Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2389

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
3 mei 2026
Zaaknummer
C/08/307862 / HA ZA 23-478
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over conceptrapport en procedurele gebreken bij taxatierapport onroerend goed

In deze civiele zaak gaat het om een tussenvonnis betreffende een deskundigenrapport over de waarde van onroerend goed, met peildatum 4 december 2023, in het kader van een ontbonden huwelijksgemeenschap. De rechtbank had eerder een deskundige benoemd en instructies gegeven, waaronder het verplicht toezenden van een conceptrapport aan partijen.

Na ontvangst van het rapport in november 2025 hebben partijen conclusies ingediend, waarbij de eisende partij kritiek uitte op het rapport en de procedure. De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van een conceptrapport een procedureel gebrek is dat hersteld moet worden, maar dat dit niet leidt tot het buiten beschouwing laten van het rapport.

De deskundige wordt opgedragen een aanvullende vraag te beantwoorden over de invloed van de ligging van het onroerend goed ten opzichte van een schadegebied op de waarde. Het rapport met deze aanvulling wordt als conceptrapport aangemerkt, waarna partijen vier weken krijgen om opmerkingen te maken. De deskundige moet vervolgens reageren op deze opmerkingen in een definitief rapport.

De rechtbank wijst erop dat partijen geen gelegenheid krijgen om op elkaars opmerkingen te reageren en dat het definitieve rapport uiterlijk 22 juli 2026 moet worden ingediend. Verdere beslissingen worden aangehouden totdat het definitieve rapport is ontvangen.

Uitkomst: De rechtbank draagt op het deskundigenrapport aan te vullen en partijen gelegenheid te geven tot opmerkingen, waarna het definitieve rapport wordt afgewacht.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/307862 / HA ZA 23-478
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters,
tegen

1.[gedaagde 1],

in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschappen van [erflater 1] en [erflater 2],
kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
hierna te noemen: [gedaagde 1]
advocaat: mr. R.R. Schuldink,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats 2],
hierna te noemen: [gedaagde 2],
advocaat: mr. W.G. van der Kolk,
3.
[gedaagde 3],
te [woonplaats 3],
hierna te noemen: [gedaagde 3],
advocaat: mr. W.G. van der Kolk,
4.
[gedaagde 4],
te [woonplaats 4],
advocaat: mr. A.C. de Bakker,
hierna te noemen: [gedaagde 4],
gedaagde partijen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 juni 2025,
- het deskundigenbericht ontvangen op 17 november 2025,
- de conclusie na deskundigenbericht van [eiser],
- het b-formulier van mr. De Bakker waarin hij meedeelt dat [gedaagde 4] zich aansluit bij de conclusie van [eiser],
- de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde 2] en [gedaagde 3],
- de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde 1].
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 20 november 2024 geoordeeld dat een deskundige de waarde zou moeten bepalen van het onroerend goed zoals genoemd in de akte verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. In het tussenvonnis van 12 maart 2025 is vervolgens de deskundige benoemd. De taxateur moest het onroerend goed taxeren met als peildatum 4 december 2023. De deskundige is daarbij gevraagd ook in te gaan op de vraag of de ligging ten opzichte van [locatie] voor de verkoopwaarde op 4 december 2023 relevant was. In dat tussenvonnis van 12 maart 2025 zijn ook de instructies voor de deskundige opgenomen. Onder andere is in r.o. 3.10 van dat tussenvonnis beslist:
‘wijst de deskundige erop dat:
[…]
de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,’
2.2
Vervolgens heeft de rechtbank op 17 november 2025 het deskundigenrapport ontvangen. Daarna hebben partijen een conclusie na deskundigenbericht ingediend. In die conclusie hebben zij zich alleen uitgelaten over de vraag of zij zich al dan niet in het deskundigenrapport kunnen vinden. Partijen hebben zich nog niet uitgelaten over hetgeen in r.o. 5.45. van het tussenvonnis van 20 november 2024 is overwogen. Partijen zullen daarvoor in een later stadium nog de gelegenheid krijgen. In dit tussenvonnis zal de rechtbank eerst ingaan op de reacties van partijen naar aanleiding van het deskundigenrapport en de gevolgen daarvan.
Reacties van partijen op het deskundigenrapport en beoordeling daarvan
2.3
[gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben in hun conclusie na deskundigenbericht geschreven dat zij zich kunnen vinden in het deskundigenrapport. [gedaagde 4] heeft geen eigen conclusie na deskundigenbericht ingediend, maar heeft zich aangesloten bij de conclusie na deskundigenbericht van [eiser].
2.4
[eiser] heeft in zijn conclusie na deskundigenbericht kritiek geuit op het deskundigenrapport. [eiser] maakt een aantal opmerkingen over de procedurele totstandkomingsvereisten en de inhoud van het rapport. De rechtbank zal deze bezwaren en de gevolgen daarvan beoordelen.
2.5
Allereerst heeft de deskundige volgens [eiser] ten onrechte in het rapport niet vermeld wie er bij de bezichtiging aanwezig zijn geweest en welke vragen zijn gesteld of opmerkingen zijn gemaakt. Dit bezwaar is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf genomen onvoldoende zwaarwegend om het rapport geheel buiten beschouwing te laten. De rechtbank ziet, nu [eiser] geen bijkomende omstandigheden heeft gesteld, niet in waarom dit gerechtvaardigd zou zijn. [eiser] heeft bijvoorbeeld niet gesteld dat hij niet aanwezig is geweest bij de bezichtiging omdat hij geen uitnodiging zou hebben ontvangen van de deskundige.
2.6
Vervolgens heeft [eiser] opgemerkt dat de deskundige geen conceptrapport aan partijen heeft gestuurd, waardoor partijen niet de gelegenheid hebben gehad opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Dit bezwaar tegen het deskundigenrapport slaagt. De deskundige schrijft zelf ook in zijn rapport:
‘Er is geen conceptrapportage afgegeven’. Dit terwijl de rechtbank de deskundige in het tussenvonnis wel heeft opgedragen het rapport eerst in concept te sturen aan partijen (zie r.o. 2.1. hiervoor). Nu partijen niet de mogelijkheid hebben gehad opmerkingen te maken naar aanleiding van het conceptrapport, voldoet het deskundigenrapport hiermee niet aan de procedurele totstandkomingsvereisten. [eiser] betoogt dat de deskundige daarom geen recht zou hebben op een vergoeding van zijn werkzaamheden. Daarin volgt de rechtbank [eiser] niet. Wel is de rechtbank van oordeel dat dit totstandkomingsgebrek moet worden hersteld. Dat kan door partijen alsnog de gelegenheid te geven om opmerkingen te maken en verzoeken te doen. De rechtbank zal daartoe overgaan.
2.7
Ten derde heeft [eiser] onder verwijzing naar citaten op pagina 27 van het rapport opgemerkt dat de deskundige onvoldoende rekening heeft gehouden met de ligging van de onroerende zaken in het schadegebied. Volgens [eiser] is er schade aan het onroerend goed ontstaan en had de deskundige die schade moeten onderzoeken of door een andere deskundige moeten laten onderzoeken. Het (technisch) onderzoeken en vaststellen van eventuele schade was echter geen opdracht aan de deskundige. De deskundige moest de waarde beoordelen van het onroerend goed op 4 december 2023. Wel volgt de rechtbank [eiser] in de opmerking dat de deskundige geen expliciet antwoord heeft gegeven op vraag 3:
“Liggen de percelen in of nabij het schadegebied [locatie]? En zo ja, in hoeverre heeft dat invloed op de waarde van de percelen[op de peildatum 4 december 2023, toevoeging]
?
2.8
De rechtbank zal de deskundige verzoeken die vraag expliciet te beantwoorden op de hierna aangegeven wijze. De deskundige mag die vraag beantwoorden vanuit zijn expertise als taxateur.
Verdere procedure: afronden deskundigenonderzoek
2.9
Het voorgaande betekent dat het deskundigenrapport nog niet als definitief kan worden beschouwd. Ten eerste moet de deskundige in een aanvulling op het rapport vraag 3 nog concreet beantwoorden. De deskundige mag die vraag vanuit zijn deskundigheid als taxateur beantwoorden, zoals hiervoor ook al overwogen. Het gaat dan om de vraag:
Vraag 3
Liggen de percelen in of nabij het schadegebied [locatie]? En zo ja, in hoeverre heeft dat invloed op de waarde van het perceel?
t.a.v. de waarde moet in lijn met vraag 1 worden uitgegaan van de peildatum
4 december 2023.
2.1
De deskundige kan het antwoord op vraag 3 als bijlage voegen bij zijn eerdere rapport uit november 2025.
2.11
Omdat partijen nog geen gelegenheid hebben gehad opmerkingen te maken naar aanleiding van het deskundigenrapport uit november 2025, zal dat rapport – met als bijlage het antwoord op vraag 3 – worden aangemerkt als conceptrapport.
2.12
De rechtbank draagt de deskundige op partijen alsnog in de gelegenheid te stellen binnen 4 weken na ontvangst van het antwoord op vraag 3 opmerkingen te maken en verzoeken te doen zoals omschreven in r.o. 3.10. van het tussenvonnis van 12 maart 2025. Vervolgens kan de deskundige in een aanvulling op zijn rapport reageren op de eventuele opmerkingen en verzoeken van partijen. Hij moet daarbij aangeven of de opmerkingen aanleiding geven om zijn eerdere conclusie te herzien. Partijen hebben daarbij géén gelegenheid om op elkaars opmerkingen te reageren.
2.13
De inhoudelijke opmerkingen van [eiser] naar aanleiding van het rapport (onder 6 van zijn akte) lenen zich er naar het oordeel van de rechtbank in eerste instantie voor om aan de deskundige te worden voorgelegd in het kader van de reactie naar aanleiding van het conceptrapport. Het is in dat kader desgewenst aan [eiser] om de inhoudelijke opmerkingen in reactie op het conceptrapport aan de deskundige voor te leggen. De rechtbank kan inhoudelijke opmerkingen eerst beoordelen na ontvangst van het definitieve rapport en zal daar in dit tussenvonnis nog niet inhoudelijk op ingaan.
In beginsel geen aanvullend voorschot
2.14
De aanvulling die de deskundige nu moet geven op zijn rapport lag al besloten in de oorspronkelijke vraagstelling uit het vonnis van 12 maart 2025. De deskundige heeft zijn voorschot van € 2.359,50 (inclusief btw) zoals vastgesteld in het vonnis van 18 juni 2025 op die vraagstelling gebaseerd. Nu de vraagstelling niet afwijkt van de oorspronkelijke vraagstelling – en het onderzoek ter plaatse al is uitgevoerd – is de rechtbank in beginsel van oordeel dat er geen aanvullend voorschot nodig is. De rechtbank heeft daarover ook telefonisch contact gehad met de deskundige. De deskundige heeft toegelicht dat het niet verstrekken van een conceptrapport aan partijen berust op een misverstand over de werkwijze. De deskundige is bereid het onderzoek op de hiervoor beschreven wijze af te ronden. In beginsel valt dit onder het eerdere voorschot nu deze werkwijze al lag besloten in de oorspronkelijke opdracht. Indien de deskundige gaandeweg wel grond ziet voor een aanvullend voorschot bijvoorbeeld omdat de werkzaamheden uitgebreider zouden blijken, wordt de deskundige gevraagd dit gemotiveerd toe te lichten waarna partijen daar op mogen reageren. De werkwijze hiervoor staat omschreven in r.o. 3.7. van het tussenvonnis van 12 maart 2025. Vervolgens zal daar bij afzonderlijk vonnis op worden beslist.
2.15
Voor de verdere werkwijze van de deskundige verwijst de rechtbank ook naar het tussenvonnis van 12 maart 2025.
Samengevat: hoe nu verder?
2.16
Samengevat is de werkwijze na dit tussenvonnis als volgt. De deskundige moet eerst vraag 3 beantwoorden. Het rapport uit november 2025 met als bijlage het antwoord op vraag 3 zal als conceptrapport worden aangemerkt. Na het beantwoorden van vraag 3 door de deskundige krijgen partijen van de deskundige een termijn van vier weken de gelegenheid om opmerkingen te maken en verzoeken te doen naar aanleiding van dit conceptrapport. Daar zal de deskundige vervolgens in (een bijlage bij) het definitieve rapport op moeten reageren. De deskundige moet daarbij toelichten of de opmerkingen al dan niet aanleiding zijn om zijn conceptrapport te herzien. Daarna is het werk van de deskundige afgerond.
2.17
Na ontvangst van het definitieve rapport krijgen partijen bij de rechtbank de gelegenheid voor een conclusie na deskundigenbericht waarbij zij niet alleen de gelegenheid krijgen in te gaan op het deskundigenrapport, maar ook moeten ingaan op hetgeen in r.o. 5.45. van het tussenvonnis van 20 november 2024 is overwogen.
2.18
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1
draagt de deskundige op in een aanvulling op het rapport alsnog vraag 3 te beantwoorden zoals weergegeven in r.o. 2.9. van dit vonnis;
3.2
draagt de deskundige op om het antwoord op vraag 3 als bijlage bij het rapport van 17 november 2025 te voegen;
3.3
merkt het deskundigenrapport van 17 november 2025 met als bijlage het antwoord op vraag 3 aan als conceptrapport;
3.4
draagt de deskundige op om het antwoord op vraag 3 aan partijen te sturen en partijen in de gelegenheid te stellen om binnen 4 weken daarna bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen over het rapport van 17 november 2025 en het antwoord op vraag 3,
3.5
draagt de deskundige op in het definitieve rapport en/of in een bijlage bij het conceptrapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en zijn reactie daarop te vermelden zoals omschreven in r.o. 2.12.;
3.6
bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren;
3.7
wijst de deskundige erop dat de voorgeschreven werkwijze is omschreven in het tussenvonnis van 12 maart 2025 en de deskundige op de in dat tussenvonnis omschreven wijze het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
3.8
draagt de deskundige op om
uiterlijk 22 juli 2026het definitieve rapport aan de rechtbank te sturen met een gespecificeerde declaratie;
3.9
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken
mr. U. van Houten op 22 april 2026.