Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De bewijsmotivering
zijnlezing van de gebeurtenissen. Verder blijkt niet dat de getuigen de zaken hebben aangedikt in hun verklaringen en verklaren zij bij de rechter-commissaris ook dat zij zich sommige dingen uit hun eerdere verklaringen niet meer kunnen herinneren. Dat de verklaringen van de getuigen bij de rechter-commissaris op onderdelen afwijken van hun verklaringen tijdens het politieverhoor, dient naar het oordeel van de rechtbank te worden bezien in het licht van het grote tijdsverloop tussen die twee verhoormomenten en de beperkingen van de getuigen. Die twee factoren in aanmerking nemende, bevreemden de discrepanties tussen de verklaringen niet. Dat er in onderhavige zaak sprake is van “collaborative storytelling”, zoals is bepleit door de raadsman, is de rechtbank niet gebleken. Dat de verklaringen van de acht getuigen onderling veel overeenkomsten vertonen, draagt voor de rechtbank juist in grote mate bij aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen en wijst naar het oordeel van de rechtbank op een specifieke handelwijze van verdachte. De rechtbank wijst in dat verband ook op de verschillen in de verklaringen van de getuigen. Zo heeft [slachtoffer 1] verklaard over seksuele handelingen die verder gingen dan die waarover de andere getuigen in het dossier hebben verklaard. Dat past niet in het beeld van “collaborative storytelling”. Ook wordt de betrouwbaarheid van hun verklaringen versterkt door het gegeven dat niet is gebleken van concrete aanknopingspunten dat er voor de getuigen aanleiding was om verdachte – hun (oud) leidinggevende – ten onrechte te beschuldigen van het tenlastegelegde. De verklaring van verdachte ter terechtzitting, over een nog te plannen bedrijfsuitje waarover onenigheid was ontstaan en waar verdachte de getuigen op zou hebben aangesproken, maakt dat niet anders.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van verdachte
6.De op te leggen straf of maatregel
7.De schade van benadeelden
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9.De beslissing
gevangenisstrafvoor de duur van
20 (twintig) maanden;
8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 7.063,53, (zegge: zevenduizend drieënzestig euro en drieënvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 6.500,--, vanaf 26 januari 2026 over € 396,49 en vanaf 16 februari 2026 over € 167,04, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 60 (zestig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.084,37, (zegge: tweeduizend vierentachtig euro en zevenendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 2.000,-- en vanaf 1 augustus 2024 over € 84,37, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 20 (twintig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 9.064,-- (bestaande uit materiële schade) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij af tot een bedrag van € 4.500,-- (bestaande uit immateriële schade);
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.603,38, (zegge: drieduizend zeshonderdendrie euro en achtendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 3.000,-- en vanaf 1 augustus 2024 over
€ 603,38, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 36 (zesendertig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 3.407,-- (bestaande uit materiële schade) niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij af tot een bedrag van € 3.674,89 (bestaande uit immateriële schade);
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.085,--, (zegge: drieduizend vijfentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 2.000,-- en vanaf 16 april 2026 over € 1.085,--, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 30 (dertig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 6.282,85, (zegge: zesduizend tweehonderdtweeëntachtig euro en vijfentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 4.500,-- en vanaf 16 april 2026 over
€ 1.782,85, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 56 (zesenvijftig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
€ 1.500,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023);
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.500,--, (zegge: duizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 15 (vijftien) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.000,--, (zegge: vierduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 40 (veertig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.123,63, (zegge: vierduizend honderddrieëntwintig euro en drieënzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2023 over € 3.500,-- en vanaf 16 april 2026 over
€ 623,63, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 41 (eenenveertig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;