Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2550

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
ak_25_2547
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 5.1 WooWet open overheidWet politiegegevensBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit korpschef over gedeeltelijke weigering openbaarmaking Woo-verzoek operationele beelden

Eiser heeft op grond van de Wet open overheid (Woo) verzocht om openbaarmaking van operationele beelden van de Dienst Regionale Informatie Organisatie over 2016-2018. De korpschef heeft dit verzoek deels afgewezen met verwijzing naar uitzonderingsgronden uit de Woo, waaronder staatsveiligheid en opsporingsbelangen.

Tijdens de procedure erkende de korpschef dat een deel van de geweigerde informatie eigenlijk onder de Wet politiegegevens (Wpg) valt en niet op grond van de Woo beoordeeld had moeten worden. Hierdoor was het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en onjuist.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en vernietigt het besluit. De korpschef moet opnieuw op het bezwaar beslissen, waarbij zij duidelijk moet maken welke informatie onder de Wpg valt en welke onder de Woo, en de motivering daarop aanpassen.

De rechtbank wijst tevens proceskosten toe aan eiser en gelast vergoeding van griffierecht en kosten rechtsbijstand. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit worden niet in stand gelaten omdat herstel niet transparant is gemaakt.

De uitspraak benadrukt het belang van correcte wettelijke grondslagen en zorgvuldige motivering bij weigering van openbaarmaking op grond van de Woo.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de korpschef vernietigd, met opdracht tot hernieuwde beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2547

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser, hierna: [eiser]

(gemachtigde: mr. H. van Drunen)
en

de korpschef van politie, verweerder, hierna: de korpschef

(gemachtigde: mr. P.M.L. Van der Schot-Schröder).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over een verzoek van [eiser] op grond van de Wet open overheid (Woo). [eiser] heeft de korpschef verzocht om de zogenoemde Operationele Beelden CTER [1] & Openbare Orde van de Dienst Regionale Informatie Organisatie van de eenheid Den Haag over de kalenderjaren 2016, 2017 en 2018 openbaar te maken. De korpschef heeft dat verzoek gedeeltelijk afgewezen.
Voorafgaand aan de zitting van de rechtbank heeft de korpschef vastgesteld dat zij bij een deel van de informatie waarvan de openbaarmaking is geweigerd, een andere wettelijke grondslag voor de weigering had moeten gebruiken. Dat is voor de rechtbank reden om het bestreden besluit te vernietigen. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De korpschef moet daarom opnieuw op het bezwaar van [eiser] beslissen.

Procesverloop

1. [eiser] heeft op 22 januari 2024 een verzoek op grond van de Woo ingediend bij de korpschef. Met het besluit van 11 juni 2024 heeft de korpschef hierop beslist en documenten aan [eiser] verstrekt. In de verstrekte documenten zijn bepaalde onderdelen niet openbaar gemaakt.
1.1.
Met het bestreden besluit van 27 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de korpschef een beslissing op het bezwaar van [eiser] genomen.
1.2.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De korpschef heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken bij de rechtbank ingediend. Daarbij zitten ook de volledige, ongelakte rapporten waarover het in deze zaak gaat. De delen van de rapporten waarvan de openbaarmaking is geweigerd, heeft de korpschef onder verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vertrouwelijk aan de rechtbank overgelegd. Op grond van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb heeft alleen de rechtbank kennisgenomen van deze delen van de rapporten.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben [eiser] en zijn gemachtigde deelgenomen. Namens de korpschef waren de gemachtigde en mr. J.S.T. Peek aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Aanleiding en besluitvorming
2. Bij brief van 22 januari 2024 heeft [eiser] verzocht om de zogenoemde Operationeel Beelden CTER & Openbare Orde (Operationeel Beelden) van de Dienst Regionale Informatie Organisatie van de eenheid Den Haag over de kalenderjaren 2016, 2017 en 2018 openbaar te maken.
2.1.
Uit het besluit van 11 juni 2024 volgt dat de korpschef over 42 documenten beschikt die onder dit Woo-verzoek vallen. Dit zijn de Operationele Beelden over de jaren 2017 en 2018. In verband met de bewaartermijn zijn er geen Operationele Beelden over het jaar 2016 aangetroffen. De korpschef heeft bepaalde informatie in de aangetroffen documenten niet openbaar gemaakt op grond van in de Woo opgenomen uitzonderingsgronden.
2.2.
Uit het bestreden besluit volgt dat de korpschef de Operationele Beelden over 2016 alsnog heeft aangetroffen na nieuwe zoekslagen binnen de politieorganisatie. Deze zijn op dezelfde wijze als de Operationele Beelden over 2017 en 2018 gedeeltelijk openbaar gemaakt.
2.3.
Bepaalde passages in de Operationele Beelden over 2016, 2017 en 2018 zijn niet openbaar gemaakt, omdat het openbaar maken van die informatie volgens de korpschef de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden. Verder heeft de korpschef informatie in de aangetroffen documenten niet openbaar gemaakt na afweging van het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten tegen het belang van de openbaarmaking. Ook heeft de korpschef informatie niet openbaar gemaakt voor zover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Ten slotte is informatie niet openbaar gemaakt indien het belang van het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, naar het oordeel van de korpschef zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid.
Standpunt [eiser]
3. [eiser] is het niet eens met het bestreden besluit en heeft – samengevat weergegeven – het volgende naar voren gebracht. Volgens [eiser] moet de uitzonderingsgrond over de veiligheid van de Staat restrictief worden uitgelegd en heeft de korpschef dat hier niet gedaan. Feitelijk is informatie hier categoraal geweigerd. [eiser] heeft in zijn beroepschrift verder informatie aangehaald waarover hij reeds beschikt en die naar zijn mening in het kader van dit Woo-verzoek openbaar gemaakt had moeten worden. [eiser] stelt zich onder verwijzing naar die beschikbare informatie op het standpunt dat niet valt in te zien dat openbaarmaking van de gevraagde informatie de veiligheid van de Staat raakt. Naar de mening van [eiser] bevatten verder niet alle op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Woo geweigerde passages informatie over opsporing en vervolging van strafbare feiten. Zo heeft een passage over een aangemelde demonstratie of ingediend bezwaarschrift volgens [eiser] in het geheel geen betrekking op strafbare feiten of de opsporing daarvan.
Overwegingen
4. Voorafgaand aan de zitting heeft de korpschef een verweerschrift naar de rechtbank gestuurd. Hierin heeft de korpschef aangegeven dat bij de voorbereiding op de zitting door haar is vastgesteld dat een aanzienlijk deel van de beoordeelde informatie ten onrechte onder het regime van de Woo is gebracht. Volgens de korpschef betreft een aanzienlijk gedeelte van de informatie waarvan de openbaarmaking in het bestreden besluit is geweigerd namelijk persoonsgegevens die in het kader van de politietaak zijn verwerkt en daarom kwalificeren als politiegegevens in de zin van de Wet politiegegevens (Wpg). Deze informatie kan niet op grond van de Woo worden beoordeeld en de korpschef had openbaarmaking van deze informatie op grond van de Wpg moeten weigeren.
5. De korpschef heeft de rechtbank gevraagd om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De weigering om bepaalde informatie openbaar te maken is naar de mening van de korpschef materieel terecht, maar had – voor zover het gaat om politiegegevens in de zin van de Wpg – bij nader inzien op een andere wettelijke grondslag moeten berusten.
6. De rechtbank stelt op basis van het verweerschrift vast dat de korpschef erkent dat het bestreden besluit van 27 augustus 2025 niet goed is gemotiveerd. Dit standpunt heeft de korpschef op de zitting herhaald. Alleen al hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [eiser] tegen het bestreden besluit terecht beroep heeft ingesteld. Het beroep is dan ook gegrond en het verzoek van [eiser] om een proceskostenvergoeding moet worden toegewezen. De hoogte van deze proceskostenvergoeding stelt de rechtbank aan het einde van deze uitspraak vast.
7. Wat betreft het verzoek van de korpschef om de rechtgevolgen in stand te laten overweegt de rechtbank als volgt.
7.1.
Het in stand laten van de rechtsgevolgen is mogelijk als een bestuursorgaan vasthoudt aan het besluit, het gebrek herstelt en de andere partijen zich daarover in voldoende mate hebben kunnen uitlaten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na het herstellen van het gebrek de rechterlijke toets kan doorstaan. [2]
7.2.
Op dit moment heeft de korpschef niet aangegeven voor welke passages de korpschef de openmaking weigert op grond van de Wpg en voor welke passages de weigering van de openbaarmaking gebaseerd blijft op de Woo. Dit betekent dat niet duidelijk is hoe het bestreden besluit hersteld zou moeten worden. De rechtbank ziet in deze zaak dan ook geen grond om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 27 augustus 2025 in stand te laten.
7.3.
De korpschef moet opnieuw op het bezwaar van [eiser] beslissen. Zij moet daarbij een volledige heroverweging maken en motiveren of en op welke door haar geweigerde informatie de Wpg van toepassing is en op welke andere geweigerde informatie welke uitzonderingsgrond uit de Woo van toepassing is.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Dit betekent dat het bestreden besluit van 27 augustus 2025 niet in stand blijft. De korpschef moet opnieuw op het bezwaar van [eiser] beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.
9. Omdat het beroep gegrond is, moet de korpschef het betaalde griffierecht aan [eiser] vergoeden. Ook moet de korpschef aan [eiser] een vergoeding betalen voor de proceskosten die [eiser] redelijkerwijs voor de behandeling van zijn beroep heeft moeten maken. Deze kosten bestaan uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Conform het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de vergoeding voor deze kosten vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt: € 934,-; wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 27 augustus 2025;
- draagt de korpschef op om opnieuw op het bezwaar van [eiser] te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
- gelast de korpschef het griffierecht van € 194,- aan [eiser] te vergoeden;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, voorzitter, en mr. K. Ides en mr. A.J.G.M. van Montfort, leden, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 december 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2023:4522.