Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2141

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
08.045903-26 en 03.220565-25 (vnvv) (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor vijf winkeldiefstallen met gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Overijssel heeft op 14 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van vijf winkeldiefstallen in Deventer. De feiten vonden plaats op 18, 26, 28 en 29 december 2025 en 9 januari 2026, waarbij goederen zoals kaas, koffiebonen, vlees en wasmiddel werden weggenomen uit verschillende supermarkten.

Verdachte heeft de feiten bekend en de rechtbank achtte deze wettig en overtuigend bewezen op basis van bekentenissen, aangifteprocessen-verbaal en verklaringen van aangevers. De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.

De strafbaarheid van de feiten is vastgesteld op grond van artikel 310 Sr Pro (diefstal). Verdachte heeft een uitgebreid strafblad met meerdere veroordelingen voor vermogensdelicten en is een veelpleger met problematiek op het gebied van verslaving, psychische stoornissen en een matige verstandelijke beperking. Ondanks eerdere onvoorwaardelijke ISD-maatregelen is er geen gedragsverbetering opgetreden, maar verdachte toont nu motivatie voor behandeling.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van zes maanden op, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, gekoppeld aan strikte voorwaarden en toezicht door de reclassering. Tevens werd de tenuitvoerlegging bevolen van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden wegens nieuwe feiten tijdens de proeftijd.

De voorwaarden omvatten onder meer behandeling voor psychosociale en verslavingsproblematiek, begeleid wonen, dagbesteding, schuldhulpverlening en controle op middelengebruik. De reclassering is belast met toezicht en begeleiding om recidive te voorkomen en gedragsverbetering te bevorderen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf is bevolen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummers: 08.045903-26 en 03.220565-25 (vnvv) (P)
Datum vonnis: 14 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,
verblijvende in [verblijfplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.M. Rus, advocaat in Maastricht, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en bondig weergeven, op neer dat verdachte zich op 18, 26, 28 en 29 december 2025 en op 9 januari 2026 in Deventer schuldig heeft gemaakt aan een winkeldiefstallen bij [winkel 1] en [winkel 2] .
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1hij op of omstreeks 28 december 2025 te Deventer twee stuks kaas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 1] B.V. ( [adres winkel 1] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 2hij op of omstreeks 18 december 2025 te Deventer twee zakken koffiebonen ( [merk koffie] ), in elk geval enig (winkel)goed, dat/die geheel of ten dele aan supermarkt [winkel 2] ( [adres winkel 2] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; (2025 611752);
feit 3hij op of omstreeks 26 december 2025, in elk geval in of omstreeks de periode van 24 december 2025 tot en met 28 december 2025 te Deventer vier, althans een of meer stuks vlees, in elk geval enig (winkel)goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 1] B.V. ( [adres winkel 1] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; (2025 626759);
feit 4hij op of omstreeks 29 december 2025 te Deventer wasmiddel ( [merk wasmiddel] ), in elk geval enig (winkel)goed, dat/die geheel of ten dele aan supermarkt [winkel 2] ( [adres winkel 2] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; (2025 629814);
feit 5hij op of omstreeks 9 januari 2026 te Deventer wasmiddel ( [merk wasmiddel] ), in elk geval enig (winkel)goed, dat/die geheel of ten dele aan Supermarkt [winkel 3] ( [adres winkel 3] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; (2026 012985).

3.De bewijsmotivering

3.1
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen [1] komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten bekend en door verdachte of zijn raadsvrouw is geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal - overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering - met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen volstaan:
feit 1
de (bekennende) verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek op de zitting van 31 maart 2026;
het proces-verbaal van aangifte door [naam 1] namens [winkel 1] B.V. van 12 januari 2026, pagina’s 87 en 88, inclusief de als bijlage gevoegde verklaring van aangever, pagina 90;
feit 2
de (bekennende) verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek op de zitting van 31 maart 2026;
het proces-verbaal van aangifte door [naam 2] namens [winkel 2] van
18 december 2025, pagina’s 9 en 10;
feit 3
de (bekennende) verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek op de zitting van 31 maart 2026;
het proces-verbaal van aangifte door [naam 1] namens [winkel 1] B.V. van 28 december 2025, pagina’s 32 en 33;
feit 4
de (bekennende) verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek op de zitting van 31 maart 2026;
het proces-verbaal van aangifte door [naam 3] namens [winkel 2] van 30 december 2025, pagina’s 48 en 49;
feit 5
de (bekennende) verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek op de zitting van 31 maart 2026;
het proces-verbaal van aangifte door [naam 4] namens [winkel 3] van
9 januari 2026, pagina’s 71 en 72;
3. het proces-verbaal van bevindingen van 13 februari 2025, pagina 85.
3.2
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de inhoud van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:
feit 1hij op 28 december 2025 te Deventer twee stuks kaas, die geheel aan [winkel 1] B.V. ( [adres winkel 1] ) toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 2hij op 18 december 2025 te Deventer twee zakken koffiebonen ( [merk koffie] ), die geheel aan supermarkt [winkel 2] ( [adres winkel 2] ) toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 3hij op 26 december 2025te Deventer vier stuks vlees, die geheel aan [winkel 1] B.V. ( [adres winkel 1] ) toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 4hij op 29 december 2025 te Deventer wasmiddel ( [merk wasmiddel] ), dat aan supermarkt [winkel 2] ( [adres winkel 2] ) toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 5hij op 9 januari 2026 te Deventer wasmiddel ( [merk wasmiddel] ), dat geheel aan [winkel 3] ( [adres winkel 3] ) toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 310 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5
het misdrijf:
diefstal.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat aan verdachte de maatregel wordt opgelegd van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit dat aan verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd en dat daarbij de door de reclassering geadviseerde voorwaarden worden opgelegd.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank vindt daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van de gepleegde feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf winkeldiefstallen. Door zijn handelen heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander. Winkeldiefstallen veroorzaken niet alleen hinder en (financiële) schade voor de betrokken winkeliers, maar brengen ook onrust mee voor het winkelend publiek.
De persoon van verdachte
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 26 februari 2026. Hieruit volgt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor vermogensdelicten, in het bijzonder winkeldiefstallen. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 30 maart 2026, de door de reclasseringswerker [reclasseringswerker] op de zitting gegeven toelichting op het advies en op wat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard.
Verdachte is een zeer actieve veelpleger en er zijn grote zorgen rondom hem. Hij heeft geen huisvesting, structurele dagbesteding en steunend netwerk. Verdachte ontvangt een Wajonguitkering, maar zijn financiële situatie is wegens schulden problematisch. Hij kampt met forse verslavingsproblematiek, evenals psychische problematiek. Bij verdachte is sprake van een matige verstandelijke beperking, een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken, ADHD en een stoornis in het gebruik van cannabis en cocaïne. Aan verdachte is in het verleden driemaal eerder een onvoorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd. Dit heeft niet tot een positieve gedragsverandering van verdachte geleid. Bovendien heeft toezicht en begeleiding van de reclassering in het verleden evenmin een positieve uitwerking gehad op het leven van verdachte. Een gebrek aan motivatie van verdachte lag daaraan ten grondslag. Op dit moment lijkt verdachte echter open te staan voor hulp. Hij wil niet alleen praktische hulp krijgen maar zegt ook gemotiveerd te zijn voor een behandeling gericht op zijn psychosociaal functioneren. Ook zeg hij te willen stoppen met het gebruik van drugs. Verdachte wil zijn leven op de rit proberen te krijgen en heeft op dit moment vertrouwen in een goede samenwerking met de reclassering. De reclassering wil verdachte daarom een kans bieden, door middel van een strikt voorwaardelijk kader met bijzondere voorwaarden.
De strafoplegging
Hoewel de oplegging van een ISD-maatregel naar het oordeel van de rechtbank in beginsel op zijn plaats is, is een doel van de ISD-maatregel ook de samenleving voor een periode te behoeden voor verder overlastgevend en strafbaar gedrag van verdachte. Omdat verdachte anders dan voorheen nu wel gemotiveerd zegt te zijn om in samenwerking met de reclassering zijn gedrag in positieve zin te beteren, zal de rechtbank verdachte die gelegenheid geven. Het is immers zowel in het belang van verdachte als in het belang van de samenleving dat verdachte in de toekomst geen strafbare feiten meer pleegt.
De rechtbank vindt het, alles afwegend, passend en geboden om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Om zoveel mogelijk te voorkomen dat verdachte in te toekomst weer de fout ingaat en hem daarbij de benodigde hulp te geven, zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden koppelen. Als verdachte tijdens de proeftijd een strafbaar feit pleegt of de andere voorwaarden niet naleeft, moet hij alsnog naar de gevangenis. De rechtbank zal de reclassering opdragen toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

7.De vordering tot tenuitvoerlegging (met parketnummer 03.220565-25)

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van een aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Het gaat om een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden die de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg op 28 november 2025 aan hem heeft opgelegd.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de vordering van de officier van justitie af te wijzen, dan wel de bijzondere voorwaarden die aan de voorwaardelijke straf zijn gekoppeld te wijzigen in de voorwaarden die de reclassering in haar rapport van 30 maart 2025 heeft geadviseerd, dan wel de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie toewijzen. Verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd opnieuw aan strafbare feiten (winkeldiefstallen) schuldig gemaakt. De consequentie daarvan is dat hij de voorwaardelijke gevangenisstraf alsnog moet ondergaan.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 310 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5
het misdrijf:
diefstal;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte van 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte (zich) gedurende de proeftijd (of zoveel korter als de reclassering nodig vindt):
  • meldt bij de reclassering op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zolang deze instelling dat nodig vindt;
  • zich (ambulant) laat behandelen door Transfore, Trajectum of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is gericht op het psychosociaal functioneren, de traumaverwerking en/of verslavingsproblematiek.
De zorgverlener bepaalt de wijze van de behandeling. Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen (en huisregels) die hem in het kader van de behandeling door of namens de zorgverlener worden gegeven. Gelet op de problematiek van verdachte kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dit nodig vindt.
Indien de reclassering dit nodig vindt, kan zij een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie of stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat verdachte zich, na goedkeuring door een rechter, opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;
  • verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering en indien de reclassering dit nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen (en huisregels) die hem in het kader van dit verblijf door of namens de instelling (en die in overleg met de reclassering zijn opgesteld) worden gegeven;
  • een (door de reclassering te bepalen) zinvolle dagbesteding heeft in de vorm van (on)betaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur;
  • meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit de medewerking aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen inhoudt. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
  • meewerkt aan controle op het gebruik van alcohol en/of drugs door middel van een urineonderzoek, een ademonderzoek (blaastest) en/of een speekseltest om het (eventueel) middelengebruik te beheersen. De reclassering bepaalt wanneer en hoe vaak wordt gecontroleerd. Dit kunnen zowel aangekondigde als onaangekondigde controles zijn;
- draagt de reclassering op om
toezichtte houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk wordt aan de opgelegde onvoorwaardelijke straf;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (met parketnummer 03.220565-25)

- beveelt de
tenuitvoerleggingvan een
gevangenisstrafvan
2 (twee) maandendie de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg bij vonnis van 28 november 2025 aan verdachte voorwaardelijk heeft opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. ter Riet, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar documenten/dossierpagina’s zijn dit documenten of (de doorgenummerde) pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, met zaaksregistratienummer PL0600-2026009868 van 13 februari 2026. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.