Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Samenvatting
Procesverloop
Bij besluit van 31 juli 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV eiser meegedeeld dat zijn arbeidsongeschiktheid is gewijzigd en thans 52,59% bedraagt. Hij krijgt vanaf 31 augustus 2023 een vervolguitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), waarbij hij is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.
Eiser heeft tegen dit besluit op 30 augustus 2023 een bezwaarschrift ingediend.
Bij arbeidskundig onderzoek is gebleken dat eiser met zijn beperkingen nog steeds dezelfde functies kan verrichten die eerder voor hem zijn geselecteerd. In deze functies kan eiser nu 52,59% minder verdienen dan zijn maatman, in dit geval een gezonde [functie] gedurende 39,77 uur per week. Met dit percentage wordt eiser ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.
Tot slot heeft eiser verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Beoordeling door de rechtbank
Hierin worden bij eiser afwijkingen gevonden op het gebied van verdelen aandacht en volhouden van aandacht, concentratie gedurende de dag en tempo.
Dat is mijns inziens zeer aannemelijk: alle gegevens overziend kan worden gesteld dat er bij betrokkene sinds het ongeval in september 2019 en tot op heden sprake is van een combinatie van aanhoudende pijnklachten, cognitieve klachten en energetische klachten. Een multidisciplinair revalidatietraject in 2020 heeft wel geleid tot meer inzicht en een betere energieverdeling, maar niet tot merkbare verbeteringen op functioneel niveau”.
Voorts heeft eiser een rapportage en een aanvullende rapportage van neuroloog Niewold overgelegd van februari en augustus 2025 waaruit aanvullende beperkingen volgen.
Gesteld noch gebleken uit het NPO is dat sprake zou zijn van aggraveren of onderpresteren. Er is daarom geen reden om op voorhand vanwege die reden de resultaten terzijde te schuiven.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat de uitkomsten van het NPO in grote lijnen consistent moeten zijn met het dagelijks functioneren van de onderzochte persoon. De rechtbank constateert dat daar sprake van is, gelet op eisers dagverhaal en de andere beschikbare medische informatie.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat gebleken is dat eiser 's ochtends aanzienlijk beter presteerde dan ’s middags tijdens het NPO. Hij stelt zich vervolgens op het standpunt dat dit niet het geval zou zijn geweest wanneer er organische schade aan het verminderde presteren ten grondslag ligt. Niewold heeft echter een andere verklaring gegeven voor dit verminderde presteren; namelijk dat door de slaapproblematiek van eiser 's nachts er overdag slaapbehoefte is en in de middag vermoeidheid ontstaat. Deze vermoeidheid wordt mede in de hand gewerkt door toenemende pijnklachten van de cervicale wervelkolom met toenemende hoofdpijnklachten, aldus Niewold. Dit komt de rechtbank niet onaannemelijk voor en is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet onderbouwd weerlegd. Er is slechts een andere mogelijkheid weergegeven. De rechtbank acht dit onvoldoende gemotiveerd.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts gesteld dat de onderzoeker in het NPO ten aanzien van de vermoeidheid en concentratie voorbij gaat aan het feit dat de belasting door het NPO onderzoek zich moeilijk laat vergelijken met de belasting in werk.
Het NPO vermeldt echter juist dat het lastig is om op basis van deze bevindingen een concrete vertaalslag te maken naar de algemene concentratiespanne in het dagelijks leven: de onderzoekssituatie is immers per definitie prikkelarm en weinig belastend wat betreft de complexe aandachtsfuncties (alleen bij specifieke tests wordt daarop een beroep gedaan maar verder is de gang van zaken rustig, gecontroleerd en duidelijk), terwijl er in zowel dé thuis- als de werksituatie vaak sprake is van drukte/meerdere prikkels tegelijk, afleiding, storing en/of onderbreking. Dit is in tegenspraak met het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De onderzoekssituatie is immers prikkelarm en desalniettemin treedt bij eiser in de middag vermoeidheid op.
De stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat vrijwel iedereen die een dergelijk onderzoek (NPO) heeft ondergaan laat weten dit als vermoeiend te hebben ervaren wordt ook daarom niet zonder nadere onderbouwing gevolgd.
Gelet op het eigen onderzoek van Niewold, de beschikbare medische informatie, het dagverhaal van eiser en de bevindingen uit het NPO is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen urenbeperking is aangenomen.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.E.G.M. ten Kate, griffier.