In de strafzaak tegen verzoeker heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking van de rechters M. Melaard en A.J. de Loor behandeld. Verzoeker stelde dat de rechters niet onpartijdig konden zijn omdat zij zich in een eerdere zaak tegen een medeverdachte al hadden uitgelaten over de rechtsmacht en de schuldvraag die ook voor verzoeker relevant zijn.
De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek tijdig en ontvankelijk was ingediend. De kamer benadrukte dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er objectieve feiten zijn die een gegronde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen. De wrakingskamer onderzocht de twee wrakingsgronden: de eerdere uitspraken over rechtsmacht en de bewijswaardering.
De eerste wrakingsgrond werd ongegrond verklaard omdat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn situatie identiek was aan die van de medeverdachte. De tweede wrakingsgrond werd echter gegrond verklaard. De wrakingskamer vond dat de rechters in het vonnis tegen de medeverdachte al inhoudelijk hadden geoordeeld over de betrokkenheid van verzoeker bij de ten laste gelegde feiten, waardoor de schijn van vooringenomenheid was gewekt.
De wrakingskamer concludeerde dat er sprake was van een uitzonderlijke omstandigheid die de rechterlijke onpartijdigheid kon schaden en wees het wrakingsverzoek toe. De beslissing is in het openbaar uitgesproken en is niet meer aan beroep onderhevig.