Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2466

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
08-197549-25
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 13 Wet wapens en munitieArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 55 Wet wapens en munitieArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging, wapens en hennepbezit met deels voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 27 juni 2025 bedreigde verdachte [slachtoffer 1] met de dood tijdens een conflict bij een verjaardagsfeest, waarbij hij een bijl dreigend boven zijn hoofd hield. Verdachte vernielde een schutting, maar dit feit werd niet bewezen als eigendom van een ander. De rechtbank sprak verdachte vrij van poging zware mishandeling wegens onvoldoende bewijs dat hij de bijl gooide.

Verdachte had boksbeugels en een stroomstootwapen in bezit en op 28 juni 2025 ongeveer 757,60 gram hennep aanwezig, wat wettelijk verboden is. Deze feiten werden wettig en overtuigend bewezen verklaard. Verdachte leed aan een psychotische stoornis en andere problematiek, wat leidde tot een (enigszins) verminderde toerekeningsvatbaarheid voor de bedreiging.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 137 dagen op, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante behandeling, drugs- en contactverbod, en toezicht door de reclassering. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar vanwege het recidiverisico.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] kreeg een immateriële schadevergoeding van €750 toegewezen wegens geestelijk letsel, deels voortkomend uit verergerde PTSS-klachten. De vordering van [slachtoffer 2] werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs. De inbeslaggenomen bijlen werden verbeurd verklaard. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 137 dagen gevangenisstraf, waarvan 90 voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en gedeeltelijke schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-197549-25 (P)
Datum vonnis: 7 mei 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 april 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. M.P. Smit, advocaat in Almelo, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij
[slachtoffer 1] door [naam 1], medewerker bij Slachtofferhulp Nederland, is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in [plaats]:
op 27 juni 2025
feit 1:de schutting van [slachtoffer 2] heeft vernield;
feit 2:(primair) heeft geprobeerd aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door een bijl in zijn richting te gooien, (subsidiair) dan wel hem heeft bedreigd;
feit 3:boksbeugels voorhanden heeft gehad;
feit 4:een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad;
feit 5:op 28 juni 2025 ongeveer 757,60 gram hennep(toppen) opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 27 juni 2025 in de gemeente [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een schutting, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan
[slachtoffer 2] ([slachtoffer 2]), toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2
hij op of omstreeks 27 juni 2025 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een bijl, althans een hard en/of scherp voorwerp, in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 juni 2025 in de gemeente [plaats] [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- met een bijl, althans een hard en/of scherp voorwerp, in de richting van voornoemde
[slachtoffer 1] te lopen,
- genoemde bijl, althans genoemd harde en/of scherpe voorwerp boven zijn, verdachtes, hoofd te houden,
- ( meermaals) tegen en/of in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] te schreeuwen: “Ik maak je dood” en/of “Ik maak jou als eerste dood”, en/of
- genoemde bijl, althans genoemd harde en/of scherpe voorwerp, in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] te gooien,
althans woorden en/of gedragingen van gelijke dreigende aard en/of strekking;
3
hij op of omstreeks 27 juni 2025 in de gemeente [plaats] een of meerdere wapens van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere boksbeugels, voorhanden heeft gehad;
4
hij op of omstreeks 27 juni 2025 in de gemeente [plaats] een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen (merk/type: Power Max), zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad;
5
hij op of omstreeks 28 juni 2025 in de gemeente [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 757,60 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep(toppen), zijnde hennep(toppen), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde, wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verder kunnen de feiten 3, 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Feiten 1 en 2
De verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij op 27 juni 2025 grove dingen heeft gezegd tegen de mensen die zich bevonden aan de van [adres] te [plaats] (waaronder aangever [slachtoffer 1], hierna: [slachtoffer 1]), waarvan hij zich kan voorstellen dat die bedreigend zijn overgekomen. Hij had toen ook een bijl vast, waarmee hij onder meer planken uit zijn eigen schutting heeft gedrukt.
3.3.1.1 De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 27 juni 2025 heeft verdachte een aanvaring gehad met zijn achterbuurvrouw - wonend aan de van [adres] te [plaats] - en andere personen die daar op dat moment op bezoek waren, waaronder [slachtoffer 1]. Verdachte heeft meermalen “Ik maak je dood” en “Ik maak jou als eerste dood” naar [slachtoffer 1] geschreeuwd, terwijl hij een bijl in zijn handen had. Verdachte liep daarbij in de richting van [slachtoffer 1] en hield de bijl boven zijn eigen hoofd.
3.3.1.2 De overwegingen van de rechtbank
Vrijspraak feit 1: vernieling
Hoewel vaststaat dat verdachte met een bijl een schutting heeft vernield - zoals hij zelf ook heeft verklaard - kan de rechtbank op grond van het dossier niet vaststellen dat die schutting geheel of ten dele toebehoorde aan aangever [slachtoffer 2] of een ander, zoals is ten laste gelegd. Verdachte heeft immers verklaard dat die schutting aan hem toebehoorde, omdat die op zijn grond is geplaatst. Bovendien heeft zijn vader die schutting nadien gerepareerd. Uit het dossier is het tegendeel niet gebleken. Uit het dossier volgt evenmin wie de eigenaar van die schutting is. De rechtbank acht de aan verdachte onder 1 ten laste gelegde vernieling daarom niet wettig en overtuigend bewezen, zodat zij hem van dat feit zal vrijspreken.
Vrijspraak feit 2 primair: poging tot zware mishandeling
Hoewel vaststaat dat verdachte een bijl in zijn handen heeft gehad, kan de rechtbank op grond van het dossier niet vaststellen dat verdachte die bijl ook in de richting van [slachtoffer 1] heeft gegooid. Verdachte ontkent dit. Enkel getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de bijl zag vliegen. [slachtoffer 1] heeft daarover echter niets verklaard in zijn aangifte en evenmin in zijn aanvullende verklaring. Nog daargelaten dat uit de verklaring van [getuige] niet noodzakelijkerwijs volgt dat het zien vliegen van de bijl is veroorzaakt doordat verdachte deze gooide, is er ook geen ander bewijs dat steun geeft aan die verklaring en waaruit volgt dat verdachte de bijl in de richting van [slachtoffer 1] heeft gegooid. Er is daarom onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om vast te kunnen stellen dat verdachte een bijl of een scherp/hard voorwerp in de richting van [slachtoffer 1] heeft gegooid. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder feit 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Feit 2 subsidiair: bedreiging
De rechtbank overweegt dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling onder meer is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.
[slachtoffer 1] heeft verklaard enorm te zijn geschrokken van het voorval en dat hij echt bang was dat verdachte hem iets aan wilde doen met de bijl. [slachtoffer 1] voelde zich daadwerkelijk bedreigd. Gelet op de verklaring van verdachte - dat hij een bijl vast had en grove dingen heeft gezegd - die in grote lijnen overeenkomt met de door [slachtoffer 1] in de aangifte beschreven omstandigheden, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangifte van [slachtoffer 1]. Ook niet voor zover deze ziet op de bewoordingen die verdachte tegen hem heeft geuit. Verdachte heeft uitlatingen richting [slachtoffer 1] gedaan die qua aard bedreigend zijn. Verdachte vertoonde daarnaast een dreigende houding, waarbij hij planken uit de schutting drukte met een bijl en [slachtoffer 1] naderde met die bijl in zijn handen. Gelet op die omstandigheden, in samenhang bezien, kon bij [slachtoffer 1] de redelijke vrees ontstaan dat verdachte de daad ook bij het woord zou voegen.
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de subsidiair onder 2 ten laste gelegde bedreiging heeft begaan, met uitzondering van het laatste gedachtestreepje (het gooien van de bijl).
3.3.2
Feiten 3, 4 en 5
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen [1] :
Feit 3
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 april 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
het proces-verbaal van bevindingen van 29 juni 2025 (pagina’s 86-87);
het proces-verbaal van bevindingen van 29 juni 2025 (pagina’s 32-36).
Feit 4
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 april 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
het proces-verbaal van bevindingen van 29 juni 2025 (pagina’s 86-87);
het proces-verbaal van bevindingen van 29 juni 2025 (pagina’s 27-31).
Feit 5
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 april 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
het proces-verbaal van bevindingen van 30 juni 2025 (pagina’s 47-48);
de kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL0600-2025303887-4 (pagina 127);
het proces-verbaal van bevindingen van 30 juni 2025 (pagina’s 66-71).
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen voor de feiten en de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten onder 2 subsidiair, 3, 4 en 5 heeft begaan, met dien verstande dat:
2 subsidiair.
hij op
of omstreeks27 juni 2025 in de gemeente [plaats] [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling, door
- met een bijl
, althans een hard en/of scherp voorwerp,in de richting van voornoemde
[slachtoffer 1] te lopen,
- genoemde bijl
, althans genoemd harde en/of scherpe voorwerpboven zijn, verdachtes, hoofd te houden, en
- ( meermaals) tegen
en/of in de richting vanvoornoemde [slachtoffer 1] te schreeuwen: “Ik maak je dood” en
/of“Ik maak jou als eerste dood”
, en/of
- genoemde bijl, althans genoemd harde en/of scherpe voorwerp, in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] te gooien,
althans woorden en/of gedragingen van gelijke dreigende aard en/of strekking;
3.
hij op
of omstreeks27 juni 2025 in de gemeente [plaats],
een ofmeerdere wapens van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten
een of meerdereboksbeugels, voorhanden heeft gehad;
4.
hij op
of omstreeks27 juni 2025 in de gemeente [plaats], een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen (
merk/type: Power Max), zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;
5.
hij op
of omstreeks28 juni 2025 in de gemeente [plaats], opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 757,60 gram
, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gramhennep(toppen), zijnde hennep(toppen), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2 subsidiair
het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 3
het misdrijf: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en
munitie, meermalen gepleegd;
feit 4
het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 5
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft samengevat het volgende gevorderd. Aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 137 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering in het rapport van 30 oktober 2025. Daarnaast dient de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht te worden bevolen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman kan zich vinden in de strafeis van de officier van justitie, maar heeft de rechtbank in overweging gegeven om aan verdachte een forse voorwaardelijke taakstraf op te leggen in plaats van een voorwaardelijke gevangenisstraf. Verder is verzocht om de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals die zijn geformuleerd in het reclasseringsrapport van 30 oktober 2025. De verdediging heeft geen bezwaar tegen het bevelen van de dadelijke uitvoerbaarheid van die bijzondere voorwaarden en het bijbehorende toezicht. Bij de strafoplegging dient rekening te worden gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Tot slot is verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op de datum van de uitspraak op te heffen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft [slachtoffer 1] met de dood bedreigd, terwijl [slachtoffer 1] op dat moment op een verjaardagsfeest van de achterbuurvrouw van verdachte was. Verdachte heeft dit feest abrupt verstoord, omdat hij zijn hond kwijt was en hij dacht dat de achterburen hier wat mee te maken hadden, en wel op een zeer ingrijpende en beangstigende manier. Zo heeft verdachte zich in zijn razernij een weg door de schutting gebaand met behulp van een bijl en heeft hij zich zeer bedreigend opgesteld richting het slachtoffer en de overige aanwezigen. Bedreigingen als deze leiden vaak tot langdurige en ingrijpende angstgevoelens bij slachtoffers (en in dit geval ook omstanders/buurtbewoners), zoals ook is gebleken uit de toelichting van de schadevordering van [slachtoffer 1]. Hij heeft sinds het voorval last van nachtmerries met herbelevingen, waardoor de reeds aanwezige PTSS-klachten - waarvoor hij al onder behandeling stond - aanzienlijk zijn verergerd.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee boksbeugels en een stroomstootwapen. Het ongecontroleerde bezit van wapens als deze veroorzaakt een risico voor de veiligheid van personen en versterkt de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Het aanwezig hebben van wapens, in welke vorm dan ook, kan gemakkelijk leiden tot het gebruik ervan en brengt daarom onaanvaardbare risico’s met zich mee. Verder heeft verdachte bijna een kilo aan henneptoppen opzettelijk aanwezig gehad in zijn woning. Een dergelijke grote hoeveelheid - zelf gekweekt of niet - is wettelijk niet toegestaan, vanwege het risico op handel en de daarmee gepaard gaande bedreiging voor de volksgezondheid en mogelijke criminaliteit. De rechtbank rekent verdachte dit alles aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 19 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte recent niet is veroordeeld voor strafbare feiten. De laatste veroordeling dateert uit 2016. Verdachte is in het verleden wel vaker veroordeeld voor Opiumwet- en geweldsfeiten.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de volgende deskundigenrapportages die over verdachte zijn opgesteld.
Het Pro Justitia-rapport van 14 oktober 2025, opgesteld door drs. K.A. Rose,
GZ-psycholoog, bevat de volgende bevindingen en adviezen. Verdachte lijdt aan een psychotische stoornis, namelijk een andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of psychotische stoornis, die op dit moment in remissie is. De oorsprong van die stoornis is onduidelijk. Er zijn ook aanwijzingen voor een posttraumatische stressstoornis, een neurobiologische ontwikkelingsstoornis (ADHD), antisociale en paranoïde trekken in de persoonlijkheid en problematisch middelengebruik. Deze problematiek speelde ook ten tijde van het ten laste gelegde. De psychotische stoornis was toen niet in remissie. Gelet op de ontkennende proceshouding van verdachte voor feit 2, kan de psycholoog - vanwege het ontbreken van een delictscenario - geen uitspraak doen over de eventuele doorwerking van de pathologie en de mate waarin dat feit aan verdachte kan worden toegerekend. Voor de feiten 3, 4 en 5 geldt dat de aanwezige pathologie geen wezenlijke invloed heeft gehad op de keuzevrijheid en het inschattingsvermogen van verdachte. Die feiten kunnen daarom volledig aan verdachte worden toegerekend. Wat betreft feit 1 was sprake van doorwerking van de pathologie in het handelen van verdachte. Gezien zijn al aanwezige tekorten in realiteitstoetsing en emotieregulatie - in combinatie met zijn verminderde draagkracht - wordt geadviseerd feit 1, ondanks de verwijtbare keuze tot drugsgebruik, enigszins verminderd toe te rekenen. Rondom het ten laste gelegde verkeerde verdachte in een toestand van verwarring, wanhoop en machteloosheid, mede ingegeven door de gedachte dat zijn hond werd mishandeld. Dit, in combinatie met zijn beperkte probleemoplossende vaardigheden, maakt aannemelijk dat sprake was van een verlies van zelfbeheersing. Er geldt een matig algemeen risico op toekomstig gewelddadig gedrag. De zorg met betrekking tot het recidiverisico ligt bij zijn psychotische kwetsbaarheid, drugsgebruik, impulscontroleproblematiek en sociaal maatschappelijke omstandigheden (afwezigheid van dagbesteding, ervaren van overlast en dreiging). Het advies luidt om verdachte over te laten stappen naar een forensische instelling waar behandeling en toezicht gecombineerd kunnen worden om het recidiverisico te verkleinen. In de behandeling dient gewerkt te worden aan inzicht in zijn belevingswereld, (de invloed van) zijn omgeving en rouwverwerking, met oog voor zijn beperkte vermogen tot abstract denken en diagnostiek om meer zicht te krijgen op onderliggende factoren die een rol spelen in het ontstaan van psychische problematiek. Daarnaast is langdurig toezicht door de reclassering noodzakelijk, met de nadruk op controle van middelengebruik, sociale omgeving, dagbesteding en woonsituatie.
De psycholoog adviseert een ambulante behandeling in een forensische instelling gericht op zijn psychische kwetsbaarheid en het ophelderen van diagnostiek in het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf.
Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met het reclasseringsadvies van
30 oktober 2025, opgesteld door [naam 2], reclasseringswerker, waarin wordt beschreven dat het psychosociaal functioneren van verdachte als delictgerelateerde factor wordt gezien. Daarnaast zijn het gebrek aan daginvulling, de financiële situatie en het middelengebruik mogelijke delictgerelateerde factoren. De reclassering is vanaf 14 augustus 2025 betrokken in het kader van een schorsingstoezicht. Verdachte komt zijn meldplichtgesprekken na en de urinecontroles zijn negatief. Voor inperking van het recidiverisico en gedragsverandering is een gedwongen kader nodig. De reclassering deelt de visie van de psycholoog dat verdachte moet overstappen naar een forensische instelling. Continuering van het reclasseringstoezicht is nodig, zodat er aanvullende diagnostiek kan plaatsvinden met betrekking tot de aard van zijn psychische problematiek, alsook dat hij middels behandeling meer inzicht krijgt in en erkenning krijgt voor zijn persoonlijkheidsproblematiek. De reclassering adviseert bijzondere voorwaarden in de vorm van een meldplicht, ambulante behandeling (met de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname), een drugsverbod, een contactverbod met aangever en bezoekers van het adres Van [adres] in [plaats], ambulante begeleiding en medewerking aan huisbezoeken met een langdurig reclasseringstoezicht. Zonder de inzet van voornoemde reclasseringsinterventies wordt het recidiverisico als gemiddeld-hoog ingeschat.
In het aanvullende reclasseringsadvies van 17 april 2026, opgesteld door [naam 2], is te lezen dat verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Verdachte verdient hiervoor een compliment. Een drugsverbod lijkt niet langer nodig. Verdachte heeft zijn behandeling bij Mediant met positief resultaat afgerond en er zijn geen signalen (meer) van paranoïde gedachten en achterdocht. De eerder geadviseerde ambulante behandeling, met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, lijkt volgens de reclassering daardoor niet langer geïndiceerd. Mocht er een verandering optreden in de gemoedstoestand van verdachte, dan kan er alsnog een ambulante behandeling worden ingezet. De eerder geadviseerde bijzondere voorwaarde inzake huisbezoeken wordt niet langer nodig geacht. Dit geldt ook voor de ambulante begeleiding. Verdachte oogt volgens de reclassering stabiel(er) en van daaruit bestaan er geen zorgen over zijn zelfsturend vermogen en zelfredzaamheid. Het recidiverisico wordt laag ingeschat. Desondanks wordt continuering van het toezicht nodig geacht, zodat de reclassering verdachte in deze stijgende lijn kan monitoren en kan acteren indien nodig. Het psychosociaal functioneren van verdachte is de grootste risicofactor. Hij ondervindt geen hinder van het toezicht en er is sprake van een constructieve samenwerking met de toezichthouder. De bijzondere voorwaarden die de reclassering nu nog adviseert, zijn een meldplicht, diagnostiek en ambulante behandeling (indien geïndiceerd), het eerder aangehaalde contactverbod en beheersing van het middelengebruik.
Verminderde toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank overweegt dat de conclusie van de psycholoog over de (enigszins) verminderde toerekenbaarheid van feit 1 aan verdachte inzichtelijk, navolgbaar en logisch is. De rechtbank maakt deze conclusie tot de hare. Gelet op de samenhang tussen het ten laste gelegde - maar niet bewezen verklaarde - feit 1 (vernieling) en het bewezen verklaarde subsidiaire feit 2 (bedreiging) en het korte tijdsbestek daartussen, is de rechtbank van oordeel dat de conclusie van de psycholoog over de verminderde toerekenbaarheid ook van toepassing is op feit 2. De rechtbank zal verdachte het subsidiair bewezen verklaarde onder feit 2 daarom in (enigszins) verminderde mate toerekenen en zal hier rekening mee houden bij de strafoplegging.
De op te leggen straf
Gezien de ernst en de (zorgelijke) combinatie van de gepleegde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan de duur van het voorarrest recht doet aan de ernst van de feiten. Verder heeft de rechtbank bij de strafoplegging in het bijzonder rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het schorsingstoezicht is vanaf medio augustus 2025 tot op heden goed verlopen. Verdachte houdt zich aan de afspraken en hij lijkt steeds meer stabiliteit terug te krijgen in zijn leven, zodanig dat hij weer aan het werk kan. Om verdachte te motiveren deze positieve ontwikkelingen door te zetten, acht de rechtbank een fors voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden passend. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de bijzondere voorwaarden - zoals geformuleerd in het reclasseringsadvies van oktober 2025 - voor verdachte een steviger stok achter de deur vormen dan de (minder ingrijpende) voorwaarden zoals die zijn geadviseerd in het meest recente reclasseringsrapport van april 2026. Gelet op de kans dat de gemoedstoestand van verdachte in de toekomst negatief zou kunnen veranderen (bijvoorbeeld door drugsgebruik) - welke kans de reclassering kennelijk wel aanwezig acht vanwege zijn psychosociaal functioneren als blijvende risicofactor - acht de rechtbank het voor het beperken van het recidiverisico noodzakelijk om de initieel door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen. Daarbij betrekt de rechtbank dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij normaal gesproken - afgezien van het nu geldende drugsverbod - wekelijks wiet gebruikt. Bovendien heeft verdachte verklaard weliswaar trouw zijn medicatie te willen innemen maar dat hij dit ook wel eens vergeet. Deze op te leggen bijzondere voorwaarden bestaan uit een meldplicht, ambulante behandeling (met mogelijke kortdurende klinische opname), een drugs- en contactverbod, ambulante begeleiding en het meewerken aan huisbezoeken. De rechtbank benadrukt hierbij dat zij hoopt dat verdachte zijn leven op deze positieve voet blijft voortzetten.
Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 137 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, een proeftijd van 3 jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering in het rapport van
30 oktober 2025 en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen. De rechtbank overweegt hiertoe dat – hoewel verdachte enorm positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt waarvoor de rechtbank verdachte net als de reclassering een compliment maakt – er nog wel zorgen zijn met betrekking tot het recidiverisico door zijn psychotische kwetsbaarheid, risico op drugsgebruik, impulscontroleproblematiek en sociaal maatschappelijke omstandigheden (afwezigheid van dagbesteding, ervaren van overlast en dreiging). Dit risico is groter nu verdachte, zoals ter zitting ter sprake is gekomen niet op elk aangewezen tijdstip trouw zijn medicatie inneemt. Verdachte woont nog steeds in dezelfde buurt waar de bedreiging onder feit 2 subsidiair heeft plaatsgevonden, waardoor een mogelijke confrontatie met de achterburen (of bezoekers aldaar) ook risico’s met zich mee kan brengen.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van heden, gelet op de duur van het onvoorwaardelijke deel van de aan verdachte opgelegde vrijheidsstraf.
6.4
De inbeslaggenomen voorwerpen
6.4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de twee inbeslaggenomen bijlen verbeurdverklaard moeten worden, omdat de strafbare feiten met deze voorwerpen zijn begaan.
6.4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht tot teruggave van de twee inbeslaggenomen bijlen aan verdachte.
6.4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst van 5 februari 2026 vermelde bijlen onder de voorwerpnummers 1 (BZAN1825) en 2 (BZAN1820) moeten worden verbeurdverklaard, omdat het voorwerpen betreffen met betrekking tot welke het subsidiaire feit onder 2 is begaan.

7.De schade van de benadeelden

7.1
De vorderingen van de benadeelde partijen
7.1.1
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1)
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om een immateriële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.800,-- (duizend achthonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
7.1.2
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 2)
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om een immateriële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.850,-- (duizend achthonderd vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich samengevat op de volgende standpunten gesteld.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] moet worden toegewezen, inclusief oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich samengevat op de volgende standpunten gesteld.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak van feit 1.
In het geval van een bewezenverklaring voor feit 2, dient de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden immateriële schade op een lager bedrag te worden geschat dan door hem is gevorderd. De verdediging kan zich vinden in de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor die vordering.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
7.4.1
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1)
De vordering heeft betrekking op het onder 1 ten laste gelegde. Omdat verdachte van dit feit wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
7.4.2
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 2)
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Er is in ieder geval sprake van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die hier een beroep op doet, zal voldoende concrete gegevens dienen aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
De rechtbank overweegt dat sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, nu vaststaat dat de benadeelde partij (aanvullend) geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het subsidiaire feit onder 2. Ter onderbouwing van het geestelijk letsel is een verklaring van de psycholoog van de benadeelde partij overgelegd, waaruit volgt dat bij hij reeds voor het strafbare feit in behandeling was en waaruit blijkt dat bij de benadeelde partij sprake is van een toename van (de reeds op voorhand aanwezige) posttraumatische stressklachten, met name in de vorm van herbelevingen en slaapproblematiek, waarvoor verdere behandeling (traumaverwerking) nodig is. Sinds het incident ervaart de benadeelde partij meerdere nachten per week hevige nachtmerries waarin hij beelden van het incident herbeleeft. Overdag ervaart hij vermoeidheid, verminderde belastbaarheid en een negatieve invloed op zijn dagelijks functioneren. Het kost de benadeelde partij na het onderhavige strafbare feit meer moeite om zichzelf op een positieve manier te reguleren en controle te houden op zijn eigen gedrag bij oplopende spanningen.
De rechtbank acht de gevorderde immateriële schade voldoende onderbouwd tot een bedrag van € 750,--, mede gelet op het feit dat bij de benadeelde partij reeds voor het voorval ook al sprake was van geestelijk letsel. Dit geestelijk letsel is verder toegenomen door het handelen van verdachte. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gevorderde immateriële schade gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 750,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, zijnde 27 juni 2025. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het subsidiaire feit onder 2 is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 7 dagen, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 57 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 2 subsidiair
het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 3
het misdrijf: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en
munitie, meermalen gepleegd;
feit 4
het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 5
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 2 subsidiair, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
137 (honderd zevenendertig) dagen;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
90 (negentig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
- zich, te bepalen door de reclassering en indien geïndiceerd, laat behandelen door Trajectum of een soortgelijke zorgverlener. De behandeling start zo spoedig mogelijk na de intakefase. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
- geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod, zolang de reclassering dit nodig acht. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [slachtoffer 1] en de bewoners van het adres aan de Van [adres] in [plaats] of de bezoekers aldaar, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- zijn medewerking verleent aan ambulante begeleiding van Humanitas Homerun of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;
- meewerkt aan huisbezoeken vanuit de reclassering om zicht te krijgen op zijn leefomgeving. Indien geïndiceerd kan de reclassering de wijkagent of begeleider/behandelaar uitnodigen voor de huisbezoeken;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
[slachtoffer 2] (feit 1)
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;
[slachtoffer 1] (feit 2 subsidiair)
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 750,-- (bestaande uit immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot
betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 750,-- (zevenhonderd vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2025;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde feit onder 2 tot
betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 750,-- (zevenhonderd vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
27 juni 2025, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 7 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
de in beslag genomen voorwerpen
-
verklaart verbeurdde inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de op de beslaglijst vermelde
bijlenonder de voorwerpnummers
1 (BZAN1825) en 2 (BZAN1820);
opheffing bevel voorlopige hechtenis
-
hefthet (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis
op met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. de Waard, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en
mr. H.H. de Boef, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.
Buiten staat
Mr. De Waard is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit digitaal genummerde pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025303338, gesloten op 30 juni 2025. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Feit 2 subsidiair
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 april 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
Ik heb op 27 juni 2025 grove dingen gezegd tegen de mensen die zich bevonden aan de van [adres] te [plaats] (de rechtbank begrijpt: onder wie
[slachtoffer 1]). Ik kan me voorstellen dat dat bedreigend is overgekomen. Ik had toen ook een bijl vast.
2.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 28 juni 2025 (pagina’s 76-77):
Op 27 juni 2025 was ik aanwezig aan de van [adres] te [plaats]. Ik zag aan de achterzijde van de tuin een man (de rechtbank begrijpt: verdachte). Ik hoorde hem schreeuwen: “ik maak je dood, ik maak jou als eerste dood”. Ik liep naar de achterzijde van de tuin. Ik zag dat de man ineens op mij af kwam lopen. Ik zag dat hij een hakbijl in zijn beide handen vast had. Ik zag dat hij de bijl met beiden (de rechtbank begrijpt: beide handen) boven zijn hoofd hief. Ik zag dat hij mij recht in mijn ogen aan keek. Ik hoorde dat hij riep “ik maak je dood”. Dit herhaalde hij ongeveer zes keer. Ik schrok hier enorm van. Ik was op het moment van deze bedreiging echt bang dat de man mij iets aan wilde doen met de bijl.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit digitaal genummerde pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025303338, gesloten op