AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep op toekenning Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten en toename beperkingen
Eiseres, geboren in 2002, vroeg in 2023 een Wajong-uitkering aan vanwege gezondheidsklachten sinds 2017. Het UWV wees deze aanvraag af omdat zij op haar 18e verjaardag over arbeidsvermogen beschikte. In 2025 vroeg zij opnieuw een Wajong-uitkering aan, maar het UWV kwam niet terug op het eerdere besluit, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren vastgesteld.
Eiseres stelde dat endometriose een nieuw feit was en dat haar beperkingen waren toegenomen, onderbouwd met medische rapporten van gynaecologen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat er geen sprake was van een nieuw medisch feit of toename van beperkingen binnen vijf jaar na haar 18e verjaardag.
De rechtbank oordeelde dat de diagnose endometriose pas in 2024 werd vermoed en niet onomstotelijk was, en dat menstruatieklachten vóór haar 18e jaar niet automatisch duiden op endometriose. Ook was er geen objectief medisch bewijs van toename van beperkingen. De beroepsgronden waren onvoldoende om het besluit van het UWV als evident onredelijk te bestempelen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, waardoor eiseres geen Wajong-uitkering krijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit van het UWV om geen Wajong-uitkering toe te kennen is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten en toename van beperkingen.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3902
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres (hierna: [eiseres])
(gemachtigde: mr. D. van der Wal),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(het UWV).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het beroep van [eiseres] tegen het bestreden besluit van
31 juli 2025 om niet terug te komen op het besluit van 20 december 2023 waarin geen Wajong-uitkering [1] is toegekend. [eiseres] is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe verschillende beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft besloten om niet terug te komen op het besluit van 2023. Ook is terecht besloten dat er niet binnen vijf jaar na haar 18e verjaardag sprake is geweest van een toename van beperkingen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak. Dit betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt en het beroep dus ongegrond is.
Inleiding
1. [eiseres] is geboren op [geboortedatum] 2002 en is op [geboortedatum] 2020 achttien jaar geworden. Zij heeft op 14 augustus 2023 een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend. Daarin heeft zij aangegeven dat zij vanaf 2017 gezondheidsklachten heeft en recht wil krijgen op een Wajong-uitkering.
1.1.
Met het besluit van 20 december 2023 heeft het UWV geen Wajong-uitkering toegekend. Na onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige is geconcludeerd dat [eiseres] op haar achttiende verjaardag wel over arbeidsvermogen beschikt. Ondanks haar beperkingen, beschikte zij over basale werknemersvaardigheden en kon zij tenminste vier uur per dag, waarvan een uur aaneengesloten, de eenvoudige taak ‘plaatsen van onderdelen op printplaat’ verrichtten.
1.2.
Op 15 juni 2025 heeft [eiseres] opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd.
1.3.
Met het besluit van 31 juli 2025 is het UWV niet teruggekomen van het besluit van
20 december 2023, omdat de verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven om dat besluit te herzien. Tegen dat besluit heeft [eiseres] bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 26 november 2025 is haar bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
[eiseres] heeft op 29 december 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit.
Op 29 januari 2026 zijn aanvullende beroepsgronden ingediend met informatie van
16 januari 2026 van gynaecoloog L.C. van Boven (hierna: Van Boven).
1.5.
Het UWV heeft op 10 februari 2026 op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een rapport van 6 februari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
1.6.
[eiseres] heeft op 11 maart 2026 informatie van 9 maart 2026 van de gynaecoloog Al Nasser (collega van Van Boven) overgelegd. Het UWV heeft hierop op 23 maart 2026 nog gereageerd.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] en haar gemachtigde. Ook de moeder van [eiseres] was aanwezig. De gemachtigde van het UWV heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank is van oordeel dat het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen en licht dit als volgt toe.
2.1.
Het geschil gaat over de vraag of het UWV terug had moeten komen van het besluit van
20 december 2023 waarin geen Wajong-uitkering is toegekend omdat toen is gebleken dat zij over arbeidsvermogen beschikt. Daarnaast gaat het om de vraag of binnen vijf jaar na de 18e verjaardag sprake is geweest van een toename van beperkingen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak. Deze twee vragen zal de rechtbank hierna beantwoorden. De volledige wetsartikelen die daarvoor van belang zijn staan in de bijlage.
Nieuwe feiten en/of omstandigheden
3. Het UWV heeft op de aanvraag van [eiseres] om terug te komen van het besluit van 20 december 2023 beslist op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en goed gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als dat zo is, kan de bestuursrechter aan de hand van wat iemand heeft aangevoerd toch tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
3.1.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Een medisch rapport is op zich niet aan te merken als een nieuw feit maar uit een medisch rapport kan de aanwezigheid van een nieuw feit blijken.
4. [eiseres] stelt dat endometriose een nieuw feit is en dat dit er al was op het moment dat zij achttien jaar was, maar dat het toen niet als zodanig is herkend. Ook voert zij aan dat zij in 2025 heeft gewezen op endometriose en op de verslechtering van haar situatie omdat zij geen vrijwilligerswerk meer kon doen. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst [eiseres] op de brief van 16 januari 2026 van Van Boven die zij tijdens de beroepsprocedure heeft overgelegd bij de aanvullende beroepsgronden. Daarin staat dat sprake is van een sterke verdenking van endometriose en dat deze conclusie/diagnose al op
13 september 2024 is gesteld. Volgens [eiseres] wordt daarin toegelicht dat endometriose niet altijd zichtbaar is op een inwendige echo en dat het zich op meer plaatsen kan nestelen dan alleen de baarmoeder. Mede daardoor wordt endometriose pas (heel) laat ontdekt. Ook wijst [eiseres] op het onderzoek waarin staat dat vrouwen met endometriose vaker last hebben van andere pijnsyndromen, waaronder fibromyalgie en ME/CVS. Volgens [eiseres] sluiten alle overige factoren waarmee endometriose wordt vastgesteld aan bij haar klachten. Zij heeft hevige en langdurige menstruaties, abnormaal veel vloeien, intense pijn, lusteloosheid en hevige vermoeidheid. Dat zij deze klachten al zeer lang heeft blijkt uit het journaal van de huisarts. Vanaf januari 2017 is zij regelmatig bij de huisarts op het spreekuur geweest met klachten over langdurige bloedingen, het daardoor ziekmelden van school en stage en pijnklachten.
5. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is geen sprake van een nieuw medisch feit, omdat niet gebleken is dat hiervan op de 18e verjaardag als sprake was. In het rapport van 6 februari 2026 motiveert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat als volgt:
“In het beroepschrift wordt gesteld dat er sprake is van een nieuw medisch feit in de vorm van endometriose, en dat dit er al was op het moment dat cliënt 18 jaar was. Deze stelling is niet geheel navolgbaar. Uit de brief van de gynaecoloog blijkt dat op 13 september 2024 wordt gesproken over een sterke verdenking op endometriose. Nog los van dat deze diagnose niet onomstotelijk gesteld is, dateert dit van ruim 4,5 jaar na het 18e jaar. Het gegeven dat cliënt al vóór haar 18e menstruatieklachten had, wijst er niet op dat er toen ook al sprake was van endometriose. In die zin kan mijns inziens niet gesproken worden van een nieuw medisch feit met betrekking tot de gezondheidstoestand van cliënt op haar 18e jaar, en kunnen de menstruatieklachten c.q. endometriose dan ook niet beschouwd worden als toename van klachten voortkomend uit dezelfde ziekteoorzaak, bezien op het 18e jaar.
Aanvullend hierop komt uit de ingebrachte medische stukken een beeld naar voren van wisselende klachten, mede afhankelijk van ingezette behandeling. Uit de stukken blijkt niet dat deze klachten ertoe leidden dat cliënt niet 4 uur per dag belastbaar was, en zeker is dat deze klachten er niet toe leidden dat zij niet een uur aaneengesloten kon werken (conform de beschrijving van dit criterium in het Compendium Participatiewet). In dit kader merk ik nog op dat de gynaecologische klachten niet beschreven worden in de correspondentie van de Vermoeidheidkliniek en dat cliënt bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling van
22 november 2023 hiervan ook geen melding maakt, terwijl een uitgebreide anamnese (inclusief tractusanamnese) is uitgevraagd, waarin cliënt benoemt dat haar menstruatie aan het normaliseren is na stoppen met implanon. Overigens staat in de brief van de gynaecoloog geen beleid/advies beschreven en bevat het huisartsendossier geen gegevens over het beloop na het consult met de gynaecoloog.”
6. De rechtbank is van oordeel dat de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en navolgbaar is. Hierbij betrekt de rechtbank dat een diagnose, in dit geval een sterke verdenking van endometriose, niet als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid kan worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 4:6 vanPro de Awb. [2] Bij de beoordeling in 2023 heeft het UWV al rekening gehouden met vermoeidheidsklachten en de daaruit volgende beperkingen die [eiseres] bij haar aanvraag van 14 augustus 2023 heeft gemeld en toegelicht. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hebben daar toen rekening mee gehouden. Terecht heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit verband opgemerkt dat de gynaecologische klachten niet beschreven worden in de correspondentie van de Vermoeidheidkliniek en dat bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling van
22 november 2023 hiervan ook geen melding is gemaakt. De rechtbank is verder van oordeel dat de beroepsgronden niet maken dat de weigering om terug te komen op het besluit van 20 december 2023, niet evident onredelijk is.
De rechtbank heeft bij het voorgaande de nadere informatie betrokken van de gynaecoloog Al Nasser van 9 maart 2026, zoals namens [eiseres] nog in het geding gebracht. Die brief bevat vooral informatie over de mogelijke vervolgstappen in verband met de verdenking van endometriose en voor het overige dezelfde informatie zoals die naar voren komt uit de brief van Van Boven van 16 januari 2026.
Toename van beperkingen binnen vijf jaar als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak
7. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd dat er niet binnen vijf jaar na de 18e verjaardag sprake is geweest van een toename van beperkingen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak ME/CVS. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er in de bezwaarprocedure en ook in deze beroepsprocedure geen objectieve medische informatie overgelegd waar dit uit blijkt c.q. aannemelijk is gemaakt. Het feit dat [eiseres] vanwege verslechtering van haar gezondheidsklachten gestopt is met vrijwilligerswerk is onvoldoende om te spreken van een toename van beperkingen.
8. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiermee navolgbaar heeft gemotiveerd dat bij [eiseres] niet binnen vijf jaar na haar 18e verjaardag sprake is geweest van een toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak als waarmee zij op haar 18e verjaardag bekend was.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. Zij krijgt daarom het betaalde griffierecht niet terug en geen vergoeding van proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van
J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 dePro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Op grond van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong wordt de ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onder a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.