10.De beslissing
- verklaart niet bewezen dat [verdachte] het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart bewezen dat [verdachte] het onder feit 1 subsidiair, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 5 en feit 6 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders onder feit 1 subsidiair, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 5 en feit 6 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 4, feit 5 en feit 6:
de eendaadse samenloop van de misdrijven:
telkens: mishandeling (feit 1 subsidiair, feit 4 en feit 5);
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft (feit 6);
Ten aanzien van feit 3 subsidiair en feit 6:
de eendaadse samenloop van de misdrijven:
medeplegen van poging tot zware mishandeling (feit 3 subsidiair);
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft (feit 6);
strafbaarheid [verdachte]
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder feit 1 subsidiair, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 5 en feit 6 bewezen verklaarde;
- veroordeelt [verdachte] tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien [verdachte] voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen dat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien [verdachte] gedurende de proeftijd de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardendat [verdachte]:
- zich meldt binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij de Reclassering Nederland op het adres Molenstraat 50, 7541 BK in Enschede. [verdachte] blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken;
- zich ambulant laat behandelen door JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. [verdachte] houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- geen alcohol gebruikt, zolang de reclassering dat nodig vindt, en meewerkt aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak [verdachte] wordt gecontroleerd;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met de medeverdachte en de slachtoffers zoekt, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat [verdachte]:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1](feit 1 subsidiair en feit 6) toe tot een bedrag van € 1.635,00 bestaande uit € 385,00 materiële schade en
€ 1.250,00 immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 1](feit 1 subsidiair en feit 6) van een bedrag van € 1.635,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025, voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van het onder feit 1 subsidiair en feit 6 bewezenverklaarde tot
hoofdelijke betalingaan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 1.635,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
16 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 3](feit 3 subsidiair en feit 6) toe tot een bedrag van € 760,00 bestaande uit € 10,00 materiële schade en € 750,00 immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 3](feit 3 subsidiair en feit 6) van een bedrag van € 760,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025, voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van het onder feit 3 subsidiair en feit 6 bewezenverklaarde tot
hoofdelijke betalingaan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 760,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
7 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 5](feit 4 en feit 6) toe tot een bedrag van € 1.431,81 bestaande uit € 431,81 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 5]
(feit 4 en feit 6) van een bedrag van € 1.431,81 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025, voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van het onder feit 4 en feit 6 bewezenverklaarde tot
hoofdelijke betalingaan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 1.431,81, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
14 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 4](feit 5 en feit 6) toe tot een bedrag van € 750,00 bestaande uit immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 4](feit 5 en feit 6) van een bedrag van € 750,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025, voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van het onder feit 5 en feit 6 bewezenverklaarde tot
hoofdelijke betalingaan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
7 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2](feit 6) toe tot een bedrag van
€ 500,00 bestaande uit immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 2](feit 6) van een bedrag van € 500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025, voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van het onder feit 6 bewezenverklaarde tot
hoofdelijke betalingaan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
5 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 08-020538-23
- beveelt de
tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van de politierechter van 8 mei 2023 voorwaardelijk opgelegde
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) weken;
tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 84-368232-24
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. J. Wentink en
mr. A.F. Germs-de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
Mr. Kuiper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025456353. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 januari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte], zakelijk weergegeven:
Ik was op 21 september 2025 samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij het Twentse wijnfeest in [plaats]. Het klopt dat ik de man met de rode blouse ben waar steeds over wordt gesproken.
Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 1] van verbalisant [verbalisant] van 22 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 182:
V: Ik wil je confronteren met een getuigenverklaring. Daarin wordt het volgende omschreven. Persoon 1: witte broek, zwart shirt.
V: Het signalement komt overeen met jou. Herken je je hierin?
A: Ja.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 9-12:
Plaats delict: [adres], [plaats]
Pleegdatum: 21 september 2025
Ik ben door de grote man met een rood shirt opzettelijk met de vuist hard in mijn gezicht geslagen. Ik ben door de eerste vuistslag op de grond komen te liggen. Op het moment dat ik op de grond lag ben ik door dezelfde man hard geschopt en nogmaals opzettelijk met de vuist hard geslagen. Ik ben toen ik op de grond lag door de andere man, de slankere man met een wit shirt, opzettelijk hard op mijn bovenlichaam, de rug geschopt. Na de vuistslag voelde ik direct erge pijn aan mijn linker kaak. Ik heb een glip boven op mijn hoofd. Ik had ook aan beide kanten mijn kaken heel veel pijn.
Ik zag dat mijn moeder (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) van de grote man met het rode shirt een vuistslag in haar gezicht kreeg.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 13-16:
Wij waren op een wijnfeest in [plaats]. Toen het feest was afgelopen, dit was 21 september 2025, liepen wij naar buiten. We fietsten langs een groep. Deze groep mannen. Man 1: grote, forse kerel met rode blouse. Man 2: zwart shirt en witte broek. Ik ben geslagen. Ik viel op mijn knieën. Ik stond op en voelde dat ik bloed had. In het ziekenhuis hebben ze vastgesteld dat mijn neus gebroken is.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 17-19:
Pleegdatum: 21 september 2025
Wij waren op een wijnfeest in [plaats]. Ik denk dat ik ben geslagen. Ik weet nog dat ze op mij aan het trappen waren, terwijl ik op de grond lag. Op twee plekken op mijn hoofd voelt het beurs. Op mijn wang en in de buurt van mijn slaap. Ik denk dat ik achterover ben gevallen. Ik heb namelijk erg last van mijn stuitje en mijn rechterelleboog. Hier zit een schaafplek.
6.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 25-28:
Op 20 september 2025 ben ik met een groep naar het wijnfeest aan de [adres] in [plaats] geweest. Omstreeks middernacht wilden wij naar huis gaan. Er was een man met witte broek en donker shirt. Bij de uitgang ontstond een discussie met mannen. Het waren de twee eerder genoemde mannen en een hele grote man met een rood shirt. Ik kreeg een hele harde vuistslag in mijn gezicht door deze grote man. Ik ging hard onderuit. Ik viel over een fiets. Ik zag toen dat er een kleinere man met een zwart shirt en donkere broek op mij af kwam en ik voelde dat ik van opzij een harde klap op mijn nek van deze man kreeg. Dit was een vuistslag die erg pijn deed. Ik viel weer op de grond en vervolgens zag ik een andere man met een witte broek die mij hard opzettelijk in mijn zij schopte. Het waren drie mannen. Ik heb schade aan mijn tanden.
Een geschrift, te weten het verzoek tot schadevergoeding, met bijlagen, van [slachtoffer 4]
van 22 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
11.1.Letsel en behandelingen
Mevrouw [slachtoffer 4] heeft als gevolg van het geweldsincident het volgende letsel opgelopen: rugklachten, blauwe plekken en kneuzingen rechterkaak, stijve nek en kneuzing rechterenkel.
8.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 39-42:
Op 21 september 2025 was ik aanwezig bij het Twentse Wijnfeest in [plaats] aan de [adres]. Ik zag op het terrein een drietal mannen staan. Persoon 1: witte broek, zwart shirt. Persoon 2: rood shirt, dik postuur, kaal/kalend. Persoon 3: zwart shirt, kort blond haar,
Ik zag dat de fietsende vrouw en man stil stonden. Ik zag dat persoon 1 zijn rechter vuist balde en direct op de fietsende man afliep en een vuistslag maakte in het gezicht van de fietsende man. Ik zag dat persoon 1 het gezicht van de fietsende man ook raakte. Ik zag dat de fietsende man hierdoor in onbalans kwam. Het leek alsof de fietsende man als gevolg van de vuistslagen achterover viel, maar omdat meerdere andere fietsers waren aangesloten achter hem, viel hij maar half. Ik zag dat ook persoon 2 en 3 waren aangesloten bij persoon 1. Ik zag op dat moment persoon 1 een man van achteren aanvallen. Ik zag dat persoon 1 deze man met vuistslagen raakte en dat deze man als gevolg hiervan op de grond terecht kwam. Ik zag dat meerdere mensen uit het groepje fietsers geraakt werden door vuistslagen en armen van personen 1, 2 en 3. De man, die als gevolg van de aanval van persoon 1 op de grond gerecht gekomen was, werd door persoon 2 getrapt. Ik zag dat tegelijkertijd persoon 1 deze man tegen zijn lichaam aan het trappen was. Ik zag dat de man weerloos op de grond lag.
9.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 43-44:
Ik was aanwezig op het Twents Wijnfeest aan de [adres] in [plaats]. Op 21 september 2025 verliet ik het feest. Ik zag dat twee mannen ruzie aan het maken waren. Man 2: donker kort haar, donker shirt, witte broek. Ik zag dat persoon 2 insloeg op [slachtoffer 2]. Daarna kreeg hij schoppen.
10.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 19 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
(De rechtbank constateert dat steeds “[slachtoffer 3]” staat vermeld, maar begrijpt dat dit moet zijn: “[slachtoffer 3]”).
Verdachte 1 [medeverdachte 1] witte broek, zwart shirt donker haar.
Ik zie dat hij twee keer een schoppende beweging maakt naar [slachtoffer 3] die op de grond ligt. Ik zie dat hij nog een keer [slachtoffer 3] schopt. Ik zie dat hij tussen de groep doorloopt en [slachtoffer 5] tegen zijn rug schopt.
Verdachte 2 [verdachte] rood shirt, gezet, kaal.
Ik zie dat hij [slachtoffer 5] met zijn linkerarm slaat, waardoor [slachtoffer 5] over de geparkeerde fietsen valt. Ik zie dat hij [slachtoffer 3] probeert vast te pakken, deze valt op de grond. Ik zie dat verdachte hem schopt met zijn rechterbeen. Ik zie dat [slachtoffer 3] overeind komt en dat verdachte hem slaat met zijn rechterarm.
Verdachte 3 [medeverdachte 2] blauwe broek, zwart shirt, donkerblond/bruin haar.
Ik zie dat hij [slachtoffer 5] slaat met zijn rechterarm.
[slachtoffer 5] :
Ik zie dat verdachte [medeverdachte 1] hem slaat met zijn rechterarm. Ik zie dat [slachtoffer 5] op staat en zijn arm omhoog doet. Ik zie dat verdachte [medeverdachte 2] hem slaat met zijn rechterarm. Ik zie dat verdachte [verdachte] 2 keer, 1 keer met links en 1 keer met rechts slaat. Ik zie dat [slachtoffer 5] op de grond valt en dat verdachte [medeverdachte 1] hem schopt.
[slachtoffer 4] [slachtoffer 5]:
Ik zie dat verdachte [verdachte] haar slaat met zijn linkerarm. Ik zie dat ze op de grond valt.
[slachtoffer 1] :
Ik zie dat zij een klap krijgt van verdachte [verdachte]. Hij slaat met zijn linkerarm. Ik zie dat ze op haar knieën op de grond terecht komt.
[slachtoffer 3]:
Ik zie dat verdachte [verdachte] hem probeert vast te pakken maar [slachtoffer 3] valt op de grond. Verdachte [verdachte] schopt hem met zijn rechtervoet terwijl hij op de grond ligt. Ik zie dat verdachte [medeverdachte 1] met zijn rechterbeen twee keer schopt. Ik zie dat verdachte [medeverdachte 1] nog een keer schopt.