Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2543

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
C/08/344968 / KG ZA 26-36
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:323 lid 3 BWArt. 3:307 lid 1 BWArt. 3:316 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen verjaring van vordering restschuld hypotheek na executoriaal derdenbeslag

Eiser en zijn toenmalige partner sloten in 2009 een geldleningsovereenkomst met ABN AMRO waarbij een hypotheekrecht op hun woning werd gevestigd. Eiser werd in 2012 failliet verklaard, waarna het faillissement in 2014 werd opgeheven. ABN AMRO legde in 2021 en 2025 executoriaal derdenbeslag onder de werkgevers van eiser.

Eiser vorderde in kort geding opheffing van het beslag en een verklaring voor recht dat de vorderingen van ABN AMRO verjaard zijn, met terugbetaling van onrechtmatig ingehouden bedragen. Hij stelde dat de verjaringstermijn van vijf jaar was verstreken vanaf het faillissement in 2012.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de verjaring niet was ingetreden omdat het hypotheekrecht pas tenietgaat bij uitwinning van het goed en dat de vordering door het leggen van executoriaal derdenbeslag is gestuit. ABN AMRO had haar vordering herhaaldelijk kenbaar gemaakt, wat stuiting van verjaring inhoudt.

Daarom wees de rechtbank de vorderingen van eiser af en veroordeelde hem in de proceskosten. De uitspraak bevestigt dat de restschuldvordering niet verjaard is zolang het hypotheekrecht niet is opgeheven en de schuldeiser stuitingshandelingen verricht.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af en bevestigt dat de vordering van ABN AMRO niet is verjaard vanwege stuiting door executoriaal derdenbeslag.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/344968 / KG ZA 26-36
Vonnis in kort geding van 1 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M.B. Beerentsen,
tegen
ABN AMRO BANK NV,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ABN AMRO,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de mondelinge behandeling van 17 april 2025
  • het tegen gedaagde verleende verstek.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten, het geschil en de beoordeling

2.1
[eiser] en zijn toenmalige partner hebben in 2009 met ABN AMRO een overeenkomst van geldlening gesloten, waarbij zij aan ABN AMRO een hypotheekrecht op hun woning hebben verleend. Dit is vastgelegd in de notariële akte van 22 september 2009 (productie 3 [eiser]). [eiser] is op 3 juli 2012 in staat van faillissement verklaard, welk faillissement bij beschikking van 21 oktober 2014 is opgeheven (productie 2 [eiser]).
Op 9 juni 2021 heeft ABN AMRO executoriaal derdenbeslag gelegd onder de toenmalige werkgever van [eiser] (productie 3 [eiser]). Op 16 september 2025 heeft zij executoriaal derdenbeslag gelegd onder de huidige werkgever van [eiser] (productie 1 [eiser]). In de processen-verbaal ter zake is vermeld dat voormelde notariële akte bij exploot van
30 september 2016 aan [eiser] is betekend met bevel tot betaling.
2.2
[eiser] vordert dat ABN AMRO wordt bevolen het op 16 september 2025 onder zijn werkgever gelegde derdenbeslag opheft en opgeheven houdt, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Verder vordert hij een verklaring voor recht dat de ten gevolge van het beslag van 9 juni 2021 en het beslag van 16 september 2025 onrechtmatig zijn ingehouden en vermeerderd met wettelijke rente aan hem moeten worden terug-/doorbetaald. Tot slot vordert hij dat ABN AMRO wordt veroordeeld in de proceskosten.
2.3
Aan het gevorderde legt [eiser] ten grondslag dat de vordering van ABN AMRO is verjaard. In de dagvaarding is vermeld:
Eiser kan niet exact aangeven wanneer de volledige hypotheekschuld opeisbaar is geworden en waardoor ook de verjaring van deze vordering is gaan lopen. Wel duidelijk is dat dit in ieder geval is gebeurd op 3 juli 2012, zijnde de datum van het faillissement.
Deze verjaring is niet gestuit, zodat de vordering op 3 juli 2017 is verjaard, aldus [eiser].
2.4
Gelet op het feit dat ABN AMRO niet is verschenen, is het gevorderde toewijsbaar tenzij een en ander de voorzieningenrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Dit laatste is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het geval. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
2.5 (
Pas) als een hypotheekrecht teniet is gegaan, zoals door uitwinning van het verbonden goed, bestaat niet langer grond voor de bescherming die artikel 3:323 lid 3 BW Pro de hypotheekhouder biedt. In dat geval geldt voor de restschuld dus niet de regel van
artikel 3:323 lid 3 BW Pro [1] , maar die van artikel 3:307 lid 1 BW Pro [2] . De verjaringstermijn van laatstgenoemd artikel loopt van de aanvang van de dag volgend op die waarop het hypotheekrecht is tenietgegaan.
2.6
Uit de door [eiser] gegeven summiere informatie kan niet worden opgemaakt wanneer de hypothecaire geldlening is opgeëist; het enige wat hij daarover stelt, is (zie onder 2.3) dat dit in ieder geval is gebeurd op 3 juli 2012. [eiser] weet wel dát de woning is verkocht, maar verdere details weet hij niet te geven.
2.7 (
Zelfs) als zou worden uitgegaan van een tenietgaan van het hypotheekrecht op de door [eiser] genoemde datum (3 juli 2012), zou de vordering van ABN AMRO op [eiser] tot betaling van de restschuld uit hoofde van de hypothecaire geldleningsovereenkomst niet zijn verjaard. De verjaring van die rechtsvordering kan worden gestuit door het instellen van een eis,
alsmededoor iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt (artikel 3:316 lid 1 BW Pro).
2.8
In dit geval heeft, zo blijkt uit de door [eiser] overgelegde stukken, ABN AMRO op
30 september 2016aanspraak gemaakt op betaling, herhaald (door het leggen van executoriaal derdenbeslag) in
juni 2021en
september 2025. Dat voormelde handelingen geen stuitingshandelingen in de zin van artikel 3:316 lid 1 BW Pro zouden zijn, is gesteld noch gebleken. Het beroep op verjaring slaagt dan ook niet.
2.9
Dit betekent dat het gevorderde, als ongegrond, niet voor toewijzing in aanmerking komt.
2.1
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom zijn proceskosten dragen.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter
3.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
3.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten.
Dit vonnis is gewezen door E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken door
mr. G.W.G. Wijnands op 1 mei 2026.

Voetnoten

1.1 Artikel 3:323 lid 3 BW Pro: De rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis tot zekerheid waarvan een hypotheek strekt, verjaart niet voordat twintig jaren zijn verstreken na de aanvang van de dag volgend op die waarop de hypotheek aan de verbintenis is verbonden.
2.2 Artikel 3:307 lid 1 BW Pro: Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.