Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De bewijsmotivering
Handelsonderneming [verdachte], [adres]’. [gebruikersnaam 2] stuurde deze foto vervolgens door naar EncroChat-gebruiker [gebruikersnaam 3]@encrochat.com (geïdentificeerd als [medeverdachte 4], hierna: [medeverdachte 4]). [2] [medeverdachte 3] zei tegen [medeverdachte 4] dat zijn maat eigenaar is, maar ‘het’ op naam van een Nederlander heeft laten openen. Hij zei:
‘eigenaar 55/60 jr.. geen strafblad niks’. Verder werd tussen [medeverdachte 3] en [gebruikersnaam 2] gesproken over ‘
bakken’(de rechtbank begrijpt: containers), ‘
ijzer/schroot’en ‘
sturen vanuit Peru’. [3] [medeverdachte 4] zei dat ze contact moesten opnemen met ‘die van Peru’. [gebruikersnaam 2] vroeg hoeveel ‘stuks’ er zouden komen, waarop [medeverdachte 4] antwoordde dat er ‘700’ waren ingepakt. [medeverdachte 3] zei vervolgens tegen [gebruikersnaam 2] dat de B.V. contact op moest nemen met ‘[bedrijf 1]’, welk bedrijf gevestigd is in Icu in Peru. [bedrijf 1] had 10 bakken staan met metaal/schroot. [4]
Tja [we zeggen gewoon dat] de man.. het bedrijf heeft het gedaan (..). ln zo'n geval zal [verdachte] trouwens zeker meegenomen/aangehouden worden. Als men zijn mails en alles er omheen uitzoekt zal men erachter komen dat hij het willens en wetens doet. Kijk als het nou één keer was, dan is het anders, maar dit is nu de 5e", 6e of 7e keer...”.
als jij weet wat ik moet e-mailen, dan doe ik dat gewoon hoor’. [medeverdachte 5] zei vervolgens: ‘
nee ik weet ook niet. [medeverdachte 3] doet toch meestal zulke dingen’. [17]
Broer, ik zweer het je! Jullie moeten dit niet als eenmalig zien. De volgende keer doen we er niet minder dan 500 stuks in!’. Deze konden verkocht worden voor € 3000,00. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] spraken over de gemaakte afspraken. Van de 150 stuks zouden 10 stuks voor [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn. Daarnaast zou [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 5] hebben gezegd dat [medeverdachte 5] zorg moest dragen dat het hierheen zou komen, dat het verkocht zou worden en dat het gestasht/verstopt zou worden. [medeverdachte 1] wilde nergens mee te maken hebben.
Wij krijgen 10 en zij 140’. [18]
Insallah (hopelijk) als het normaal gaat’. [medeverdachte 5] zei vervolgens: ‘
Maar de eerste keer is niks voor ons. Zeg maar.. Met [medeverdachte 1](de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] )
samen.. via [medeverdachte 1] .. Van [medeverdachte 1] en van zijn vriend. Alleen voor test..’. [19]
staat klaar.. de mannen zijn gegaan, de werkzaamheden beginnen..’. Daarnaast zei [medeverdachte 1] dat hij 10 stuks had ingeschreven voor [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6]. [medeverdachte 1] zei dat [medeverdachte 6] moest regelen dat er een e-mail vanuit het Nederlandse bedrijf zou worden gestuurd naar het bedrijf
‘aan de andere kant’om te vragen waar de bestelling bleef. [23]
4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
medeplegen van om een feit, als bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich/een ander gelegenheid/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;enmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, gelden/andere betaalmiddelen, voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
medeplegen van om een feit, als bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich/een ander gelegenheid/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;enmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, gelden/andere betaalmiddelen, voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
5.De strafbaarheid van verdachte
6.De op te leggen straf of maatregel
7.De toegepaste wettelijke voorschriften
8.De beslissing
medeplegen van om een feit, als bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich/een ander gelegenheid/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;enmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, gelden/andere betaalmiddelen, voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
medeplegen van om een feit, als bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich/een ander gelegenheid/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;enmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, gelden/andere betaalmiddelen, voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren;
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen;