ECLI:NL:RBOVE:2026:208

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
08-249209-25 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor poging tot zware mishandeling en openlijk geweld tijdens een vechtpartij na een feest

Op 20 januari 2026 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die betrokken was bij een vechtpartij op 21 september 2025 na een wijnfeest in [plaats]. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan medeplegen van poging tot zware mishandeling en openlijk geweld plegen tegen meerdere slachtoffers, waaronder [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, en moet zich melden bij de Reclassering. De rechtbank oordeelde dat de verdachte, samen met medeverdachten, geweld heeft gebruikt tegen weerloze slachtoffers, wat leidde tot lichamelijk letsel. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie gevolgd en de verdachte veroordeeld tot het betalen van schadevergoedingen aan de slachtoffers. De rechtbank heeft ook de noodweerpleidooi van de verdediging verworpen, omdat niet aannemelijk was dat de verdachte als eerste was aangevallen. De uitspraak benadrukt de ernst van het gepleegde geweld en de impact daarvan op de slachtoffers.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-249209-25 (P)
Datum vonnis: 20 januari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats],
nu verblijvende in de PI [locatie].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
6 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R.J.H. [verbalisant 1], advocaat in Hengelo (O), naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de door [slachtoffer 1] , mede namens [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens hen door mr. B. Pernot, advocaat in Wijchen, is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op
21 september 2025 in [plaats]:
feit 1:(primair) samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3]) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel (subsidiair) [slachtoffer 3] heeft mishandeld;
feit 2:heeft geprobeerd [slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5]) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel (subsidiair) [slachtoffer 5] heeft mishandeld;
feit 3:openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]), [slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4]), met zwaar dan wel enig lichamelijk letsel als gevolg.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats], tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1], ter uitvoering van het door verdachte en/of medeverdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 3]
- ( meermalen) (met kracht) met gebalde vuist, althans met de hand, tegen het gezicht/het hoofd te stompen/slaan, waardoor die [slachtoffer 3] ten val kwam en/of
- ( vervolgens) - terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag - (met kracht) met geschoeide voet tegen het hoofd te schoppen en/of
- ( vervolgens) (meermalen) – terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag – (met kracht) met geschoeide voet tegen de rug, althans het lichaam te schoppen en/of
- ( vervolgens) – terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag – (met kracht) met gebalde vuist, althans met de hand, tegen het gezicht/het hoofd te stompen/slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats], tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1], [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3]
- ( meermalen) (met kracht) met gebalde vuist, althans met de hand, tegen het gezicht/het hoofd te stompen/slaan, waardoor die [slachtoffer 3] ten val kwam en/of
- ( vervolgens) - terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag - (met kracht) met geschoeide voet tegen het hoofd te schoppen en/of
- ( vervolgens) (meermalen) – terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag – (met kracht) met geschoeide voet tegen de rug, althans het lichaam te schoppen en/of
- ( vervolgens) – terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag – (met kracht) met gebalde vuist, althans met de hand, tegen het gezicht/het hoofd te stompen/slaan;
2
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 5]
- terwijl die [slachtoffer 5] weerloos op de grond lag - (met kracht) tegen het lichaam te slaan, en/of
- ( vervolgens) – terwijl die [slachtoffer 5] weerloos op de grond lag – (met kracht) met geschoeide voet tegen/in de zij, althans tegen het lichaam te schoppen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats], [slachtoffer 5] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5]
- terwijl die [slachtoffer 5] weerloos op de grond lag - (met kracht) tegen het lichaam te slaan, en/of
- ( vervolgens) – terwijl die [slachtoffer 5] weerloos op de grond lag – (met kracht) met geschoeide voet tegen/in de zij, althans tegen het lichaam te schoppen;
3
hij op of omstreeks 21 september 2025 te [plaats] op de openbare weg te weten de [adres], in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 4], welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit (telkens)
- het (meermalen) (met kracht) duwen tegen het lichaam van voornoemd persoon/voornoemde personen en/of
- het (meermalen) (met kracht) met gebalde vuist, althans met de hand stompen/slaan op het gezicht en/of het lichaam van voornoemd persoon/voornoemde personen en/of
- het (meermalen) (met kracht) met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemd persoon/voornoemde personen, terwijl het door verdachte gepleegde geweld zwaar, in elk geval enig lichamelijk letsel ten gevolge had voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 4].

3.De bewijsmotivering

3.1
Inleiding
Op 21 september 2025 vond in [plaats] een vechtpartij plaats waarbij verdachte [verdachte] een van de betrokkenen was. Het voorval is door een omstander gefilmd. [verdachte] heeft verklaard zich weinig van het voorval te herinneren, behalve dat hij als eerste werd geslagen. Hij heeft erkend zichzelf op de beelden te herkennen als één van de mannen die geweldshandelingen verricht.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit [verdachte] vrij te spreken van het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair en feit 3 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is geweest van noodweer, zodat [verdachte] moet worden vrijgesproken dan wel ontslagen van alle rechtsvervolging.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
3.4.1
Relevante feiten en omstandigheden
Op basis van de inhoud van het dossier en van wat op de terechtzitting is besproken stelt de rechtbank het volgende vast.
In de nacht van 20 op 21 september 2025 vond een feest plaats aan de [adres] in [plaats]. [verdachte], medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] waren daarbij aanwezig. Ook [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] bezochten die avond dat feest en maakten deel uit van een groep. Bij het verlaten van het feest op 21 september 2025 ontstond bij de uitgang onenigheid tussen een aantal personen uit deze groep en (één van) de drie genoemde mannen. Kort daarna is een vechtpartij ontstaan. Hierbij heeft [medeverdachte 1] [slachtoffer 1] een harde vuistslag op haar neus gegeven. Voorts heeft hij [slachtoffer 5] met kracht in het gezicht gestompt en geslagen, waardoor [slachtoffer 5] is gevallen. [verdachte] heeft [slachtoffer 5] ook geslagen en hem, terwijl hij op de grond lag, geschopt. Tot slot is [slachtoffer 5] door [medeverdachte 2] geslagen. [slachtoffer 4] is door [medeverdachte 1] met kracht in haar gezicht geslagen en is als gevolg daarvan op de grond gevallen. [slachtoffer 3] heeft van [medeverdachte 1] een harde stomp tegen het hoofd gekregen, waarna ook hij op de grond is gevallen. Zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] hebben [slachtoffer 3], terwijl hij op de grond lag, meerdere keren geschopt en [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer 3] daarbij tevens tegen het lichaam geslagen. Ook [slachtoffer 2] is tijdens de vechtpartij geslagen en geschopt.
Als gevolg van het geweld heeft -onder meer- [slachtoffer 1] een gebroken neus, wonden in het gelaat en een hersenschudding, [slachtoffer 5] schade aan zijn tanden en kneuzingen en [slachtoffer 3] een hoofdwond en blauwe plekken en kneuzingen opgelopen. [slachtoffer 2] heeft, naast een schaafwond, pijn aan zijn stuitje, rechterelleboog en hoofd ondervonden. [slachtoffer 4] heeft rug- en nekpijn ondervonden en blauwe plekken en kneuzingen aan haar kaak en enkel opgelopen.
3.4.2
Overwegingen
- feit 1
De rechtbank acht bewezen dat [slachtoffer 3] tegen zijn hoofd is gestompt en dat hij, terwijl hij op de grond lag, meerdere keren is geschopt door [verdachte] en [medeverdachte 1]. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is hoe die gedraging juridisch moet worden gekwalificeerd. Hierbij gaat het in de eerste plaats om de vraag of [verdachte] het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad om [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] vol opzet daarop had. De rechtbank is van oordeel dat wel sprake is van voorwaardelijke opzet en overweegt hierover als volgt.
[slachtoffer 3] is tegen zijn hoofd gestompt en (meermalen) tegen zijn lichaam geschopt en geslagen, terwijl hij op de grond lag. Hierdoor bestond naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. [verdachte] heeft die aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben [slachtoffer 3] terwijl hij weerloos op de grond lag en dus extra kwetsbaar was, meermalen geschopt en eenmaal geslagen tegen het lichaam. Deze gedragingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat verdachten willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust hebben aanvaard. De rechtbank is verder van oordeel dat [verdachte] het geweld tegen [slachtoffer 3] in voldoende nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] heeft toegepast. Zij hebben immers in elkaars bijzijn afwisselend geweld gebruikt tegen [slachtoffer 3].
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
- feit 2
De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] [slachtoffer 5] tegen het lichaam heeft geslagen en hem, terwijl hij op de grond lag, in de zij heeft geschopt. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is hoe die gedraging juridisch moet worden gekwalificeerd. Hierbij gaat het in de eerste plaats om de vraag of [verdachte] het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad om [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] vol opzet daarop had. Van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is evenmin sprake.
De rechtbank is van oordeel dat de kans op zwaar lichamelijk letsel door het slaan tegen het lichaam en het schoppen in de zij van [slachtoffer 5], terwijl hij op de grond lag, op de wijze waarop [verdachte] dit heeft gedaan, niet aanmerkelijk is te noemen. Uit het dossier volgt immers niet met welke kracht en gerichtheid door [verdachte] is geslagen en geschopt. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat [verdachte] bewust de kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, zodat de rechtbank hem van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling zal vrijspreken. De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen.
De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat
[verdachte] als eerste werd geslagen door [betrokkene] , waardoor [verdachte] zich genoodzaakt voelde zich te verdedigen. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer allereerst is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf, anders lijf, eerbaarheid of goed. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat op basis van het dossier niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] (als eerste) is geslagen. Gelet hierop acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden dat hij zichzelf moest verdedigen tegen een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Van een noodweersituatie was geen sprake. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
- feit 3
De rechtbank is, onder verwijzing naar het hiervoor overwogene, van oordeel dat kan worden bewezen dat [verdachte] en diens medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen, op de openbare weg, geweld hebben gepleegd tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] die als gevolg daarvan enig lichamelijk letsel hebben opgelopen. De rechtbank acht de onder feit 3 ten laste gelegde openlijke geweldpleging dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1. primair
hij op 21 september 2025 te [plaats], tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1], ter uitvoering van het door verdachte en medeverdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 3]
- ( met kracht) met gebalde vuist, tegen het hoofd te stompen, waardoor die [slachtoffer 3] ten val kwam en
- vervolgens meermalen – terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag – met kracht met geschoeide voet tegen het lichaam te schoppen en
- vervolgens – terwijl die [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag – hem met kracht met gebalde vuist te stompen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. subsidiair
hij op 21 september 2025 te [plaats], [slachtoffer 5] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5]
- terwijl die [slachtoffer 5] weerloos op de grond lag (met kracht) tegen het lichaam te slaan, en
- ( vervolgens) – terwijl die [slachtoffer 5] weerloos op de grond lag – (met kracht) met geschoeide voet tegen de zij te schoppen;
3.
hij op 21 september 2025 te [plaats] op de openbare weg te weten de [adres] in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4], welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit (telkens)
- het (meermalen) (met kracht) met gebalde vuist/de hand stompen/slaan op het gezicht en/of het lichaam van voornoemde personen en/of
- het (meermalen) (met kracht) met geschoeide voet schoppen tegen het lichaam van twee van de voornoemde personen,
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4].
De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman heeft ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde een beroep op noodweer gedaan. Dit beroep wordt door de rechtbank verworpen, onder verwijzing naar hetgeen zij hierboven in 3.4.2 onder feit 2 heeft overwogen.
Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 47, 141, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 primair en feit 3:
de eendaadse samenloop van de misdrijven:
medeplegen van poging tot zware mishandeling (feit 1 primair);
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft (feit 3);
Ten aanzien van feit 2 subsidiair en feit 3:
de eendaadse samenloop van de misdrijven:
mishandeling (feit 2 subsidiair);
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft (feit 3).
Ten aanzien van feit 3
Het afzonderlijk te kwalificeren misdrijf:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd [verdachte] te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd hiervan een gedeelte van twee maanden voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om in geval van (gedeeltelijke) bewezenverklaring een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijk deel en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Voorts heeft de raadsman verzocht om de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang op te heffen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte] zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich onder invloed van middelen samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan ernstig en zinloos geweld na afloop van het Twentse wijnfeest. Op het moment van het geweldsincident waren veel omstanders aanwezig die hebben moeten zien hoe door de verdachten plotseling hevig geweld werd uitgeoefend tegen de verschillende slachtoffers, waaronder slaan met de vuist en schoppen, ook terwijl één van de slachtoffers op de grond lag. [verdachte] en zijn medeverdachten hebben met dit forse geweld op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Voor hen is deze situatie zeer dreigend en beangstigend geweest. Uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring volgt dat de slachtoffers door het geweldsincident aanzienlijk zijn getroffen en dat dit incident bij hen niet alleen fysieke, maar ook psychische gevolgen heeft veroorzaakt. Zij hebben hun gevoel van veiligheid verloren en zijn sindsdien extra waakzaam. Het tegen hen gebruikte plotselinge geweld, leidt nog altijd tot een sterk gevoel van onbegrip, boosheid en verdriet. Door dit uitgaansgeweld worden bovendien de gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroot. De rechtbank rekent dit alles [verdachte] zwaar aan. De rechtbank rekent het [verdachte] verder aan dat hij tijdens de zitting geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor wat hij samen met zijn medeverdachten heeft gedaan. Hij blijft vasthouden aan zijn verklaring dat hij in de situatie terechtkwam doordat hij als eerste werd aangevallen, ook na het tonen van de beelden tijdens de zitting. De rechtbank overweegt echter dat uit het dossier een (totaal) ander beeld naar voren komt, waarin blijkt dat [verdachte] gedurende de gehele avond storend gedrag vertoonde en dat hij de aanstichter van het geweld is geweest. Hij heeft door zijn houding er blijk van gegeven slechts zeer beperkt inzicht te hebben in de ernst van zijn handelen.
Persoon van [verdachte]
De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van [verdachte] van 21 november 2025. Hieruit blijkt dat [verdachte] op 25 juli 2022 door de politierechter is veroordeeld voor onder meer een zware mishandeling (uitgaansgeweld) tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan de proeftijd liep tot 6 augustus 2025. Deze eerdere veroordeling heeft hem er niet van weerhouden opnieuw geweldsdelicten (tijdens het uitgaan) te plegen. De rechtbank neemt dit in strafverzwarende zin mee.
Op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat geen andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Daarbij neemt de rechtbank al het voorgaande in aanmerking, in het bijzonder het hevige en plotselinge geweld dat door [verdachte] en zijn medeverdachten is toegepast en de impact daarvan op de slachtoffers en de samenleving. De rechtbank ziet vanwege de persoon van [verdachte] aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en hieraan reclasseringstoezicht te verbinden.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van zeven maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk en met aftrek van de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. De proeftijd wordt gesteld op drie jaren. De rechtbank zal aan die proeftijd de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank zal bevelen dat de voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. [verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen, dan wel gevaar veroorzaken voor, de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op het feit dat [verdachte] eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict en de onderhavige feiten kort na afloop van de proeftijd van die veroordeling zijn gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] opnieuw dergelijke misdrijven zal begaan.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van de raadsman om de voorlopige hechtenis van [verdachte] met onmiddellijke ingang op te heffen, wordt afgewezen.

7.De schade van benadeelden

7.1
De vorderingen van de benadeelde partij
Na te noemen personen hebben zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces en hebben gevorderd [verdachte] te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding tot na te noemen bedragen.
- [slachtoffer 1] (feit 3)
De gevorderde vergoeding van materiële schade bestaat uit de volgende post: medische kosten € 385,00.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 1.250,00 gevorderd.
- [slachtoffer 3] (feit 1 primair en feit 3)
De gevorderde vergoeding van materiële schade bestaat uit de volgende post: beschadigde kleding € 10,00.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 750,00 gevorderd.
- [slachtoffer 5] (feit 2 subsidiair en feit 3)
De gevorderde vergoeding van materiële schade bestaat uit de volgende postem: beschadigde kleding, bril en fiets € 325,00 alsmede tandartskosten € 56,81 en reis- en parkeerkosten
€ 50,00: in totaal € 431,80.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 1.000,00 gevorderd.
- [slachtoffer 4] (feit 3)
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 750,00 gevorderd.
- [slachtoffer 2] (feit 3)
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 500,00 gevorderd.
De benadeelde partijen vorderen vermeerdering van de gevorderde bedragen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen in het geheel toegewezen dienen te worden.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft voor wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen geen zelfstandig standpunt ingenomen.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
7.4.1
De vorderingen
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat [verdachte] door het onder feit 1 primair, feit 2 subsidiair en feit 3 bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 5], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2]. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd, aannemelijk en door de verdediging niet betwist. De rechtbank zal daarom de gevorderde bedragen van respectievelijk € 1.635,00, € 760,00, € 1.431,81, € 750,00 en € 500,00 toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente over die bedragen vanaf de datum waarop het feit is gepleegd, te weten 21 september 2025.
7.4.2
Hoofdelijkheid
[verdachte] is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat [verdachte] tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.
7.4.3
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien [verdachte] jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door het ten laste gelegde is toegebracht.
Als door [verdachte] niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 16 dagen ([slachtoffer 1]), 7 dagen ([slachtoffer 3]), 14 dagen ([slachtoffer 5]), 7 dagen ([slachtoffer 4]) en 5 dagen ([slachtoffer 2]) gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55 en 57 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat [verdachte] het onder feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat [verdachte] het onder feit 1 primair, feit 2 subsidiair en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders onder feit 1 primair, feit 2 subsidiair en feit 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Ten aanzien van feit 1 primair en feit 3:
de eendaadse samenloop van de misdrijven:
medeplegen van poging tot zware mishandeling (feit 1 primair);
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft (feit 3);
Ten aanzien van feit 2 subsidiair en feit 3:
de eendaadse samenloop van de misdrijven:
mishandeling (feit 2 subsidiair);
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft (feit 3);
Ten aanzien van feit 3
Het afzonderlijk te kwalificeren misdrijf:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
strafbaarheid [verdachte]
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt [verdachte] tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien [verdachte] voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen dat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien [verdachte] gedurende de proeftijd de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardendat [verdachte]:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraak bij Tactus Reclassering op het adres Raiffeisenstraat 75 te Enschede. [verdachte] blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich laat behandelen door JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na afronding van een intake en een persoonlijkheidsonderzoek. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. [verdachte] houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal [verdachte] zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. [verdachte] houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;
- verblijft bij Stichting Zekere Basis of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na afronding van een positieve intake. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. [verdachte] houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. [verdachte] geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak [verdachte] wordt gecontroleerd;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat [verdachte]:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaar zijn;
- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 3](feit 1 primair en feit 3) toe tot een bedrag van € 760,00 bestaande uit € 10,00 materiële schade en € 750,00 immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 3](feit 1 primair en feit 3) van een bedrag van € 760,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025, voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van het onder feit 1 primair en feit 3 bewezenverklaarde tot
hoofdelijke betalingaan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 760,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
7 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 5](feit 2 subsidiair en feit 3) toe tot een bedrag van € 1.431,81 bestaande uit € 431,81 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 5]
(feit 2 subsidiair en feit 3) van een bedrag van € 1.431,81 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025, voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van het onder feit 2 subsidiair en feit 3 bewezenverklaarde tot
hoofdelijke betalingaan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 1.431,81, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
14 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1](feit 3) toe tot een bedrag van € 1.635,00 bestaande uit € 385,00 materiële schade en € 1.250,00 immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 1](feit 3) van een bedrag van € 1.635,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025, voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van het onder feit 3 bewezenverklaarde tot
hoofdelijke betalingaan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 1.635,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
16 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2](feit 3) toe tot een bedrag van
€ 500,00 bestaande uit immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 2](feit 3) van een bedrag van € 500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025, voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van het onder feit 3 bewezenverklaarde tot
hoofdelijke betalingaan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
5 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 4](feit 3) toe tot een bedrag van € 750,00 bestaande uit immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 4](feit 3) van een bedrag van € 750,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025, voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan;
- veroordeelt [verdachte] daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat [verdachte] verplicht is ter zake van het onder feit 3 bewezenverklaarde tot
hoofdelijke betalingaan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
7 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door zijn mededader(s) zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als [verdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van [verdachte] om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als [verdachte] aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. J. Wentink en
mr. A.F. Germs-de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
Mr. Kuiper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025456353. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 januari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte], zakelijk weergegeven:
Ik was op 21 september 2025 samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij het Twentse wijnfeest in [plaats]. Het klopt dat ik de man met witte broek ben waar steeds over wordt gesproken.
2.
Het proces-verbaal van aanhouding medeverdachte [medeverdachte 1] van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven,
p. 70 en 71:
Op 21 september 2025 hadden collega's van de eenheid ON2408 drie verdachten staande gehouden. Wij, verbalisanten, voegden ons bij de collega's. Via het 00 hoorden wij dat een van de verdachten een kale man was met een rood overhemd. Wij, verbalisanten, zagen dat dit signalement overeenkwam met de verdachte die opgaf te zijn: [medeverdachte 1] .
3.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 9-12:
Plaats delict: [adres], [plaats]
Pleegdatum: 21 september 2025
Ik ben door de grote man met een rood shirt opzettelijk met de vuist hard in mijn gezicht geslagen. Ik ben door de eerste vuistslag op de grond komen te liggen. Op het moment dat ik op de grond lag ben ik door dezelfde man hard geschopt en nogmaals opzettelijk met de vuist hard geslagen. Ik ben toen ik op de grond lag door de andere man, de slankere man met een wit shirt, opzettelijk hard op mijn bovenlichaam, de rug geschopt. Na de vuistslag voelde ik direct erge pijn aan mijn linker kaak. Ik heb een glip boven op mijn hoofd. Ik had ook aan beide kanten mijn kaken heel veel pijn.
Ik zag dat mijn moeder (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) van de grote man met het rode shirt een vuistslag in haar gezicht kreeg.
4.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 13-16:
Wij waren op een wijnfeest in [plaats]. Toen het feest was afgelopen, dit was 21 september 2025 liepen wij naar buiten. We fietsen langs een groep mannen. Man 1: grote, forse kerel met rode blouse. Man 2: zwart shirt en witte broek. Ik ben geslagen. Ik viel op mijn knieën. Ik stond op en voelde dat ik bloed had. In het ziekenhuis hebben ze vastgesteld dat mijn neus gebroken is.
5.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 17-19:
Pleegdatum: 21 september 2025
Wij waren op een wijnfeest in [plaats]. Ik denk dat ik ben geslagen. Ik weet nog dat ze op mij aan het trappen waren, terwijl ik op de grond lag. Op twee plekken op mijn hoofd voelt het beurs. Op mijn wang en in de buurt van mijn slaap. Ik denk dat ik achterover ben gevallen. Ik heb namelijk erg last van mijn stuitje en mijn rechterelleboog. Hier zit een schaafplek.
6.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 25-28:
Op 20 september 2025 ben ik met een groep naar het wijnfeest aan de [adres] in [plaats] geweest. Omstreeks middernacht wilden wij naar huis gaan. Er was een man met witte broek en donker shirt. Bij de uitgang ontstond een discussie met mannen. Het waren de twee eerder genoemde mannen en een hele grote man met een rood shirt. Ik kreeg een hele harde vuistslag in mijn gezicht door deze grote man. Ik ging hard onderuit. Ik viel over een fiets. Ik zag toen dat er een kleinere man met een zwart shirt en donkere broek op mij af kwam en ik voelde dat ik van opzij een harde klap op mijn nek van deze man kreeg. Dit was een vuistslag die erg pijn deed. Ik viel weer op de grond en vervolgens zag ik een andere man met een witte broek die mij hard opzettelijk in mijn zij schopte. Het waren drie mannen. Ik heb schade aan mijn tanden.
7.
Een geschrift, te weten het verzoek tot schadevergoeding, met bijlagen, van [slachtoffer 4]
van 22 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
11.1.
Letsel en behandelingen
Mevrouw [slachtoffer 4] heeft als gevolg van het geweldsincident het volgende letsel opgelopen: rugklachten, blauwe plekken en kneuzingen rechterkaak, stijve nek en kneuzing rechterenkel.
8.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 39-42:
Op 21 september 2025 was ik aanwezig bij het Twentse Wijnfeest in [plaats] aan de [adres]. Ik zag op het terrein een drietal mannen staan. Persoon 1: witte broek, zwart shirt. Persoon 2: rood shirt, dik postuur, kaal/kalend. Persoon 3: zwart shirt, kort blond haar,
Ik zag dat de fietsende vrouw en man stil stonden. Ik zag dat persoon 1 zijn rechter vuist balde en direct op de fietsende man afliep en een vuistslag maakte in het gezicht van de fietsende man. Ik zag dat persoon 1 het gezicht van de fietsende man ook raakte. Ik zag dat de fietsende man hierdoor in onbalans kwam. Het leek alsof de fietsende man als gevolg van de vuistslagen achterover viel, maar omdat meerdere andere fietsers waren aangesloten achter hem, viel hij maar half. Ik zag dat ook persoon 2 en 3 waren aangesloten bij persoon 1. Ik zag op dat moment persoon 1 een man van achteren aanvallen. Ik zag dat persoon 1 deze man met vuistslagen raakte en dat deze man als gevolg hiervan op de grond terecht kwam. Ik zag dat meerdere mensen uit het groepje fietsers geraakt werden door vuistslagen en armen van personen 1, 2 en 3. De man, die als gevolg van de aanval van persoon 1 op de grond gerecht gekomen was, werd door persoon 2 getrapt. Ik zag dat tegelijkertijd persoon 1 deze man tegen zijn lichaam aan het trappen was. Ik zag dat de man weerloos op de grond lag.
9.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 21 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, p. 43-44:
Ik was aanwezig op het Twents Wijnfeest aan de [adres] in [plaats]. Op 21 september 2025 verliet ik het feest. Ik zag dat twee mannen ruzie aan het maken waren. Man 2: donker kort haar, donker shirt, witte broek. Ik zag dat persoon 2 insloeg op [slachtoffer 2]. Daarna kreeg hij schoppen.
10.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 19 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
(De rechtbank constateert dat steeds “[slachtoffer 3]” staat vermeld, maar begrijpt dat dit moet zijn: “[slachtoffer 3]”).
De beelden zijn bekeken.
Verdachte 1 [verdachte] witte broek, zwart shirt donker haar.
Ik zie dat hij twee keer een schoppende beweging maakt naar [slachtoffer 3] die op de grond ligt. Ik zie dat hij nog een keer [slachtoffer 3] schopt. Ik zie dat hij tussen de groep doorloopt en [slachtoffer 5] tegen zijn rug schopt.
Verdachte 2 [medeverdachte 1] rood shirt, gezet, kaal.
Ik zie dat hij [slachtoffer 5] met zijn linkerarm slaat, waardoor [slachtoffer 5] over de geparkeerde fietsen valt. Ik zie dat hij [slachtoffer 3] probeert vast te pakken, deze valt op de grond. Ik zie dat verdachte hem schopt met zijn rechterbeen. Ik zie dat [slachtoffer 3] overeind komt en dat verdachte hem slaat met zijn rechterarm.
Verdachte 3 [medeverdachte 2] blauwe broek, zwart shirt, donkerblond/bruin haar.
Ik zie dat hij [slachtoffer 5] slaat met zijn rechterarm.
[slachtoffer 5] :
Ik zie dat verdachte [verdachte] hem slaat met zijn rechterarm. Ik zie dat [slachtoffer 5] op staat en zijn arm omhoog doet. Ik zie dat verdachte [medeverdachte 2] hem slaat met zijn rechterarm. Ik zie dat verdachte [medeverdachte 1] 2 keer, 1 keer met links en 1 keer met rechts slaat. Ik zie dat [slachtoffer 5] op de grond valt en dat verdachte [verdachte] hem schopt.
[slachtoffer 4] [slachtoffer 5]:
Ik zie dat verdachte [medeverdachte 1] haar slaat met zijn linkerarm. Ik zie dat ze op de grond valt.
[slachtoffer 1] ter Steege:
Ik zie dat zij een klap krijgt van verdachte [medeverdachte 1]. Hij slaat met zijn linkerarm. Ik zie dat ze op haar knieën op de grond terecht komt.
[slachtoffer 3]:
Ik zie dat verdachte [medeverdachte 1] hem probeert vast te pakken maar [slachtoffer 3] valt op de grond. Verdachte [medeverdachte 1] schopt hem met zijn rechtervoet terwijl hij op de grond ligt. Ik zie dat verdachte [verdachte] met zijn rechterbeen twee keer schopt. Ik zie dat verdachte [verdachte] nog een keer schopt.