ECLI:NL:RBOVE:2026:2388

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
3 mei 2026
Zaaknummer
C/08/335115 / HA ZA 25-206
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:400 BWArt. 7:411 BWArt. 6:74 BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 6:267 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding wegens niet in acht nemen opzegtermijn samenwerkingsovereenkomst opdracht

Tussen eiser, een zzp’er in het sociaal domein, en gedaagde, een uitleenbureau voor zorgprofessionals, bestond een samenwerkingsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een opzegtermijn van drie maanden. Gedaagde stelde eiser per direct op non-actief wegens vermeend herhaald te laat komen en onvoldoende aansturing van teamleden.

Eiser vordert schadevergoeding wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn en gemaakte opleidingskosten. Gedaagde voert verweer dat sprake is van ontbinding wegens toerekenbare tekortkoming en dat het beroep op de opzegtermijn onaanvaardbaar is.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van opzegging en niet van ontbinding, en dat het beroep op de opzegtermijn niet onaanvaardbaar is. Eiser heeft geen recht op loon conform artikel 7:411 BW Pro, maar wel op schadevergoeding wegens tekortkoming in nakoming. De omvang van de inkomensschade wordt voorlopig vastgesteld op €38.157,35, maar eiser moet nadere onderbouwing geven van inkomsten uit andere werkzaamheden.

De vordering voor opleidingskosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van het causale verband. De zaak wordt aangehouden voor nadere stukken en reactie daarop.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat gedaagde de overeenkomst heeft opgezegd en veroordeelt tot schadevergoeding wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn, met nadere bewijslevering over inkomensschade.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/335115 / HA ZA 25-206
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiser], handelend onder de naam [bedrijf] ,
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. H.J. Ulehake-Mink,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. E.W. Kingma.

1.De zaak in het kort

Tussen [eiser] en [gedaagde] bestond een overeenkomst van opdracht. [gedaagde] - de opdrachtgever - heeft deze overeenkomst met onmiddellijke ingang beëindigd. Kort gezegd is tussen partijen in geschil of [gedaagde] de overeenkomst heeft opgezegd of ontbonden en - als sprake is van opzegging - of [gedaagde] dan gehouden is om een bedrag aan loon in de zin van artikel 7:411 van Pro het Burgerlijk Wetboek en/of schadevergoeding aan [eiser] te betalen vanwege het niet in acht nemen van de overeengekomen opzegtermijn.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het bericht van [gedaagde] van 20 februari 2026
- het bericht van [eiser] van 24 februari 2026
- het bericht van [eiser] van 26 februari 2026 met een nadere productie
- het bericht van de rechtbank van 27 februari 2026
- de mondelinge behandeling van 10 maart 2026, waarbij mr. Ulehake-Mink spreekaantekeningen heeft voorgedragen en de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat verder is besproken.
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1
[eiser] heeft een eenmanszaak waarmee hij (als zzp’er) werkzaam is in het sociaal domein.
3.2
[gedaagde] is een uitleenbureau dat zorgprofessionals – eigen werknemers en zzp’ers – ter beschikking stelt aan partijen binnen het sociaal domein.
3.3
[gedaagde] heeft met ingang van 2 maart 2023 een samenwerkingsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met [eiser] met het oog op de inzet van [eiser] door [gedaagde] binnen het sociaal domein. In artikel 5.1 van de overeenkomst is het volgende opgenomen:
“Deze samenwerkingsovereenkomst kan door beide partijen schriftelijk worden opgezegd tegen het einde van een kalendermaand en met een opzegtermijn van 3 maanden.”
3.4
[eiser] werd op basis van de samenwerkingsovereenkomst door [gedaagde] ingezet in de opvanglocatie voor vluchtelingen uit Oekraïne in Den Haag. [eiser] werkte daar van mei 2023 tot november 2023 als woonbegeleider en met ingang van november 2023 als dagcoördinator. Hij werd gedurende de gehele overeenkomst vrijwel wekelijks op meerdere 16-uursdiensten ingezet. Vanaf april 2025 zou [gedaagde] [eiser] ook gaan inzetten als dagcoördinator bij opvanglocaties in de gemeente [gemeente] .
3.5
Op 2 april 2025 deelde de locatiemanager van de opvanglocatie in Den Haag [eiser] mee dat hij niet meer hoefde te komen werken. Op 3 april 2025 heeft de heer [naam] , operationeel directeur van [gedaagde] , telefonisch contact opgenomen met [eiser] . Tijdens dit telefoongesprek is [eiser] telefonisch geïnformeerd dat hij niet langer zou worden ingezet en is de reden hiervan medegedeeld, namelijk dat hij in maart 2025 meerdere keren te laat voor zijn dienst was verschenen, dit niet had gemeld en zijn facturen hierop niet had aangepast. Diezelfde dag ontving [eiser] een e-mail van [gedaagde] met, voor zover hier van belang, de volgende inhoud:
“Hierbij informeren wij je dat je per 03-04-2025 met onmiddellijke ingang op non-actief wordt gesteld.”
3.6
Op 4 april 2025 ontving [eiser] een brief van [gedaagde] , inhoudende voor zover hier van belang:
“Met deze brief bevestigen wij schriftelijk dat je per 3 april 2025 op non-actief bent gesteld. Aanleiding hiervoor is het herhaaldelijk niet handelen conform de binnen onze organisatie geldende afspraken en gedragscode, zoals reeds mondeling met je besproken op
2 april 2025. Gezien de aard van deze situatie zal er in de toekomst geen sprake meer zijn van inzet via [gedaagde] .”
3.7
Op 7 april 2025 ontving [eiser] een e-mailbericht van [gedaagde] met de navolgende inhoud, voor zover hier van belang:
“Zoals telefonisch besproken op 7 april 2025, en in aanvulling op onze eerdere schriftelijke bevestiging van 4 april 2025, informeren wij je hierbij over de onderbouwing van ons besluit om per direct de samenwerking met jou te beëindigen.
De reden voor deze directe beëindiging is dat wij hebben vastgesteld dat er herhaaldelijk niet is gehandeld conform de binnen onze organisatie geldende afspraken en gedragscode. Concreet gaat het om de volgende twee punten:
1.Herhaald te laat komen zonder communicatie
In de maand maart 2025 is geconstateerd dat je op meerdere dagen te laat aanwezig was op de opdracht, zonder dat je dit vooraf of achteraf aan ons als opdrachtgever hebt gemeld. Dit betreft de volgende data: 4 maart, 10 maart, 11 maart, 15 maart, 22 maart, 23 maart,
29 maart en 30 maart. Door het ontbreken van communicatie hierover zijn er uren bij ons gedeclareerd en uitbetaald waarin je feitelijk niet werkzaam was. Dit achten wij onacceptabel.
2.Onvoldoende aansturing van teamleden
Als dagcoördinator ben je verantwoordelijk voor het functioneren van het gehele team. Wij hebben moeten constateren dat in maart 2025 drie andere zorgprofessionals op jouw locatie eveneens te laat zijn gekomen, zonder dat hierover melding is gemaakt aan ons. Ook dit heeft ertoe geleid dat wij uren hebben betaald voor gewerkte tijd die feitelijk niet is geleverd. Wij nemen het je kwalijk dat je hierin je coördinerende verantwoordelijkheid onvoldoende hebt genomen.
Op basis van bovenstaande constateringen is besloten de samenwerking per direct te beëindigen.”
3.8
Vanaf de ‘op non-actiefstelling’ op 3 april 2025 heeft [eiser] geen werkzaamheden meer verricht via [gedaagde] . [eiser] is vanaf diezelfde datum rechtstreeks door de gemeente [gemeente] ingezet als dagcoördinator, dus zonder tussenkomst van [gedaagde] . Deze inzet duurde in elk geval tot en met 31 juli 2025.

4.Het geschil

4.1
[eiser] vordert - samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:
- € 38.157,35 zonder BTW aan schadevergoeding in verband met de niet in acht genomen opzegtermijn;
- € 1.925,00 aan schadevergoeding in verband met de door hem gemaakte opleidingskosten;
- € 1.156,57 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de wettelijke rente over voornoemde bedragen;
- de proceskosten, inclusief nakosten.
4.2
[eiser] legt aan zijn vorderingen - samengevat - het volgende ten grondslag. Na de op non-actiefstelling op 3 april 2025 heeft [gedaagde] de overeenkomst op
4 april 2025 met onmiddellijke ingang opgezegd. Vanwege de overeengekomen opzegtermijn had zij de overeenkomst echter pas tegen 31 juli 2025 mogen opzeggen. Volgens [eiser] is [gedaagde] daarom gehouden om hem over deze opzegtermijn van 17 weken een bedrag van € 38.157,35 aan loon in de zin van artikel 7:411 BW Pro dan wel aan schadevergoeding te betalen. Ook maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt voor een opleidingstraject dat hij niet heeft kunnen afronden vanwege het niet in acht nemen van de opzegtermijn door [gedaagde] .
4.3
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.4
[gedaagde] voert als meest verstrekkende verweer aan dat zij de overeenkomst op 4 april 2025 niet heeft opgezegd, maar heeft ontbonden omdat [eiser] toerekenbaar tekortschoot in de nakoming van de overeenkomst en zij het vertrouwen in de samenwerking kwijt was. Voor zover wel sprake is geweest van een opzegging, voert [gedaagde] subsidiair aan dat [eiser] ’s beroep op de opzegtermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Meer subsidiair voert [gedaagde] aan dat zij geen vergoeding over de opzegtermijn verschuldigd is, omdat [eiser] afstand heeft gedaan van zijn recht op enige vergoeding wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn door te berusten in de onmiddellijke opzegging van de overeenkomst. Uiterst subsidiair betwist [gedaagde] dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het niet in acht nemen van de opzegtermijn.
4.5
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1
De samenwerkingsovereenkomst tussen partijen betreft een overeenkomst van opdracht (artikel 7:400 e.v. BW). Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Evenmin is in geschil dat deze overeenkomst op 4 april 2025 eenzijdig door [gedaagde] is beëindigd. De kern van het geschil is of de overeenkomst door [gedaagde] is opgezegd of ontbonden en op welke wijze partijen de beëindiging financieel moeten afwikkelen.
[gedaagde] heeft de overeenkomst opgezegd, niet ontbonden
5.2
De rechtbank is van oordeel dat de brief van 4 april 2025 moet worden aangemerkt als een opzegging van de overeenkomst door [gedaagde] . Anders dan [gedaagde] betoogt, rechtvaardigt de enkele omstandigheid dat de samenwerking door haar is beëindigd vanwege het handelen van [eiser] in strijd met de gemaakte afspraken (en de daardoor ontstane vertrouwensbreuk), niet de conclusie dat sprake is van een (buitengerechtelijke) ontbindingsverklaring in de zin van artikel 6:267 lid 1 BW Pro. Een opdrachtgever kan de samenwerking immers evengoed opzeggen als hij door het handelen van een opdrachtnemer geen vertrouwen meer heeft in een goede samenwerking. Bovendien geldt dat, om te kunnen spreken van een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring, uit die verklaring wel op zijn minst moet blijken dat de wil van de partij die haar uitbrengt, gericht is op de rechtsgevolgen van ontbinding, namelijk op het bevrijden van partijen van de verplichtingen over en weer en op het ongedaan maken van prestaties die al zijn verricht. Dat de wil van [gedaagde] hierop gericht was, blijkt niet uit haar brief van
4 april 2025. [gedaagde] gebruikt het woord ontbinding niet en ook (anderszins) volgt uit de tekst niet dat [gedaagde] de rechtsgevolgen van ontbinding wil inroepen. Er wordt zowel in de brief van 4 april 2025 als in de daaropvolgende mail van 7 april 2025 alleen gesproken over het beëindigen van de samenwerking en dat is bij uitstek het rechtsgevolg van opzegging.
5.3
Nu sprake is van een opzegging van de overeenkomst, kan [eiser] zich in beginsel beroepen op de overeengekomen opzegtermijn.
Het beroep op de opzegtermijn is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar
5.4
[gedaagde] voert het verweer dat het beroep van [eiser] op de opzegtermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [gedaagde] stelt daarvoor dat de onmiddellijke opzegging van de samenwerkingsovereenkomst gerechtvaardigd was. [eiser] heeft niet integer gehandeld door uren te declareren die hij niet heeft gewerkt. Doordat hij meermalen te laat kwam en onvoldoende toezicht hield op zijn teamleden, heeft hij bovendien een onveilige situatie gecreëerd op de opvanglocatie. Dit alles heeft geleid tot een zodanige vertrouwensbreuk dat van [gedaagde] naar eigen zeggen niet langer kon worden gevergd dat zij [eiser] nog zou inzetten.
5.5
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 6:248 lid 2 BW Pro is een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel niet van toepassing, indien dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake. De rechtbank begrijpt dat het onwenselijk is als een dagcoördinator (meermalen) te laat komt, omdat er bij gebrek aan voldoende toezicht en aansturing onveilige situaties kunnen ontstaan. Niet in geschil is echter dat zich geen incidenten hebben voorgedaan. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling bovendien aangevoerd dat hij nooit meer dan 10 à 15 minuten te laat was. In totaal betrof het 1 uur en 17 minuten, verspreid over acht keer, telkens als zijn dienst om 7 uur ’s ochtends begon. Dit kwam doordat hij in maart 2025 slecht sliep vanwege de Ramadan en doordat hij net vader was geworden. Dit alles is door [gedaagde] niet weersproken. Dat deze 1 uur en 17 minuten wel in rekening zijn gebracht, komt volgens [eiser] omdat [gedaagde] hem altijd een factuur stuurde op basis van zijn ingeroosterde diensten. Hij controleerde dan alleen of was uitgegaan van de juiste inroostering, maar stond er niet bij stil de factuur aan te passen als hij iets later was begonnen en evenmin als hij iets langer had doorgewerkt, wat ook regelmatig voorkwam. Ook dit is door [gedaagde] niet weersproken. De rechtbank kan zich voorstellen dat [gedaagde] tijdige aanwezigheid en een zorgvuldige (controle van de) facturering belangrijk vindt. Echter, de door [gedaagde] gebezigde ‘grote’ bewoordingen om het handelen van [eiser] te omschrijven, zoals ‘fraude met publiek zorggeld’, passen niet bij de hiervoor geschetste - en door [gedaagde] niet weersproken - feitelijke achtergrond. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt tegen deze achtergrond niet in te zien waarom het handelen van [eiser] in maart 2025 zo ernstig was dat hij zich in redelijkheid niet zou kunnen beroepen op de opzegtermijn of dat van [gedaagde] niet kon worden gevergd dat zij hem (gedurende deze opzegtermijn) nog zou inzetten. Dit geldt te meer, nu niet geschil is dat [eiser] voor maart 2025 geheel naar tevredenheid van [gedaagde] functioneerde, zelfs zodanig dat [gedaagde] [eiser] begin maart 2025 nog een arbeidsovereenkomst aanbood. Het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW Pro wordt verworpen.
Recht op vergoeding over de opzegtermijn?
5.6.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [gedaagde] over de opzegtermijn - de periode van 4 april 2025 tot en met 31 juli 2025 - nog enige vergoeding (loon en/of schadevergoeding) verschuldigd is, zoals [eiser] stelt.
Geen afstand van recht
5.7.
[gedaagde] voert in dit verband primair het verweer dat [eiser] afstand heeft gedaan van zijn recht op enige vergoeding in verband met het niet in acht nemen van de opzegtermijn door te berusten in de onmiddellijke opzegging van de overeenkomst. Daartoe voert zij aan dat [eiser] tijdens het telefoongesprek op 3 april 2025 heeft erkend dat hij in maart 2025 enkele keren te laat was gekomen en zijn facturen daarop niet had aangepast en dat [eiser] aanvankelijk niet heeft geprotesteerd tegen de opzegging, maar meteen rechtstreeks voor de gemeente [gemeente] aan de slag is gegaan. Anders dan [gedaagde] betoogt, kan naar het oordeel van de rechtbank uit deze omstandigheden niet worden afgeleid dat [eiser] zich (ondubbelzinnig) heeft neergelegd bij de opzegging van de overeenkomst met onmiddellijke ingang, laat staan dat [eiser] afstand heeft gedaan van zijn recht op enige vergoeding vanwege het niet in acht nemen van de opzegtermijn. [gedaagde] heeft het handelen van [eiser] dus redelijkerwijs ook niet zo mogen opvatten. Andere omstandigheden heeft [gedaagde] niet gesteld. Het verweer faalt daarom.
[eiser] heeft geen recht op loon in de zin van artikel 7:411 BW Pro
5.8.
[eiser] maakt primair aanspraak op loon in de zin van artikel 7:411 lid 1 BW Pro wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn. De rechtbank volgt [gedaagde] in haar standpunt dat geen sprake is van de situatie zoals geregeld in dit artikel. Artikel 7:411 BW Pro bepaalt dat de opdrachtnemer recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon als de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend is verstreken, en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging of van het verstrijken van die tijd. In deze zaak is de verschuldigdheid van loon niet afhankelijk van de volbrenging van de opdracht of het verstrijken van de tijd waarvoor de opdracht is verleend. Niet in geschil is immers dat sprake was van een overeenkomst voor onbepaalde tijd en dat [eiser] per gewerkt uur werd betaald, zoals ook volgt uit artikel 6 van Pro de samenwerkingsovereenkomst. Verder is niet in geschil dat [gedaagde] het loon over de gewerkte uren aan [eiser] heeft voldaan. [eiser] kan daarom geen recht op loon ontlenen aan artikel 7:411 BW Pro. De (overige) verweren ten aanzien van deze grondslag behoeven daarom geen bespreking meer.
Schadevergoeding
5.9.
[eiser] maakt subsidiair op grond van artikel 6:74 BW Pro aanspraak op schadevergoeding wegens het niet nakomen van de opzegtermijn.
5.10.
De rechtbank is van oordeel dat het niet in acht nemen van de opzegtermijn een tekortkoming in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst oplevert aan de zijde van [gedaagde] . [gedaagde] is daarom gehouden de schade die [eiser] als gevolg van deze tekortkoming heeft geleden, te vergoeden.
Misgelopen loon
5.11.
[eiser] stelt dat de schade die hij heeft geleden in de eerste plaats bestaat uit het loon dat hij is misgelopen doordat [gedaagde] de opzegtermijn niet in acht heeft genomen. Hij voert aan dat hij over de gehele duur van de overeenkomst gemiddeld 51 uur per week werd ingezet en gemiddeld € 2.244,55 per week declareerde aan [gedaagde] (exclusief BTW). De opzegtermijn bedroeg 17 weken. [eiser] begroot het bedrag dat hij zou hebben verdiend als [gedaagde] niet was tekortgeschoten in de nakoming van de opzegtermijn daarom op: € 2.244,55 x 17 = € 38.157,35. Dit is volgens [eiser] ook de hoogte van zijn inkomensschade.
5.12.
[gedaagde] betoogt primair dat geen sprake kan zijn van inkomensschade, omdat zij op grond van de overeenkomst niet verplicht was om [eiser] in te zetten. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Op zich is juist dat in de overeenkomst geen minimum aantal af te nemen uren is opgenomen, maar door [gedaagde] is niet weersproken dat [eiser] vanaf het begin van de overeenkomst gemiddeld 51 uur per week door [gedaagde] werd ingezet. Gelet hierop mocht [eiser] er redelijkerwijs op vertrouwen dat hij in de periode van 4 april 2025 tot en met 31 juli 2025 in vergelijkbare mate zou worden ingezet. Dat dat zou zijn gebeurd als de overeenkomst niet was geëindigd, heeft [gedaagde] op de mondelinge behandeling overigens ook bevestigd. Niet in geschil is bovendien dat [eiser] al was ingeroosterd op diensten ná 4 april 2025.
5.13.
Subsidiair betwist [gedaagde] de hoogte van de inkomensschade. Daartoe voert zij aan dat [eiser] tijdens de opzegtermijn (van 4 april 2025 tot en met 31 juli 2025) betaalde werkzaamheden heeft verricht voor de gemeente [gemeente] en een andere opdrachtgever. Deze werkzaamheden had [eiser] volgens [gedaagde] niet kunnen verrichten als hij in die periode ruim 50 uur per week in opdracht van [gedaagde] had gewerkt.
5.14.
Dit is tijdens de mondelinge behandeling door [eiser] bevestigd. [eiser] heeft echter aangevoerd dat hij door de gemeente [gemeente] significant minder uren werd ingezet dan hij door [gedaagde] zou zijn ingezet (namelijk slechts 24 uur per week), terwijl het uurtarief maar iets hoger lag. Gedurende de gehele periode van de opzegtermijn heeft hij daarnaast slechts enkele uren in opdracht van een ander bemiddelingsbureau kunnen werken. Gevolg is dat hij niettemin schade heeft geleden, aldus [eiser] . Dit is door [gedaagde] bij gebrek aan wetenschap betwist.
5.15.
De rechtbank overweegt als volgt. Om te kunnen vaststellen of [eiser] inkomensschade heeft geleden als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] en zo ja, wat dan de omvang van die schade is, moeten twee situaties tegenover elkaar worden gezet. De hypothetische situatie waarin [eiser] zou hebben verkeerd indien [gedaagde] de opzegtermijn wél in acht had genomen, moet worden vergeleken met de huidige situatie waarin dat niet is gebeurd en [eiser] tijdens de opzegtermijn betaald werk voor andere opdrachtgevers heeft verricht. [gedaagde] heeft de door [eiser] gemaakte rekensom om zijn loon in de hypothetische situatie te begroten, niet weersproken, zodat de rechtbank ervan uit zal gaan dat [eiser] ’s loon gedurende de opzegtermijn in dat geval
€ 38.157,35 zou zijn geweest. De vergelijking met de huidige situatie kan vooralsnog echter niet worden gemaakt, omdat informatie over [eiser] ’s inkomsten uit het betaalde werk dat hij gedurende de opzegtermijn voor andere opdrachtgevers heeft verricht, ontbreekt. Het is aan [eiser] om zijn stelling dat deze inkomsten minder bedroegen, te onderbouwen. De rechtbank zal [eiser] in de gelegenheid stellen om dit te doen door bij akte nadere informatie te verschaffen over:
  • zijn inkomsten als gevolg van werkzaamheden in opdracht van de gemeente [gemeente] in de periode van 4 april 2025 tot en met 31 juli 2025;
  • zijn inkomsten als gevolg van andere werkzaamheden in de periode van
4 april 2025 tot en met 31 juli 2025.
[eiser] dient deze informatie zoveel mogelijk te onderbouwen met facturen. Vervolgens krijgt [gedaagde] de gelegenheid om bij akte te reageren op de door [eiser] verschafte informatie.
5.16.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] nog aangevoerd dat bij de beoordeling van zijn vordering van € 38.157,35 eveneens moet worden meegewogen dat hij, naast inkomensschade, reputatieschade heeft geleden en advocaatkosten van in totaal
€ 7.000,00 heeft moeten maken. [eiser] heeft benadrukt niet zijn eis te (willen) wijzigen, maar dit aanvullend te stellen in het kader van het gevorderde bedrag. Wat daar ook van zij, [eiser] heeft het bestaan en de omvang van de - door [gedaagde] betwiste - reputatieschade in het geheel niet onderbouwd. Deze zal daarom niet in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van deze vordering. Hetzelfde geldt voor de (totale) advocaatkosten van [eiser] . Gesteld noch gebleken is immers dat [gedaagde] misbruik van procesrecht heeft gemaakt of anderszins onrechtmatig heeft gehandeld door verweer te voeren. Voor het in aanmerking nemen van de totale advocaatkosten bij de schadebegroting bestaat dus hoe dan ook geen grond, ook niet als [gedaagde] bij eindvonnis (grotendeels) in het ongelijk zou worden gesteld.
Opleidingskosten
5.17.
[eiser] stelt dat de schade die hij heeft geleden daarnaast bestaat uit door hem (vergeefs) gemaakte opleidingskosten. Hij voert aan dat hij een EVC-traject aan het volgen was om zich uiteindelijk te kunnen inschrijven in het SKJ-register (Stichting Kwaliteitsregister Jeugd). Hij volgde dit traject op eigen initiatief, maar zijn locatiemanager was wel op de hoogte. Door de onmiddellijke opzegging door [gedaagde] kon hij dit traject niet afronden. Voor het volgen van dit traject was namelijk een werkplek op het gebied van jeugd en gezin vereist en die had hij toen niet meer. Vanaf juli 2025 was het überhaupt niet meer mogelijk om het EVC-traject nog voort te zetten of af te ronden, omdat het traject toen werd afgeschaft.
5.18.
[gedaagde] is alleen verplicht de schade te vergoeden die [eiser] heeft geleden
als gevolg vanhaar tekortkoming. Er moet dus in de eerste plaats sprake zijn van een causaal verband tussen de tekortkoming en de door [eiser] gestelde schade. Het is daarbij aan [eiser] om te stellen – en bij betwisting te onderbouwen – dat hij de schade niet zou hebben geleden zónder tekortkoming van [gedaagde] . [eiser] heeft weliswaar gesteld dat hij het EVC-traject dan binnen de opzegtermijn (en voor de afschaffing van het traject) had kunnen afronden, maar hij heeft deze stelling – na de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] – niet onderbouwd. Dat had wel op zijn weg gelegen. Niet in geschil is namelijk dat het traject uit zes onderdelen bestond, dat [eiser] nog twee onderdelen moest volgen en dat hij over de eerste vier onderdelen negen maanden had gedaan, gemiddeld 2,25 maand per onderdeel dus. Zonder nadere toelichting – die niet is gegeven – kan dan niet worden aangenomen dat [eiser] de overige twee onderdelen binnen de opzegtermijn had kunnen afronden en dus de door hem gestelde schade niet zou hebben geleden zonder de tekortkoming van [gedaagde] . Het causale verband tussen de tekortkoming van [gedaagde] en de door [eiser] gestelde schade komt dan ook niet vast te staan. Dit deel van de gevorderde schade zal daarom bij eindvonnis worden afgewezen.
Verdere beslissingen
5.19.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 6 mei 2026voor het nemen van een akte door [eiser] over wat is vermeld onder 5.15.,
6.2.
bepaalt dat de zaak, nadat [eiser] de akte als bedoeld onder 6.1. heeft genomen, op de rol zal komen van twee weken daarna voor het nemen van een antwoordakte door [gedaagde] ,
6.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P. Heisterkamp en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.