Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2185

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
ZWO 25/3267 V
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:54 AwbArt. 13 Advocatenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens ontbreken procesbelang afgewezen

Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van 16 december 2025, waarin het beroep van opposant niet-ontvankelijk werd verklaard. Het beroep richtte zich tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de deken van de Orde van Advocaten Rotterdam op een verzoek om een advocaat aan te wijzen.

De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld omdat het eindoordeel buiten redelijke twijfel stond. De rechtbank oordeelde dat de deken op 18 juli 2025 reeds een besluit had genomen, waardoor opposant geen procesbelang had bij het beroep. Opposant stelde dat de mededeling van 18 juli 2025 geen besluit was en verwees naar een besluit van 29 september 2025 waarin werd erkend dat geen besluit was genomen.

De rechtbank overwoog dat de deken als bestuursorgaan moet worden aangemerkt en dat het verzoek van opposant een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. Het besluit van 18 juli 2025 kwalificeert als een besluit in de zin van de Awb. Het verzet faalt omdat er geen twijfel bestaat over het ontbreken van procesbelang. De uitspraak van 16 december 2025 blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3267 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], uit [woonplaats], opposant [1] , hierna: [opposant],
tegen de uitspraak van de rechtbank van 16 december 2025 in het geding tussen
[opposant]
en

de deken van de Orde van Advocaten Rotterdam, de deken.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van [opposant] gaat over de uitspraak van de rechtbank van 16 december 2025 waarin de rechtbank het beroep van [opposant] niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
[opposant] heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord.
1.2.
De rechtbank heeft het verzet op 9 april 2026 op zitting behandeld. [opposant] was (met kennisgeving) niet op de zitting aanwezig. Deken mr. M.A.R.C. Padberg en mr. C.M. IJsselstein (adjunct-secretaris) waren via een digitale beeldverbinding bij de zitting aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank moet in deze verzetprocedure de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 16 december 2025 het beroep van [opposant] terecht buiten zitting heeft afgedaan, omdat zij tot het oordeel kwam dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was [2] . Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd als wel een zitting zou zijn gehouden voordat op het beroep werd beslist, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over die beslissing. Zo ja, dan is het verzet gegrond en komt de uitspraak waartegen het verzet is gericht te vervallen en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep
4. Het beroep van 5 november 2025 van [opposant] gaat erover dat de deken niet op tijd een beslissing heeft genomen.
De uitspraak van 16 december 2025
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat [opposant] beroep heeft ingesteld, omdat de deken volgens hem niet tijdig een besluit heeft genomen op zijn verzoek van 19 juni 2025 om een advocaat aan te wijzen op grond van artikel 13 van Pro de Advocatenwet. De rechtbank heeft geoordeeld dat de deken reeds voor het instellen van het beroep, op 18 juli 2025, een beslissing heeft genomen. [opposant] heeft daardoor geen (proces)belang bij een uitspraak op zijn beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De gronden van verzet
6. Volgens [opposant] is de mededeling van 18 juli 2025 geen besluit op het door hem ingediende verzoek. Dit wordt volgens [opposant] ook bevestigd door het besluit van 29 september 2025 waarin erkend is dat er geen besluit is genomen. Naar de mening van [opposant] ontbreekt een erkend genomen besluit op zijn aanvraag.
Beoordeling van het verzet
7. Artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat onder een beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. Onder een besluit wordt op grond van het eerste lid van artikel 1:3 van Pro de Awb verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudelijke een publiekrechtelijke rechtshandeling. Onder een aanvraag wordt op grond van het derde lid van artikel 1:3 van Pro de Awb verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
8. De rechtbank overweegt dat de deken moet worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van Pro de Awb. De deken is namelijk met enig openbaar gezag bekleed. De aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 van Pro de Advocatenwet heeft publiekrechtelijk rechtsgevolg. Op grond van het vierde lid van artikel 13 van Pro de Advocatenwet brengt een dergelijke aanwijzing namelijk mee dat de aangewezen advocaat verplicht is om zijn diensten te verlenen. Het door [opposant] ingediende verzoek van 19 juni 2025 om een advocaat aan te wijzen moet daarom worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Dat op grond van het bepaalde in artikel 13, derde lid, van de Advocatenwet geen bezwaar kan worden gemaakt tegen de afwijzing van een aanvraag om aanwijzing van een advocaat, doet er niet aan af dat de Awb wel van toepassing is op de behandeling van een dergelijke aanvraag.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de deken op 18 juli 2025 op het verzoek van [opposant] beslist. Dat de deken in de beslissing op bezwaar van 29 september 2025 een andere visie op de beslissing van 18 juli 2025 heeft, maakt dit niet anders. Dat besluit ligt niet ter beoordeling van de rechtbank voor. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 18 juli 2025 als besluit moet worden gekwalificeerd. Dat maakt dat buiten redelijke twijfel kon worden geoordeeld dat [opposant] geen (proces)belang heeft bij een uitspraak op zijn beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Conclusie en gevolgen

10. Het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 16 december 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Awb.