Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2158

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
12097210 \ EJ VERZ 26-29
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 3 sub e BWArt. 7:669 lid 3 sub g BWArt. 7:671b lid 1 sub a BWArt. 7:673 lid 7 sub c BWArt. 54 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen werknemer zonder transitievergoeding

De kantonrechter van de Rechtbank Overijssel heeft op 16 april 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoekster de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met verweerder vorderde. Verweerder was sinds november 2023 in dienst, maar was vanaf mei 2025 en opnieuw in november 2025 zonder bericht afwezig en onbereikbaar, ondanks pogingen van verzoekster om contact te leggen.

Verzoekster baseerde haar ontbindingsverzoek primair op verwijtbaar handelen van de werknemer (artikel 7:669 lid 3 sub e BW Pro) en subsidiair op een verstoorde arbeidsverhouding. Verweerder heeft geen verweer gevoerd en is niet verschenen bij de mondelinge behandeling.

De kantonrechter oordeelde dat het gedrag van verweerder, bestaande uit langdurige afwezigheid en het negeren van contactpogingen, ernstig verwijtbaar is en een redelijke grond vormt voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 juni 2026. Tevens is bepaald dat verzoekster geen transitievergoeding aan verweerder hoeft te betalen vanwege het ernstig verwijtbare handelen. Verweerder is veroordeeld in de proceskosten van €860,00 plus eventuele betekenkosten.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer zonder recht op transitievergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer / rekestnummer: 12097210 \ EJ VERZ 26-29
Beschikking van 16 april 2026
in de zaak van
[verzoekster] V.O.F.,
te [vestigingsplaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster],
gemachtigde: mr. N. Huberts (DAS Rechtsbijstand),
tegen
[verweerder],
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
[verzoekster] heeft bij verzoekschrift verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden.
1.2.
De mondelinge behandeling is bepaald op 2 april 2026. [verzoekster] heeft [verweerder] voor die mondelinge behandeling doen oproepen bij deurwaardersexploot van
11 maart 2026, betekend aan het parket van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij deze rechtbank. Een uittreksel van dat exploot is bekend gemaakt in de Staatscourant van
17 maart 2026, onder vermelding van de naam en het kantooradres van de deurwaarder bij wie afschrift van het exploot kan worden verkregen.
1.3.
Op 2 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens
[verzoekster] is de heer [naam] verschenen, bijgestaan door mr. N. Huberts. [verweerder] is niet verschenen. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[verweerder], geboren [geboortedatum] 1999, is sinds 1 november 2023 in dienst bij
[verzoekster], nadat hij eerst een bepaalde periode via een uitzendbureau voor [verzoekster] heeft gewerkt. De functie van [verweerder] is [functie] met een loon van € 2.549,33 bruto per maand en een arbeidsduur van 37,5 uur per week.

3.Het verzoek

3.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter om ingevolge artikel 7:671b lid 1, sub a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van (primair) artikel 7:669 lid Pro 3, sub e BW (verwijtbaar handelen door de werknemer) en subsidiair sub g (een verstoorde arbeidsverhouding). Daarnaast verzoekt zij dat de kantonrechter de einddatum van de arbeidsovereenkomst bepaalt met inachtneming van de opzegtermijn en bepaalt dat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding bij toewijzing van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de primaire grond. Ten slotte verzoekt zij dat [verweerder] veroordeeld wordt in de proceskosten.
3.2.
Aan haar verzoek heeft [verzoekster] – verkort weergegeven – de volgende omstandigheden ten grondslag gelegd. Begin mei 2025 is [verweerder] een aantal dagen niet op het werk verschenen. Hij was toen niet bereikbaar en zijn verblijfplaats was voor
[verzoekster] onbekend. Na drie dagen heeft hij contact opgenomen met [verzoekster] en zich ziekgemeld. Enige tijd daarna is hij weer aan het werk gegaan. Op maandag
3 november 2025 is [verweerder] opnieuw niet op het werk verschenen. [verzoekster] heeft op verschillende manieren (telefonisch, via Whatsapp, e-mail, aangetekende brieven, de vader en de tante van [verweerder] en de politie) geprobeerd om in contact te komen met [verweerder], maar dat is niet gelukt. [verzoekster] heeft [verweerder] op 5 november 2025 gemaild dat zijn loon per direct wordt opgeschort en hem de waarschuwing gegeven dat als hij niet voor 6 november 2025 12:00 uur contact opneemt, er disciplinaire maatregelen kunnen volgen. Ook daarop heeft [verweerder] niet gereageerd. Door het uitblijven van enige reactie van de zijde van [verweerder], handelt hij (ernstig) verwijtbaar en is de arbeidsverhouding verstoord geraakt.
3.3.
[verweerder] heeft, doordat hij niet is verschenen en geen verweerschrift heeft ingediend, geen verweer gevoerd.

4.De beoordeling

Oproeping
4.1.
De kantonrechter stelt allereerst vast dat [verweerder] behoorlijk is opgeroepen om in de procedure te verschijnen, gelet op wat volgt uit artikel 54 lid 2 van Pro het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en wat bij rechtsoverweging 1.2 is vermeld. Deze zaak zal daarom inhoudelijk behandeld worden.
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst
4.2.
[verzoekster] heeft onweersproken gesteld dat de door haar verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen verband houdt met het bestaan van enig opzegverbod, aangezien [verweerder] zich niet opnieuw ziek heeft gemeld. De kantonrechter heeft ook geen reden daarover anders te oordelen.
4.3.
[verzoekster] heeft het ontbindingsverzoek primair gegrond op artikel 7:669 lid 3 sub e BW Pro. Op grond daarvan kan een arbeidsovereenkomst worden ontbonden als sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
4.4.
[verzoekster] heeft tegen het verzoek geen verweer gevoerd. Dit betekent dat de door [verweerder] aangevoerde feiten en omstandigheden als onweersproken zijn komen vast te staan en dat daarvan in deze procedure zal worden uitgegaan. Uit de stellingen van
[verzoekster] blijkt dat [verweerder] langdurig niet op het werk is verschenen, onbereikbaar is en instructies en verzoeken van [verzoekster] negeert. Naar het oordeel van de kantonrechter valt dat gedrag van [verweerder] te kwalificeren als verwijtbaar handelen of nalaten en is sprake van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW Pro. Herplaatsing ligt daarmee niet in de rede. De kantonrechter zal daarom de arbeidsovereenkomst tussen partijen met inachtneming van de opzegtermijn ontbinden met ingang van 1 juni 2026. De subsidiaire ontbindingsgrond (de g-grond, verstoorde arbeidsverhouding) behoeft daarom geen bespreking meer.
Transitievergoeding
4.5.
Op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW Pro is de transitievergoeding niet verschuldigd als het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van
ernstigverwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. De kantonrechter is van oordeel dat het handelen van [verweerder] ernstig verwijtbaar is, aangezien hij zijn verplichtingen die volgen uit de arbeidsovereenkomst geheel niet meer nakomt. Dat betekent dat [verzoekster] geen transitievergoeding aan [verweerder] verschuldigd is.
Proceskosten
4.6.
De kantonrechter ziet aanleiding om [verweerder] in de proceskosten te veroordelen, gelet op het ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van [verweerder] dat aan de toewijzing van het ontbindingsverzoek ten grondslag ligt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 860,00 (€ 139,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2026,
5.2.
bepaalt dat [verzoekster] geen transitievergoeding aan [verweerder] verschuldigd is,
5.3.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 860,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 5.1 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.W. van Tol en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.