Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2401

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
08-337145-24
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 300 SrArt. 350 SrArt. 36f SrArt. 38z Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling mishandeling, vernieling en bedreiging met gevangenisstraf van drie maanden

Op 21 oktober 2024 mishandelde verdachte het slachtoffer door hem meerdere malen op het gezicht te slaan, vernielde diens bril en helm en bedreigde hem met de dood. De rechtbank baseerde dit op aangifte, camerabeelden en getuigenverklaringen. Voor de bedreiging van een politieambtenaar op 22 oktober 2024 was onvoldoende bewijs, waardoor verdachte daarvoor werd vrijgesproken.

Verdachte leed aan ernstige psychische stoornissen, waaronder schizofrenie en een antisociale persoonlijkheidsstoornis, en verkeerde tijdens het plegen van de feiten in een forse paranoïde psychose. De deskundigen stelden een sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid vast, wat de rechtbank overnam.

De rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op, met aftrek van de tijd in voorarrest. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €556,48 schadevergoeding aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 oktober 2024. De proeftijd van een eerdere voorwaardelijke straf werd met een jaar verlengd vanwege nieuw delictgedrag.

De rechtbank achtte een tbs-maatregel op dit moment niet opportuun gezien de huidige positieve ontwikkelingen bij verdachte, maar waarschuwde dat bij uitblijven van voortzetting hiervan een tbs-maatregel onvermijdelijk zal zijn.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot drie maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en betaling van schadevergoeding wegens mishandeling, vernieling en bedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummers: 08-337145-24 en 08-289597-24 (vordering tul) (P)
Datum vonnis: 4 mei 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 29 januari 2026 en van 21 april 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. P.A. Speijdel, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat door en namens de benadeelde partij
[slachtoffer] is aangevoerd en van de toelichting van [naam 1], reclasseringswerker bij GGZ Tactus Enschede, die ter zitting van 21 april 2026 als deskundige is gehoord.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
op 21 oktober 2024 in [plaats]
feit 1:[slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) heeft mishandeld;
feit 2:de bril en/of helm en/of bromfiets van die [slachtoffer] heeft vernield;
feit 3:die [slachtoffer] heeft bedreigd met de dood en/of zware mishandeling;
feit 4:op 22 oktober 2024 in [plaats] [verbalisant 1], in de hoedanigheid van politieambtenaar, heeft bedreigd met de dood en/of zware mishandeling.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 21 oktober 2024 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door hem een of meerdere malen op/tegen het gezicht en/of hoofd te slaan;
2
hij op of omstreeks 21 oktober 2024 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een bril, een helm en/of een bromfiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3
hij op of omstreeks 21 oktober 2024 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen “geef de sleutel van je brommer of je zal vandaag nog sterven”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
4
hij op of omstreeks 22 oktober 2024 te [plaats] [verbalisant 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door die [verbalisant 1] de woorden toe te voegen “[naam 2] moet dood” en/of “jij bent [naam 2]”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of door met zijn hand een snijdende beweging te maken langs zijn, verdachtes, keel, terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [verbalisant 1] in diens hoedanigheid van ambtenaar van de politie.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten onder 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Voor feit 4 bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Feiten 1, 2 en 3
De verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij geen geweld richting [slachtoffer] heeft gebruikt, maar dat hij zich wel dreigend heeft opgesteld. Hij weet niet meer wat hij heeft gezegd of geroepen. Daarnaast heeft verdachte ontkend dat hij de spullen van [slachtoffer] heeft vernield.
De redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
Op 21 oktober 2024 bevonden verdachte en [slachtoffer] zich voor een filiaal van [bedrijf]. Daar ontstond een confrontatie tussen hen, waarbij verdachte zich dreigend heeft opgesteld. Verdachte heeft [slachtoffer] tijdens die confrontatie op het gezicht geslagen. De bril van [slachtoffer] is op enig moment op de grond gevallen, waarna verdachte op die bril heeft gestampt. Ook heeft verdachte tegen de helm van [slachtoffer] geschopt en zei hij dat [slachtoffer] de sleutel van de brommer aan hem moest geven of dat hij anders die dag nog zou gaan sterven.
De overwegingen van de rechtbank
Feit 1: mishandeling
De aangifte van [slachtoffer] dat hij door verdachte is geslagen, staat niet op zichzelf, maar vindt steun in de camerabeelden die zich in het dossier bevinden. Op die beelden is te zien dat verdachte een slaande beweging maakt in de richting van het gezicht van [slachtoffer] en dat [slachtoffer] daarna een hand naar zijn gezicht brengt. Aan de hand van die gedragingen stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer] ook daadwerkelijk op het gezicht heeft geslagen.
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de ten laste gelegde mishandeling onder 1 heeft begaan.
Feit 2: vernieling
De aangifte van [slachtoffer] wordt ondersteund door de afbeeldingen in het dossier waarop schade aan zijn bril en helm te zien is. Bovendien is op de camerabeelden te zien dat verdachte stampende bewegingen op de grond maakt en daarna iets aan [slachtoffer] geeft. Deze handelingen komen overeen met de gang van zaken die [slachtoffer] in zijn aangifte heeft beschreven met betrekking tot hoe zijn bril door verdachte werd vernield. Wat betreft de schade aan de helm ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de aangifte nu [slachtoffer] deze schade bij zijn aangifte, kort na het incident, aan de verbalisant heeft getoond die deze ook heeft geregistreerd.
Nu het dossier geen afbeeldingen van de schade aan de brommer bevat, kan de rechtbank niet vaststellen dat de brommer van [slachtoffer] daadwerkelijk is vernield. De rechtbank zal verdachte voor dat deel van de tenlastelegging vrijspreken, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de ten laste gelegde vernieling van de bril en de helm onder 2 heeft begaan.
Feit 3: bedreiging
De rechtbank overweegt dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling onder meer is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.
Verdachte heeft ter zitting van 29 januari 2026 verklaard dat hij zich dreigend heeft opgesteld en dat er een ongezellig gesprek tussen hem en [slachtoffer] heeft plaatsgevonden. Hij heeft hiervoor ook zijn excuses aan [slachtoffer] aangeboden, omdat hij kon begrijpen dat hij daarvan is geschrokken. Gelet hierop ziet de rechtbank ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangifte voor zover deze ziet op welke bewoordingen verdachte tegen [slachtoffer] heeft geuit. Verdachte heeft uitlatingen richting [slachtoffer] gedaan die qua aard bedreigend zijn en als gevolg waarvan bij [slachtoffer] de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte de daad ook bij het woord zou voegen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte tijdens de confrontatie agressief was en kort daarvoor ook geweld tegen [slachtoffer] en zijn spullen heeft gebruikt. Dat [slachtoffer] zich bedreigd heeft gevoeld volgt bovendien uit de staat waarin de politie hem kort daarna ter plaatse bij de [bedrijf] aantrof. Hij was erg emotioneel en aangeslagen.
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de ten laste gelegde bedreiging onder 3 heeft begaan.
3.3.2
Vrijspraak feit 4
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de bedreiging van de politieagent
[verbalisant 1]. De rechtbank kan op grond van het dossier niet vaststellen dat bij [verbalisant 1] sprake is geweest van redelijke vrees dat verdachte de vermeende bedreiging zou uitvoeren. De rechtbank acht dan ook niet bewezen wat aan verdachte onder 4 is ten laste gelegd en zal hem daarvan vrijspreken.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten onder 1, 2 en 3 heeft begaan, met dien verstande dat:
1
hij op
of omstreeks21 oktober 2024 te
[plaats][slachtoffer] heeft mishandeld door hem
een of meerdere malenop
/tegenhet gezicht
en/of hoofdte slaan;
2
hij op
of omstreeks21 oktober 2024 te
[plaats]opzettelijk en wederrechtelijk een bril
,en een helm,
en/of een bromfiets, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [slachtoffer]
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
), heeft vernield
, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3
hij op
of omstreeks21 oktober 2024 te
[plaats][slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling,door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen “geef de sleutel van je brommer of je zal vandaag nog sterven”
, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: mishandeling;
feit 2
het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf die gelijk is aan de door verdachte in verzekering en voorarrest doorgebrachte tijd, namelijk een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor duur van 185 dagen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat - in het geval van een bewezenverklaring - een gevangenisstraf voor kortere duur aan verdachte moet worden opgelegd dan die door de officier van justitie is gevorderd, gelet op de geringe ernst van de feiten.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
6.3.1
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, bedreiging en vernieling van de bril en helm van het volkomen willekeurige slachtoffer [slachtoffer], dat zich na het sporten bij de [bedrijf] begaf. Verdachte gedroeg zich op die avond op een hele vervelende en onberekenbare manier in het openbaar, wat uiteindelijk tot het plegen van deze feiten heeft geleid. Met zijn handelwijze heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het gevoel van veiligheid van [slachtoffer]. Daarnaast heeft hij geen enkel respect getoond voor de eigendommen van een ander. Dergelijke feiten veroorzaken schade en overlast. De rechtbank rekent verdachte dit aan.
6.3.2
De persoon van verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 26 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen jaren vaker is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder feiten als de onderhavige. Bovendien liep verdachte in een proeftijd, wat hem er niet van heeft weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Rapportages
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de volgende deskundigenrapportages die over verdachte zijn opgesteld.
Het multidisciplinair Pro Justitia-rapport van 30 december 2025, opgesteld door
D.T. van der Werf, psychiater, en C. Sipma, GZ-psycholoog, bevat de volgende bevindingen en adviezen. De beide deskundigen constateren dat er bij verdachte sprake is van terugkerende psychosen in het kader van schizofrenie, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en stoornissen in het gebruik van alcohol, cannabis, amfetaminen en GHB. Tijdens het ten laste gelegde werd verdachte in zijn gedrag(keuzes) beïnvloed door de forse paranoïde psychose waarvan bij hem op dat moment sprake was, met desorganisatie en mogelijk ook katatone opwinding, die werd gekleurd door zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis. Eventueel roesmiddelengebruik zou de psychose extra gevoed of het externaliserende gedrag van verdachte verergerd kunnen hebben. De deskundigen geven in overweging om het ten laste gelegde in sterk verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Indien de stoornissen onbehandeld blijven, is het risico op soortgelijke nieuwe delicten hoog. Om dat risico te verkleinen is het vooral van belang dat verdachte zo lang mogelijk psychose-vrij blijft. Daarvoor is het belangrijk dat verdachte trouw zijn voorgeschreven (vooral de anti-psychotische) medicatie volgens voorschrift blijft innemen en zich onthoudt van het consumeren van roesmiddelen. Om het recidivegevaar verder in te perken, is een combinatie nodig van ambulante intensieve forensisch-psychiatrische behandeling/begeleiding binnen (eerst) een forensisch beschermde woonomgeving met laagdrempelige klinische stabilisatiemogelijkheden in een psychiatrische kliniek. Gezien de aard en ernst van de psychopathologie tegen de achtergrond van de levensloop en behandelgeschiedenis van verdachte is een langduriger gedwongen behandelkader onmisbaar. Alleen een tbs-kader lijkt hiervoor afdoende. Gezien het meer actuele hoopvolle behandelbeloop en verdachte zijn huidige houding jegens noodzakelijk te achten behandeling lijkt een maatregel van terbeschikkingstelling (hierna ook wel: tbs-maatregel) met voorwaarden wellicht haalbaar. Verdachte stelde bij de psycholoog dat hij op geen enkele manier wilde meewerken aan een tbs-maatregel en niet bereid was zich te houden aan voorwaarden, wanneer deze hem in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden zouden worden opgelegd. Daarnaast wordt in overweging gegeven om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z Sr op te leggen.
Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met het maatregelrapport van de reclassering van 23 januari 2026, opgesteld door [naam 1], reclasseringswerker bij GGZ Tactus Enschede, waarin wordt beschreven dat de reclassering het (gezamenlijke) standpunt van de psychiater en psycholoog niet deelt. De verslavings- en psychische problematiek van verdachte is tot op heden nauwelijks behandeld. In het verleden heeft verdachte niet meegewerkt aan behandeling, omdat hij daartoe niet bereid was. Sinds zijn vrijlating verblijft verdachte bij Humanitas Onder Dak en ontvangt hij begeleiding van het Levensloopteam van Transfore. Hij houdt zich aan begeleidingsafspraken en probeert samen met beide partijen regelzaken op orde te krijgen. Hij zegt momenteel enkel in gebruik te zijn van cannabis. Hij functioneert stabiel en heeft een goede daginvulling. Ondanks zijn momenteel meewerkende houding is de ervaring van de reclassering dat verdachte zich tot aan een zitting goed gedraagt, maar dit gedrag niet weet vol te houden. Met name na de zitting zal zijn motivatie om zich aan afspraken te houden waarschijnlijk afnemen. De reclassering acht het aannemelijk dat betrokkene zal terugvallen in middelengebruik. In dat geval is het onduidelijk of hij bereid zal blijven de antipsychotica in te nemen. De reclassering acht een tbs-maatregel met voorwaarden niet mogelijk, omdat verdachte niet bereid is mee te werken aan het opstellen van voorwaarden en niet openstaat voor reclasseringsbemoeienis. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met een dergelijke maatregel de hoge risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan de voorwaarden te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.
Op 29 januari 2026 is de zaak aangehouden, zodat de reclassering aanvullend kon rapporteren over de benodigde hulp voor verdachte, welke eventuele voorwaarden daarbij zouden moeten horen en in welk juridisch kader dit zou kunnen passen.
In het aanvullende reclasseringsadvies van 7 april 2026, dat ten behoeve daarvan is opgesteld door [naam 1], is te lezen dat de reclassering haar standpunt wat betreft het negatieve advies over een tbs-maatregel met voorwaarden handhaaft. De reclassering ziet een patroon dat verdachte recidiveert en terugvalt in delictgedrag nadat een zitting heeft plaatsgevonden en hij niet meer in zicht is van de reclassering. Risico’s worden gezien op het gebied van middelengebruik en het psychosociaal functioneren. De meerdere pogingen tot interventie, in zowel een vrijwillig als forensisch kader, voor zowel ambulante en klinische behandeling van zijn middelengebruik en psychotische toestandsbeeld, zijn niet succesvol geweest vanwege de niet-meewerkende houding van verdachte. In een aanvullend gesprek heeft verdachte te kennen gegeven dat hij alleen voorwaarden wil accepteren die aansluiten bij zijn eigen voorkeuren, welke voorwaarden door de reclassering als onvoldoende worden beoordeeld. De door de reclassering noodzakelijk geachte voorwaarden bestaan onder meer uit begeleid wonen, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot klinische opschaling), financiële ondersteuning, een middelenverbod en het meewerken aan daginvulling. Verdachte staat hier niet voor open en is enkel bereid om mee te werken aan middelencontrole, ambulante begeleiding en ambulante behandeling (mits passend). De reclassering acht oplegging van enkel deze voorwaarden onvoldoende voor recidivevermindering en concludeert dat verdachte niet bereid is mee te werken aan de noodzakelijk geachte voorwaarden en dat hij zich onvoldoende openstelt voor reclasseringsbemoeienis. De reclassering adviseert daarom negatief over een reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden, in welk kader dan ook. Zij ziet geen mogelijkheden om de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden, een voorwaardelijke veroordeling of een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Indien de problematiek van verdachte onbehandeld blijft, is het recidiverisico hoog. De kans op een terugval in middelengebruik wordt ook ingeschat als hoog, gezien verdachte geen behandeling heeft gevolgd voor zijn verslaving.
Toelichting deskundige ter zitting
[naam 1], reclasseringswerker bij GGZ Tactus Enschede, heeft ter zitting van
21 april 2026 toegelicht dat zij de hierboven genoemde adviezen handhaaft. Er is onvoldoende basis voor een reclasseringstoezicht, gelet op de houding van verdachte. Momenteel lijken de begeleiding en hulpverlening voor verdachte stabiel te zijn ingericht, maar de reclassering blijft de kans op een terugval in middelengebruik als hoog inschatten. Een behandeling en medicatiegebruik zijn noodzakelijk voor het verminderen van de risico’s. Verdachte kan ook een behandeling gaan volgen in een vrijwillig kader, maar daar ligt de hoop van de reclassering in ieder geval niet. De reclassering ziet alleen de mogelijkheid om toezicht uit te voeren als alle door de reclassering noodzakelijk geachte voorwaarden aan verdachte zullen worden opgelegd.
Toelichting verdachte ter zitting
Verdachte heeft ter zitting van 21 april 2026 - aanvullend op al het bovenstaande - verklaard dat het nu goed met hem gaat en dat hij zelfstandig is gestopt met drugsgebruik. Hij zal zijn medicatie blijven gebruiken en hij staat op de wachtlijst voor een poliklinische behandeling, onder meer in de vorm van psycho-educatie. Verdachte is tevreden met de hulp die hij nu krijgt van Humanitas en van het Levensloopteam van Transfore. Het Levensloopteam blijft nog drie jaar bij hem betrokken, als hij geen strafbare feiten meer pleegt. Hij heeft zicht op een doorstroomwoning via Humanitas, wanneer hij zijn studio bij Humanitas Onder Dak na een verblijf van maximaal twaalf maanden moet verlaten.
6.3.3
De overwegingen van de rechtbank
Sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank overweegt dat de conclusie van de psychiater en de psycholoog over de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid logisch en op goede gronden is gebaseerd en maakt die tot de hare. De rechtbank zal verdachte de bewezen verklaarde feiten in sterk verminderde mate toerekenen en zal hiermee rekening houden bij de strafoplegging.
De op te leggen straf of maatregel
Uit de rapportages van de deskundigen volgt dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een tbs-maatregel wordt voldaan. De door de psycholoog en psychiater haalbaar geachte tbs-maatregel met voorwaarden, acht de reclassering op grond van het verleden niet realistisch. Verdachte heeft in het verleden vaker een meewerkende houding met betrekking tot hulpverlening laten zien, maar heeft dat nimmer volgehouden tot na een vonnis. Ook nu wil verdachte de behandelingen die nodig zijn volgens de deskundigen naar eigen inzicht invullen en dus niet instemmen met alle volgens de deskundige noodzakelijke behandelingen en begeleiding. De rechtbank overweegt dat de door verdachte op dit moment aanvaarde hulpverlening van Humanitas en het Levensloopteam van Transfore, het innemen van medicatie en niet meer gebruiken van drugs, passen in de visie van de reclassering dat slechts sprake is van schone schijn in het licht van de komende veroordeling. Anderzijds geldt dat verdachte sinds zijn vrijlating op 24 april 2025 niet meer met justitie in aanraking is gekomen en het gevaar voor herhaling van strafbare feiten beperkt lijkt te zijn. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het nu opleggen van een tbs-maatregel niet opportuun is en dat verdachte zal moeten bewijzen dat hij de vorig jaar ingeslagen weg kan en wil voortzetten. Als hij hier niet in slaagt dan is een tbs-maatregel in de (nabije) toekomst onvermijdelijk. Gelet op de aard van de bewezen verklaarde feiten, het tijdsverloop, het feit dat verdachte geruime tijd uit beeld is gebleven van politie en justitie en de motivatie die verdachte nu lijkt te tonen om zijn leven te stabiliseren met de huidige ingezette hulpverlening, zal de rechtbank overgaan tot het opleggen van een (kale) onvoorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij zij voor het bepalen van de duur van die straf rekening houdt met de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten. De rechtbank benadrukt dat zij verdachte hiermee een kans biedt om de positieve ontwikkelingen in het stabiliseren van zijn leven op eigen kracht voort te zetten en dat dit ook van groot belang wordt geacht voor zowel verdachte zelf als de maatschappij.
Alles afwegende, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.

7.De schade van benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 556,48 (vijfhonderd zesenvijftig euro en achtenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- kosten vervangen bril € 288,--
- tandartskosten € 160,51
- kosten vervangen helm € 107,97.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, met uitzondering van de tandartskosten.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezen verklaarde feiten onder 1 en 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 556,48, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 21 oktober 2024.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten 1 en 2 is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast voor maximaal 5 dagen, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De vordering tenuitvoerlegging

8.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, omdat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet langer opportuun is, gelet op het tijdsverloop en de strafeis in de onderhavige zaak.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de vordering tot tenuitvoerlegging.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd schuldig gemaakt aan nieuwe strafbare feiten. Hoewel dat in beginsel voldoende is om de voorwaardelijke gevangenisstraf ten uitvoer te leggen, ziet de rechtbank - gelet op het tijdsverloop en de op te leggen straf in de onderhavige zaak - aanleiding om in plaats daarvan de proeftijd met een jaar te verlengen.

9.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op het artikel 57 Sr Pro.

10.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: mishandeling;
feit 2
het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding (feiten 1 en 2)
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] in het geheel toe tot een bedrag van € 556,48 (bestaande uit materiële schade);
- veroordeelt de verdachte
tot betaling aande benadeelde partij
[slachtoffer]van een bedrag
van € 556,48 (vijfhonderd zesenvijftig euro en achtenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2024;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten onder 1 en 2
tot betaling aan de Staat der Nederlandenvan een bedrag
van
€ 556,48 (vijfhonderd zesenvijftig euro en achtenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 5 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 08-289597-24
-
verlengt de proeftijdvan de bij vonnis van de politierechter te Almelo van
25 september 2024 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf
met 1 (één) jaar.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en
mr. W.B. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026.
Buiten staat
Mr. Heijink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit digitaal genummerde pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2024496250, gesloten op 23 oktober 2024. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Feiten 1, 2 en 3
1.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 22 oktober 2024, inclusief het bijbehorende fotoblad, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 6-7, 12 en 15-16):
Op 21 oktober 2024 gingen we naar de [bedrijf]. Toen stond hij (de rechtbank begrijpt: verdachte) voor mij. Hij zei dat hij [verdachte] heette. Hij schopte tegen mijn helm welke op de grond lag. Toen ik zei dat ik hem niet kende sloeg hij mij op mijn gezicht. Hij sloeg mijn bril van mijn hoofd. Hij zocht naar de bril en toen hij deze gevonden had stampte hij 2 of 3 keer op de bril. Hij pakte één van de glazen van mijn bril van de grond en liet dit aan mij zien. Hij zei dat ik de sleutel van de brommer aan hem moest geven of dat ik anders die dag nog zou gaan sterven.
[Afbeelding]
[Afbeelding]
[Afbeelding]
2.
Het proces-verbaal van bevindingen van 22 oktober 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 27):
Door collega [verbalisant 2], brigadier van Politie, Eenheid Oost-Nederland, werd een opname gevorderd van een beveiligingscamera. De opname werd verstrekt en door mij bekeken.
Op de opname herken ik de verdachte. Ik herken hem omdat ik vandaag met de verdachte gesproken heb. De verdachte heeft donker, krullend haar en een baard. Toen ik de verdachte sprak, zag ik dat hij een roze en wit gekleurd konijnenpak droeg. Een deel van dit pak is zichtbaar op de opname. De verdachte bevindt zich op het plein voor de sportschool [bedrijf]. Naast de verdachte is er een andere persoon in beeld. Uit de gebeurtenissen die volgen blijkt mij dat dit de aangever (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer]) moet zijn.
De verdachte staat tegenover de aangever. De verdachte maakt een slaande beweging met de vlakke hand in de richting van het gezicht van de aangever. De aangever brengt zijn hand naar zijn gezicht. De verdachte maakt bewegingen die lijken op stampen de grond. Daarna lijkt hij iets op te pakken van de grond en dit te overhandigen aan de verdachte (de rechtbank begrijpt aan de hand van de hiervoor opgenomen beschrijving van de situatie op de opname: [slachtoffer]).
3.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 januari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven (pagina’s 1-2):
Er ontstond een woordenwisseling en toen heb ik mij dreigend opgesteld. Toen is er een gesprek ontstaan, maar dit was geen gezellig gesprek. Ik kan daarom wel begrijpen dat de jongen (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer]) geschrokken is. Bij deze maak ik mijn excuses aan het slachtoffer.
4.
Het proces-verbaal van aanhouding verdachte van 22 oktober 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 38-39):
Op 21 oktober 2024 kwamen wij ter plaatse te Hengelo. Wij zagen twee personen op de parkeerplaats van de Basic-fit staan. Wij zagen dat de het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer]) erg emotioneel en aangeslagen was.