Belanghebbende, eigenaar van een vrijstaande woonboerderij uit 1910 met een gebruiksoppervlakte van 150 m², maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 367.000 per 1 januari 2024. De heffingsambtenaar stelde deze waarde vast en legde op basis daarvan de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2025 op.
De rechtbank beoordeelde of de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Hierbij werd gekeken naar de taxatiematrix van een gediplomeerd taxateur, die een hogere waarde van € 441.000 had vastgesteld op basis van vergelijkbare woningen met recente verkoopprijzen. De rechtbank vond de vergelijkingsobjecten passend en de correcties op ligging en nabijheid van een windmolen adequaat toegepast.
Ondanks de hogere taxatiewaarde en de stijgende woningmarkt, was de vastgestelde WOZ-waarde nagenoeg gelijk gebleven, mede door financiële compensaties en afwaarderingen. Belanghebbende bracht geen gemotiveerde betwisting tegen de vastgestelde waarde in.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.