Verzoekster huurt sinds 2019 een woning met garage, waarvoor in 2021 twee huurovereenkomsten zijn gesloten: één voor de woning en één voor de garage. De verhuurder heeft de garageovereenkomst opgezegd met ontruiming per 1 december 2025. Verzoekster betwist dat de garage bedrijfsruimte is en verzoekt om verlenging van de ontruimingstermijn.
De kantonrechter stelt vast dat de twee overeenkomsten feitelijk één geheel vormen, maar dat de garage als zelfstandige bedrijfsruimte kan worden gesplitst van de woonruimte. De garage wordt gebruikt voor bedrijfsmatige activiteiten en is bouwkundig gescheiden van de woning. De huurovereenkomst wordt daarom gesplitst in een woonruimteovereenkomst en een bedrijfsruimteovereenkomst voor de garage.
De kantonrechter wijst het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn af, omdat verzoekster al geruime tijd geen bedrijfsmatige activiteiten meer in de garage verricht. Het tijdstip van ontruiming wordt vastgesteld op 1 juni 2026. Verzoekster wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.