfaatrecht rustte.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet, in combinatie met de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1 en feit 2, telkens:
het misdrijf:
overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 21b, eerste lid van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6.De op te leggen straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 27.000, op te leggen, met een proeftijd van twee jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Namens verdachte is geen strafmaatverweer gevoerd.
6.3
De gronden voor een straf
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de bedrijfsmatige omstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich in twee kalenderjaren schuldig gemaakt aan het overschrijden van het op haar bedrijf rustende fosfaatrecht door meer kilogrammen fosfaat te produceren dan haar was toegestaan. Het fosfaatrechtenstelsel is ingevoerd om de mestproductie te reguleren, nadat in 2015 het mestproductieplafond werd overschreden. Wanneer ondernemers meer fosfaat produceren dan de hoeveelheid waarvoor zij rechten hebben, komt dat doel in het gedrang. De productie van (te veel) fosfaat brengt schadelijke gevolgen voor het milieu met zich mee.
De feiten rechtvaardigen oplegging van een straf. Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met de volgende omstandigheden.
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt dat verdachte niet de intentie had om niet te voldoen aan de geldende regelgeving. Hoewel het de verantwoordelijkheid van verdachte is om te zorgen dat haar fosfaatproductie de voor haar benutbare fosfaatrechten niet zal overschrijden, heeft de rechtbank oog voor de lastige (bedrijfs-)omstandigheden waarmee verdachte en haar vennoten voorafgaand aan en in de ten laste gelegde periode kampten. De rechtbank kan zich voorstellen dat deze omstandigheden een rol hebben gespeeld in het bewezen verklaarde. [verdachte] heeft ter zitting namens verdachte verklaard dat het bedrijf werd verrast door de (plotselinge) invoering van het fosfaatrechtstelsel en dat zij, mede omdat zij voorafgaand aan de invoering van het fosfaatrechtstelsel had geïnvesteerd in een uitbreiding van haar stallen, verschillende financiële noodsprongen moest maken om het bedrijf draaiende te houden én te voldoen aan de gewijzigde regelgeving omtrent fosfaatrechten. Daarnaast heeft het overlijden van de vader van [verdachte], die tot aan zijn overlijden in 2022 een belangrijke rol speelde binnen het bedrijf, ook impact gehad op het bedrijf. Met zijn overlijden viel voor het bedrijf een grote hoeveelheid aan kennis en kunde weg, onder andere op het gebied van het fosfaatrechtstelsel. Zo was de vader van [verdachte] degene die zich bezighield met de administratie daaromtrent en was hij degene die ervoor zorgde dat het bedrijf elk jaar over voldoende fosfaatrecht beschikte. De overname van het maatschapsaandeel van vader was pas in december 2022 geregeld en dit gaf veel stress, ook met betrekking tot de financiering hiervan. Daarbij speelde ook een rol dat de vergunning voor een melkrobot traag verliep. Ook hebben de vennoten in de ten laste gelegde periode te maken met (de gevolgen van) de aardbevingsproblematiek in Groningen, nu het bedrijf in het aardbevingsgebied is gevestigd. Alles bij elkaar is het teveel geworden.
De rechtbank weegt daarnaast in het voordeel van verdachte mee dat zij inmiddels maatregelen heeft getroffen om binnen de regels van het fosfaatrechtstelsel te blijven door een adviesbureau in de hand te nemen. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat [verdachte] zich van meet af aan coöperatief heeft opgesteld en volledig openheid van zaken heeft gegeven.
Tot slot stelt de rechtbank vast dat verdachte, blijkens een uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 februari 2026, niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
In voornoemde omstandigheden ziet de rechtbank reden om aan verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete op te leggen. Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 10.000,--, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

7.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 en feit 2, telkens het misdrijf:
overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 21b, eerste lid van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot betaling van
een geldboete van € 10.000,-- (zegge: tienduizend euro);
- bepaalt dat deze geldboete
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en
mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Kannegieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
Buiten staat
Mr. A.F. Germs-de Goede is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Hierna zal telkens de verklaring ter zitting van [naam], als vertegenwoordiger van [verdachte] C.V., worden weergegeven.
2.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) met nummer 187396/159949/6001858/5. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.