ECLI:NL:RBOVE:2026:209

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
08-249203-25, 08-020538-23 (tul) en 84-368232-24 (tul) (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor geweldsdelicten na vechtpartij tijdens wijnfeest

Op 20 januari 2026 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die betrokken was bij een vechtpartij op 21 september 2025 tijdens een wijnfeest in [plaats]. De verdachte is schuldig bevonden aan meerdere geweldsdelicten, waaronder mishandeling en openlijk geweld. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, onder invloed van alcohol, samen met medeverdachten geweld heeft gepleegd tegen verschillende slachtoffers, waaronder [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, en heeft hem verplicht om zich te melden bij de reclassering. De rechtbank heeft ook schadevergoedingen toegewezen aan de slachtoffers, die als gevolg van het geweld lichamelijk letsel hebben opgelopen. De rechtbank heeft de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers zwaar meegewogen in de strafoplegging. De verdachte had eerder soortgelijke veroordelingen en bevond zich nog in een proeftijd, wat de rechtbank als strafverzwarend heeft aangemerkt.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummers: 08-249203-25, 08-020538-23 (tul) en 84-368232-24 (tul) (P)
Datum vonnis: 20 januari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
6 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J. Michels, advocaat in Oldenzaal, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de door [slachtoffer 1] , mede namens [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens hen door mr. B. Pernot, advocaat in Wijchen, is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op
21 september 2025 in [plaats]:
feit 1:(primair) heeft geprobeerd [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel (subsidiair) [slachtoffer 1] heeft mishandeld;
feit 2:[slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) heeft mishandeld;
feit 3:(primair) samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3]) van het leven te beroven, dan wel (subsidiair) heeft geprobeerd [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel (meer subsidiair) [slachtoffer 3] heeft mishandeld;
feit 4:[slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5]) heeft mishandeld;
feit 5:[slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4]) heeft mishandeld;
feit 6:openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4], met zwaar dan wel enig lichamelijk letsel als gevolg.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1] (onverhoeds) (met kracht) met gebalde vuist, althans met de hand, tegen het gezicht/de neus te stompen/slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats] [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] (onverhoeds) (met kracht) met gebalde vuist, althans met de hand, tegen het gezicht/de neus te stompen/slaan;
2
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats] [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] (meermalen) (met kracht) met gebalde vuist, althans met de hand, tegen het gezicht/het hoofd te stompen/slaan, waardoor die [slachtoffer 2] ten val is gekomen;
3
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats], tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1], althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of medeverdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 3], van het leven te beroven die [slachtoffer 3]
- ( meermalen) (met kracht) met gebalde vuist, althans met de hand, tegen het gezicht/het hoofd te stompen/slaan, waardoor die [slachtoffer 3] ten val kwam en/of
- ( vervolgens) - terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag - (met kracht) met geschoeide voet tegen het hoofd te schoppen en/of
- ( vervolgens) (meermalen) – terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag – (met kracht) met geschoeide voet tegen de rug, althans het lichaam te schoppen en/of
- ( vervolgens) – terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag – (met kracht) met gebalde vuist, althans met de hand, tegen het gezicht/het hoofd te stompen/slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats], tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1], ter uitvoering van het door verdachte en/of medeverdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 3]
- ( meermalen) (met kracht) met gebalde vuist, althans met de hand, tegen het gezicht/het hoofd te stompen/slaan, waardoor die [slachtoffer 3] ten val kwam en/of
- ( vervolgens) - terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag - (met kracht) met geschoeide voet tegen het hoofd te schoppen en/of
- ( vervolgens) (meermalen) – terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag – (met kracht) met geschoeide voet tegen de rug, althans het lichaam te schoppen en/of
- ( vervolgens) – terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag – (met kracht) met gebalde vuist, althans met de hand, tegen het gezicht/het hoofd te stompen/slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats], tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1], [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3]
- ( meermalen) (met kracht) met gebalde vuist, althans met de hand, tegen het gezicht/het hoofd te stompen/slaan, waardoor die [slachtoffer 3] ten val kwam en/of
- ( vervolgens) - terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag - (met kracht) met geschoeide voet tegen het hoofd te schoppen en/of
- ( vervolgens) (meermalen) – terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag – (met kracht) met geschoeide voet tegen de rug, althans het lichaam te schoppen en/of
- ( vervolgens) – terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag – (met kracht) met gebalde vuist, althans met de hand, tegen het gezicht/het hoofd te stompen/slaan;
4
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats] [slachtoffer 5] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5]
- (( met kracht)) te duwen, waardoor die [slachtoffer 5] ten val kwam en/of
- ( vervolgens) ((met kracht)) met gebalde vuist, althans met de hand, tegen het gezicht/het hoofd te stompen/slaan, waarna die [slachtoffer 5] (opnieuw) ten val kwam;
5
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats] [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] (met kracht) met gebalde vuist, althans met de hand, tegen het gezicht/het hoofd te stompen/slaan, waarna die [slachtoffer 4] ten val kwam;
6
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats] op de openbare weg te weten de [adres], in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 4], welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit (telkens)
- het (meermalen) (met kracht) duwen tegen het lichaam van voornoemd persoon/voornoemde personen en/of
- het (meermalen) (met kracht) met gebalde vuist, althans met de hand stompen/slaan op het gezicht en/of het lichaam van voornoemd persoon/voornoemde personen en/of
- het (meermalen) (met kracht) met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemd persoon/voornoemde personen, terwijl het door verdachte gepleegde geweld zwaar, in elk geval enig lichamelijk letsel ten gevolge had voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 4].

3.De bewijsmotivering

3.1
Inleiding
Op 21 september 2025 vond in [plaats] een vechtpartij plaats waarbij verdachte [verdachte] een van de betrokkenen was. Het voorval is door een omstander gefilmd. [verdachte] heeft verklaard dat hij zich door zijn alcoholgebruik die avond niet alles van het voorval kan herinneren, maar heeft wel erkend zichzelf op de beelden te herkennen als één van de mannen die geweldshandelingen verricht.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] van het onder feit 3 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 5 en feit 6 ten laste gelegde acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 primair ten laste gelegde. Met betrekking tot het onder feit 1 subsidiair, feit 3 subsidiair, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Dit geldt eveneens voor het onder feit 6 ten laste gelegde, met dien verstande dat door de raadsman vrijspraak is bepleit voor het bestanddeel “zwaar lichamelijk letsel”.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
Relevante feiten en omstandigheden
Op basis van de inhoud van het dossier en van wat op de terechtzitting is besproken stelt de rechtbank het volgende vast.
In de nacht van 20 op 21 september 2025 vond een feest plaats aan de [adres] in [plaats]. [verdachte], medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] waren daarbij aanwezig. Ook [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] bezochten die avond dat feest en maakten deel uit van een groep. Bij het verlaten van het feest op 21 september 2025 ontstond bij de uitgang onenigheid tussen een aantal personen uit deze groep en (een van) de drie genoemde mannen. Kort daarna is een vechtpartij ontstaan. Hierbij heeft [verdachte] [slachtoffer 1] een harde vuistslag op haar neus gegeven. Voorts heeft hij [slachtoffer 5] met kracht in het gezicht gestompt en geslagen, waardoor [slachtoffer 5] is gevallen. [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer 5] ook geslagen en hem, terwijl hij op de grond lag, geschopt. Tot slot is [slachtoffer 5] door [medeverdachte 2] geslagen. [slachtoffer 4] is door [verdachte] met kracht in haar gezicht geslagen en is als gevolg daarvan op de grond gevallen. [slachtoffer 3] heeft van [verdachte] een harde stomp tegen het hoofd gekregen, waarna ook hij op de grond is gevallen. Zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] hebben [slachtoffer 3], terwijl hij op de grond lag, meerdere keren geschopt en [verdachte] heeft [slachtoffer 3] daarbij tevens tegen het lichaam geslagen. Ook [slachtoffer 2] is tijdens de vechtpartij geslagen en geschopt.
Als gevolg van het geweld heeft -onder meer- [slachtoffer 1] een gebroken neus, wonden in het gelaat en een hersenschudding, [slachtoffer 5] schade aan zijn tanden en kneuzingen en [slachtoffer 3] een hoofdwond en blauwe plekken en kneuzingen opgelopen. [slachtoffer 2] heeft, naast een schaafwond, pijn aan zijn stuitje, rechterelleboog en hoofd ondervonden. [slachtoffer 4] heeft rug- en nekpijn ondervonden en blauwe plekken en kneuzingen aan haar kaak en enkel opgelopen.
Overwegingen
- feit 2
De rechtbank overweegt dat, hoewel kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 2] letsel heeft opgelopen, op basis van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat dit als gevolg van stompen en/of slaan door [verdachte] is veroorzaakt, zodat hij van dit feit zal worden vrijgesproken.
- feit 1
De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] [slachtoffer 1] een harde vuistslag op haar neus heeft gegeven. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is hoe die gedraging juridisch moet worden gekwalificeerd. Hierbij gaat het in de eerste plaats om de vraag of [verdachte] het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] vol opzet daarop had. Van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van dit zwaar lichamelijk letsel is evenmin sprake.
De rechtbank is van oordeel dat de kans op zwaar lichamelijk letsel door het geven van één vuistslag in het gezicht op de wijze waarop [verdachte] dit heeft gedaan, niet aanmerkelijk is te noemen. Uit het dossier volgt immers niet met welke kracht en gerichtheid door [verdachte] is gestompt. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat [verdachte] door het geven van de vuistslag bewust de kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, zodat de rechtbank hem van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling zal vrijspreken. De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen.
- feit 3
De rechtbank acht bewezen dat [slachtoffer 3] tegen zijn hoofd is gestompt en dat hij, terwijl hij op de grond lag, meerdere keren is geschopt door [verdachte] en [medeverdachte 1]. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is hoe die gedraging juridisch moet worden gekwalificeerd. Hierbij gaat het in de eerste plaats om de vraag of [verdachte] het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van [slachtoffer 3]. De rechtbank acht dit, net zoals de officier van justitie en de raadsman, niet bewezen. De rechtbank zal [verdachte] daarom van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag vrijspreken. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of [verdachte] het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad om [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] vol opzet daarop had. De rechtbank is van oordeel dat wel sprake is van voorwaardelijk opzet en overweegt hierover als volgt.
[slachtoffer 3] is tegen zijn hoofd gestompt en (meermalen) tegen zijn lichaam geschopt en geslagen, terwijl hij op de grond lag. Hierdoor bestond naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben [slachtoffer 3] terwijl hij weerloos op de grond lag en dus extra kwetsbaar was, meermalen geschopt en eenmaal geslagen tegen het lichaam. Deze gedragingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat verdachten willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust hebben aanvaard. De rechtbank is verder van oordeel dat [verdachte] het geweld tegen [slachtoffer 3] in voldoende nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] heeft toegepast. Zij hebben immers in elkaars bijzijn afwisselend geweld gebruikt tegen [slachtoffer 3].
De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
- feit 4 en feit 5
De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] [slachtoffer 5] met kracht in het gezicht heeft gestompt en [slachtoffer 4] met kracht in haar gezicht heeft geslagen. De rechtbank acht de onder feit 4 en 5 ten laste gelegde mishandeling van respectievelijk [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] wettig en overtuigend bewezen.
- feit 6
De rechtbank is, onder verwijzing naar het hiervoor overwogene, van oordeel dat kan worden bewezen dat [verdachte] en diens medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen, op de openbare weg, geweld hebben gepleegd tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] als gevolg waarvan zij enig lichamelijk letsel hebben opgelopen. De rechtbank acht de onder feit 6 ten laste gelegde openlijke geweldpleging dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1. subsidiair
hij op 21 september 2025 te [plaats] [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] onverhoeds met kracht met gebalde vuist tegen de neus te stompen;
3. subsidiair
hij op 21 september 2025 te [plaats], tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1], ter uitvoering van het door verdachte en medeverdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 3]
- ( met kracht) met gebalde vuist tegen het hoofd te stompen, waardoor die [slachtoffer 3] ten val kwam en
- vervolgens meermalen – terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag – met kracht met geschoeide voet tegen het lichaam te schoppen en
- vervolgens – terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag – hem met kracht met gebalde vuist te stompen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4.
hij op 21 september 2025 te [plaats] [slachtoffer 5] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5]
- met kracht met gebalde vuist tegen het gezicht te stompen, waarna die [slachtoffer 5] ten val kwam;
5.
hij op 21 september 2025 te [plaats] [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] met kracht met de hand, tegen het gezicht te slaan, waarna die [slachtoffer 4] ten val kwam;
6.
hij op 21 september 2025 te [plaats] op de openbare weg te weten de [adres], in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4], welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit (telkens)
- het (meermalen) (met kracht) met gebalde vuist/de hand stompen/slaan op het gezicht en/of het lichaam van voornoemde personen en/of
- het (meermalen) (met kracht) met geschoeide voet schoppen tegen het lichaam van twee van de voornoemde personen,
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4].
De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 47, 141, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 4, feit 5 en feit 6:
de eendaadse samenloop van de misdrijven:
telkens: mishandeling (feit 1 subsidiair, feit 4 en feit 5);
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft (feit 6);
Ten aanzien van feit 3 subsidiair en feit 6:
de eendaadse samenloop van de misdrijven:
medeplegen van poging tot zware mishandeling (feit 3 subsidiair);
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft (feit 6).

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd [verdachte] te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd daarvan een gedeelte van drie maanden voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd. Tot slot heeft de officier van justitie opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van [verdachte] gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan [verdachte] een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen waarvan 195 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht op te leggen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte] zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich onder invloed van alcohol samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan ernstig en zinloos geweld na afloop van het Twentse wijnfeest. Op het moment van het geweldsincident waren veel omstanders aanwezig die hebben moeten zien hoe door de verdachten plotseling hevig geweld werd uitgeoefend tegen de verschillende slachtoffers, waaronder slaan met de vuist en schoppen, ook terwijl één van de slachtoffers op de grond lag. [verdachte] en zijn medeverdachten hebben met dit forse geweld op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Voor hen is deze situatie zeer dreigend en beangstigend geweest. Uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring volgt dat de slachtoffers door het geweldsincident aanzienlijk zijn getroffen en dat dit incident bij hen niet alleen fysieke, maar ook psychische gevolgen heeft veroorzaakt. Zij hebben hun gevoel van veiligheid verloren en zijn sindsdien extra waakzaam. Het tegen hen gebruikte plotselinge geweld, leidt nog altijd tot een sterk gevoel van onbegrip, boosheid en verdriet. Door dit uitgaansgeweld worden bovendien de gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroot. De rechtbank rekent dit alles [verdachte] zwaar aan.
Persoon van [verdachte]
De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van [verdachte] van 5 december 2025. Hieruit volgt dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke misdrijven. Op 8 mei 2023 is [verdachte] door de politierechter veroordeeld wegens onder meer vier mishandelingen (uitgaansgeweld) tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf weken met een proeftijd van drie jaren. [verdachte] liep ten tijde van de onderhavige feiten dus nog in een proeftijd. Hij was om die reden gewaarschuwd, maar heeft desondanks opnieuw geweldsdelicten (tijdens het uitgaan) gepleegd. De rechtbank neemt dit in strafverzwarende zin mee.
Op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat geen andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Daarbij neemt de rechtbank al het voorgaande in aanmerking, in het bijzonder het hevige en plotselinge geweld dat door [verdachte] en zijn medeverdachten is toegepast en de impact daarvan op de slachtoffers en de samenleving. De rechtbank ziet aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en hieraan reclasseringstoezicht te verbinden.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van negen maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk en met aftrek van de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. De proeftijd wordt gesteld op drie jaren. De rechtbank zal aan die proeftijd de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank zal bevelen dat de voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. [verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen, dan wel gevaar veroorzaken voor, de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op het feit dat [verdachte] reeds meermaals is veroordeeld voor geweldsdelicten en de onderhavige feiten zijn gepleegd terwijl hij zich in een proeftijd bevond, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] opnieuw dergelijke misdrijven zal begaan.
Voorlopige hechtenis
De voorlopige hechtenis van [verdachte] is met ingang van 6 januari 2026 (opnieuw) geschorst tot aan het tijdstip van de einduitspraak van deze strafzaak. Dit betekent dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van rechtswege eindigt en dat de voorlopige hechtenis herleeft.

7.De schade van benadeelden

7.1
De vorderingen van de benadeelde partij
Na te noemen personen hebben zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces en hebben gevorderd [verdachte] te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding tot na te noemen bedragen.
- [slachtoffer 1] (feit 1 subsidiair en feit 6)
De gevorderde vergoeding van materiële schade bestaat uit de volgende post: medische kosten € 385,00.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 1.250,00 gevorderd.
- [slachtoffer 3] (feit 3 subsidiair en feit 6)
De gevorderde vergoeding van materiële schade bestaat uit de volgende post: beschadigde kleding € 10,00.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 750,00 gevorderd.
- [slachtoffer 5] (feit 4 en feit 6)
De gevorderde vergoeding van materiële schade bestaat uit de volgende posten: beschadigde kleding, bril en fiets € 325,00 alsmede tandartskosten € 56,81 en reis- en parkeerkosten
€ 50,00: in totaal € 431,80.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 1.000,00 gevorderd.
- [slachtoffer 4] (feit 5 en feit 6)
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 750,00 gevorderd.
- [slachtoffer 2] (feit 6)
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 500,00 gevorderd.
De benadeelde partijen vorderen vermeerdering van de gevorderde bedragen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen in het geheel toegewezen dienen te worden.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich voor wat betreft de vorderingen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wat betreft de vordering van [slachtoffer 5] heeft de raadsman bepleit de vergoeding van het immateriële deel te matigen tot € 500,00 en de vergoeding voor het materiële deel te schatten op € 285,81. De vordering van [slachtoffer 4] tot vergoeding van immateriële schade dient ook te worden gematigd tot € 500,00.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
7.4.1
De vorderingen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat [verdachte] door het onder feit 1 subsidiair, feit 3 subsidiair en feit 6 bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd, aannemelijk en door de verdediging niet betwist. De rechtbank zal daarom de gevorderde bedragen van respectievelijk € 1.635,00, € 760,00 en € 500,00 toewijzen.
7.4.2
De vordering van [slachtoffer 5]
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat [verdachte] door het onder feit 4 en feit 6 bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [slachtoffer 5].
- materiële schade
De opgevoerde materiële schade bestaat uit verschillende posten. De posten medische kosten en reis- en parkeerkosten zijn voldoende onderbouwd, aannemelijk en door de verdediging niet betwist.
Daarnaast is een vergoeding gevorderd voor de beschadigde kleding, fiets en bril van [slachtoffer 5] welke vergoeding naar redelijkheid en billijkheid is begroot op € 325,00. [slachtoffer 5] heeft voldoende onderbouwd dat als gevolg van het strafbare feit schade is ontstaan aan zijn fiets en bril. Zijn bril is tijdelijk gerepareerd, maar zal vervangen moeten worden. De standaard van de fiets moest vervangen worden en er is op verschillende plekken lakschade aan de fiets. De rechtbank schat de schade aan de fiets en de bril van [slachtoffer 5] op € 325,00.
De rechtbank zal daarom het gevorderde bedrag van € 431,81 toewijzen.
- immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de immateriële schade, nu hij als rechtstreeks gevolg van de strafbare feiten lichamelijk letsel heeft opgelopen. De feiten hebben bovendien psychische gevolgen voor de benadeelde partij gehad. Gelet op de gegeven onderbouwing waaruit onder meer volgt dat sprake is van blijvende schade aan de tanden, en in aansluiting op hetgeen in vergelijkbare zaken is toegewezen, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 1.000,00 billijk. De rechtbank zal het gevorderde bedrag daarom volledig toewijzen.
7.4.3
De vordering van [slachtoffer 4]
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat [verdachte] door het onder feit 5 en feit 6 bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij [slachtoffer 4].
- immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, BW heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de immateriële schade, nu zij als rechtstreeks gevolg van de strafbare feiten lichamelijk letsel heeft opgelopen. De feiten hebben bovendien psychische gevolgen voor de benadeelde partij gehad. Gelet op de gegeven onderbouwing, waaruit onder meer blijkt dat zij thans nog altijd niet volledig kan werken, en in aansluiting op hetgeen in vergelijkbare zaken is toegewezen, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 750,00 billijk. De rechtbank zal het gevorderde bedrag daarom volledig toewijzen.
7.4.4
Wettelijke rente
De rechtbank bepaalt dat de toegewezen schadebedragen worden vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente over die bedragen vanaf de datum waarop het feit is gepleegd, te weten 21 september 2025.
7.4.5
Hoofdelijkheid
[verdachte] is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat [verdachte] tegenover de benadeelde partij telkens voor het gehele bedrag aansprakelijk is.
7.4.6
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien [verdachte] jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door het ten laste gelegde is toegebracht.
Als door [verdachte] niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 16 dagen ([slachtoffer 1]), 7 dagen ([slachtoffer 3]), 14 dagen ([slachtoffer 5]), 7 dagen ([slachtoffer 4]) en 5 dagen ([slachtoffer 2]) gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De vorderingen tenuitvoerlegging

8.1
De vorderingen
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 8 mei 2023, gewezen onder parketnummer 08-020538-23, is [verdachte] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
Bij vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 23 januari 2025, gewezen onder parketnummer 84-368232-24, is [verdachte] veroordeeld tot een geldboete van € 3.000,00 waarvan € 1.500,00 voorwaardelijk en een geldboete van
€ 7.000,00 waarvan € 3.500,00 voorwaardelijk, beiden met een proeftijd van drie jaren.
8.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen gevorderd.
8.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie ter zake van de twee vorderingen tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de dagbepaling en de stukken van de betekening van de uitspraken ontbreken. Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 08-020538-23 bepleit dat deze wordt omgezet naar een taakstraf voor de duur van 120 uren. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 84-368232-24 is door de raadsman afwijzing bepleit omdat het een veroordeling voor andersoortig feit betreft.
8.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vorderingen tot tenuitvoerlegging. De rechtbank overweegt dat, indien de vordering tot tenuitvoerlegging wegens schending van de in artikel 14c, eerste lid, Sr bedoelde algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit gelijktijdig met de behandeling van een feit waarvoor de verdachte wordt veroordeeld, wordt behandeld, een afzonderlijke dagbepaling niet vereist is. [1] Wat betreft de stukken van betekening overweegt de rechtbank dat, hoewel deze ontbreken, [verdachte] blijkens de behandeling ter terechtzitting bekend was met de uitspraken van de politierechter en de economische politierechter waarbij hem de voorwaardelijke straffen zijn opgelegd en de daaraan verbonden proeftijd.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer
08-020538-23 moet worden toegewezen nu [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe (soortgelijke) strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.
De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 84-368232-24 af, gelet op het aanzienlijke verschil tussen de aard van de onderhavige bewezenverklaarde feiten en de feiten waarvoor [verdachte] bij de economische politierechter is veroordeeld.

9.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55 en 57 Sr.

10.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat [verdachte] het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat [verdachte] het onder feit 1 subsidiair, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 5 en feit 6 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders onder feit 1 subsidiair, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 5 en feit 6 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 4, feit 5 en feit 6:
de eendaadse samenloop van de misdrijven:
telkens: mishandeling (feit 1 subsidiair, feit 4 en feit 5);
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft (feit 6);
Ten aanzien van feit 3 subsidiair en feit 6:
de eendaadse samenloop van de misdrijven:
medeplegen van poging tot zware mishandeling (feit 3 subsidiair);
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft (feit 6);
strafbaarheid [verdachte]
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder feit 1 subsidiair, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 5 en feit 6 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt [verdachte] tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien [verdachte] voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen dat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien [verdachte] gedurende de proeftijd de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardendat [verdachte]:
- zich meldt binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij de Reclassering Nederland op het adres Molenstraat 50, 7541 BK in Enschede. [verdachte] blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken;
- zich ambulant laat behandelen door JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. [verdachte] houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- geen alcohol gebruikt, zolang de reclassering dat nodig vindt, en meewerkt aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak [verdachte] wordt gecontroleerd;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met de medeverdachte en de slachtoffers zoekt, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat [verdachte]:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1](feit 1 subsidiair en feit 6) toe tot een bedrag van € 1.635,00 bestaande uit € 385,00 materiële schade en
€ 1.250,00 immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 1](feit 1 subsidiair en feit 6) van een bedrag van € 1.635,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025, voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van het onder feit 1 subsidiair en feit 6 bewezenverklaarde tot
hoofdelijke betalingaan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 1.635,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
16 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 3](feit 3 subsidiair en feit 6) toe tot een bedrag van € 760,00 bestaande uit € 10,00 materiële schade en € 750,00 immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 3](feit 3 subsidiair en feit 6) van een bedrag van € 760,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025, voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van het onder feit 3 subsidiair en feit 6 bewezenverklaarde tot
hoofdelijke betalingaan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 760,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
7 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 5](feit 4 en feit 6) toe tot een bedrag van € 1.431,81 bestaande uit € 431,81 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 5]
(feit 4 en feit 6) van een bedrag van € 1.431,81 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025, voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van het onder feit 4 en feit 6 bewezenverklaarde tot
hoofdelijke betalingaan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 1.431,81, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
14 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 4](feit 5 en feit 6) toe tot een bedrag van € 750,00 bestaande uit immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 4](feit 5 en feit 6) van een bedrag van € 750,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025, voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van het onder feit 5 en feit 6 bewezenverklaarde tot
hoofdelijke betalingaan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
7 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2](feit 6) toe tot een bedrag van
€ 500,00 bestaande uit immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 2](feit 6) van een bedrag van € 500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025, voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van het onder feit 6 bewezenverklaarde tot
hoofdelijke betalingaan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
5 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 08-020538-23
- beveelt de
tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van de politierechter van 8 mei 2023 voorwaardelijk opgelegde
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) weken;
tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 84-368232-24
-
wijstde vordering
af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. J. Wentink en
mr. A.F. Germs-de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
Mr. Kuiper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025456353. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 januari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte], zakelijk weergegeven:
Ik was op 21 september 2025 samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij het Twentse wijnfeest in [plaats]. Het klopt dat ik de man met de rode blouse ben waar steeds over wordt gesproken.
2.
Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 1] van verbalisant [verbalisant] van 22 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 182:
V: Ik wil je confronteren met een getuigenverklaring. Daarin wordt het volgende omschreven. Persoon 1: witte broek, zwart shirt.
V: Het signalement komt overeen met jou. Herken je je hierin?
A: Ja.
3.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 9-12:
Plaats delict: [adres], [plaats]
Pleegdatum: 21 september 2025
Ik ben door de grote man met een rood shirt opzettelijk met de vuist hard in mijn gezicht geslagen. Ik ben door de eerste vuistslag op de grond komen te liggen. Op het moment dat ik op de grond lag ben ik door dezelfde man hard geschopt en nogmaals opzettelijk met de vuist hard geslagen. Ik ben toen ik op de grond lag door de andere man, de slankere man met een wit shirt, opzettelijk hard op mijn bovenlichaam, de rug geschopt. Na de vuistslag voelde ik direct erge pijn aan mijn linker kaak. Ik heb een glip boven op mijn hoofd. Ik had ook aan beide kanten mijn kaken heel veel pijn.
Ik zag dat mijn moeder (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) van de grote man met het rode shirt een vuistslag in haar gezicht kreeg.
4.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 13-16:
Wij waren op een wijnfeest in [plaats]. Toen het feest was afgelopen, dit was 21 september 2025, liepen wij naar buiten. We fietsten langs een groep. Deze groep mannen. Man 1: grote, forse kerel met rode blouse. Man 2: zwart shirt en witte broek. Ik ben geslagen. Ik viel op mijn knieën. Ik stond op en voelde dat ik bloed had. In het ziekenhuis hebben ze vastgesteld dat mijn neus gebroken is.
5.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 17-19:
Pleegdatum: 21 september 2025
Wij waren op een wijnfeest in [plaats]. Ik denk dat ik ben geslagen. Ik weet nog dat ze op mij aan het trappen waren, terwijl ik op de grond lag. Op twee plekken op mijn hoofd voelt het beurs. Op mijn wang en in de buurt van mijn slaap. Ik denk dat ik achterover ben gevallen. Ik heb namelijk erg last van mijn stuitje en mijn rechterelleboog. Hier zit een schaafplek.
6.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 25-28:
Op 20 september 2025 ben ik met een groep naar het wijnfeest aan de [adres] in [plaats] geweest. Omstreeks middernacht wilden wij naar huis gaan. Er was een man met witte broek en donker shirt. Bij de uitgang ontstond een discussie met mannen. Het waren de twee eerder genoemde mannen en een hele grote man met een rood shirt. Ik kreeg een hele harde vuistslag in mijn gezicht door deze grote man. Ik ging hard onderuit. Ik viel over een fiets. Ik zag toen dat er een kleinere man met een zwart shirt en donkere broek op mij af kwam en ik voelde dat ik van opzij een harde klap op mijn nek van deze man kreeg. Dit was een vuistslag die erg pijn deed. Ik viel weer op de grond en vervolgens zag ik een andere man met een witte broek die mij hard opzettelijk in mijn zij schopte. Het waren drie mannen. Ik heb schade aan mijn tanden.
7.
Een geschrift, te weten het verzoek tot schadevergoeding, met bijlagen, van [slachtoffer 4]
van 22 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
11.1.
Letsel en behandelingen
Mevrouw [slachtoffer 4] heeft als gevolg van het geweldsincident het volgende letsel opgelopen: rugklachten, blauwe plekken en kneuzingen rechterkaak, stijve nek en kneuzing rechterenkel.
8.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 39-42:
Op 21 september 2025 was ik aanwezig bij het Twentse Wijnfeest in [plaats] aan de [adres]. Ik zag op het terrein een drietal mannen staan. Persoon 1: witte broek, zwart shirt. Persoon 2: rood shirt, dik postuur, kaal/kalend. Persoon 3: zwart shirt, kort blond haar,
Ik zag dat de fietsende vrouw en man stil stonden. Ik zag dat persoon 1 zijn rechter vuist balde en direct op de fietsende man afliep en een vuistslag maakte in het gezicht van de fietsende man. Ik zag dat persoon 1 het gezicht van de fietsende man ook raakte. Ik zag dat de fietsende man hierdoor in onbalans kwam. Het leek alsof de fietsende man als gevolg van de vuistslagen achterover viel, maar omdat meerdere andere fietsers waren aangesloten achter hem, viel hij maar half. Ik zag dat ook persoon 2 en 3 waren aangesloten bij persoon 1. Ik zag op dat moment persoon 1 een man van achteren aanvallen. Ik zag dat persoon 1 deze man met vuistslagen raakte en dat deze man als gevolg hiervan op de grond terecht kwam. Ik zag dat meerdere mensen uit het groepje fietsers geraakt werden door vuistslagen en armen van personen 1, 2 en 3. De man, die als gevolg van de aanval van persoon 1 op de grond gerecht gekomen was, werd door persoon 2 getrapt. Ik zag dat tegelijkertijd persoon 1 deze man tegen zijn lichaam aan het trappen was. Ik zag dat de man weerloos op de grond lag.
9.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 43-44:
Ik was aanwezig op het Twents Wijnfeest aan de [adres] in [plaats]. Op 21 september 2025 verliet ik het feest. Ik zag dat twee mannen ruzie aan het maken waren. Man 2: donker kort haar, donker shirt, witte broek. Ik zag dat persoon 2 insloeg op [slachtoffer 2]. Daarna kreeg hij schoppen.
10.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 19 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
(De rechtbank constateert dat steeds “[slachtoffer 3]” staat vermeld, maar begrijpt dat dit moet zijn: “[slachtoffer 3]”).
De beelden zijn bekeken.
Verdachte 1 [medeverdachte 1] witte broek, zwart shirt donker haar.
Ik zie dat hij twee keer een schoppende beweging maakt naar [slachtoffer 3] die op de grond ligt. Ik zie dat hij nog een keer [slachtoffer 3] schopt. Ik zie dat hij tussen de groep doorloopt en [slachtoffer 5] tegen zijn rug schopt.
Verdachte 2 [verdachte] rood shirt, gezet, kaal.
Ik zie dat hij [slachtoffer 5] met zijn linkerarm slaat, waardoor [slachtoffer 5] over de geparkeerde fietsen valt. Ik zie dat hij [slachtoffer 3] probeert vast te pakken, deze valt op de grond. Ik zie dat verdachte hem schopt met zijn rechterbeen. Ik zie dat [slachtoffer 3] overeind komt en dat verdachte hem slaat met zijn rechterarm.
Verdachte 3 [medeverdachte 2] blauwe broek, zwart shirt, donkerblond/bruin haar.
Ik zie dat hij [slachtoffer 5] slaat met zijn rechterarm.
[slachtoffer 5] :
Ik zie dat verdachte [medeverdachte 1] hem slaat met zijn rechterarm. Ik zie dat [slachtoffer 5] op staat en zijn arm omhoog doet. Ik zie dat verdachte [medeverdachte 2] hem slaat met zijn rechterarm. Ik zie dat verdachte [verdachte] 2 keer, 1 keer met links en 1 keer met rechts slaat. Ik zie dat [slachtoffer 5] op de grond valt en dat verdachte [medeverdachte 1] hem schopt.
[slachtoffer 4] [slachtoffer 5]:
Ik zie dat verdachte [verdachte] haar slaat met zijn linkerarm. Ik zie dat ze op de grond valt.
[slachtoffer 1] :
Ik zie dat zij een klap krijgt van verdachte [verdachte]. Hij slaat met zijn linkerarm. Ik zie dat ze op haar knieën op de grond terecht komt.
[slachtoffer 3]:
Ik zie dat verdachte [verdachte] hem probeert vast te pakken maar [slachtoffer 3] valt op de grond. Verdachte [verdachte] schopt hem met zijn rechtervoet terwijl hij op de grond ligt. Ik zie dat verdachte [medeverdachte 1] met zijn rechterbeen twee keer schopt. Ik zie dat verdachte [medeverdachte 1] nog een keer schopt.

Voetnoten

1.Hoge Raad 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1687