Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2057

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
AK_26_1084
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbAlgemene wet bestuursrechtJeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag jeugdhulp; voorlopige voorziening toegekend

Deze uitspraak betreft een beroep tegen het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten wegens het niet tijdig beslissen op een aanvraag om ondersteuning op grond van de Jeugdwet.

De aanvraag werd op 1 november 2025 ingediend, waarna de beslistermijn van acht weken verstreek zonder besluit. Eiser stelde het college op 26 maart 2026 in gebreke en verzocht binnen twee weken te beslissen. Het beroep werd te vroeg ingediend, maar op de zitting werd het alsnog ontvankelijk verklaard. Omdat het college nog steeds geen besluit had genomen, werd het beroep gegrond verklaard.

De rechtbank weigerde een getrapte besluitvorming met een voorlopig en definitief besluit vanwege rechtszekerheid en kende ambtshalve een voorlopige voorziening toe. Deze voorziet in een persoonsgebonden budget voor acht uur per week individuele begeleiding tegen het informele uurtarief, aansluitend bij de vermindering van werktijd van de vader van eiser.

De voorlopige voorziening geldt met onmiddellijke ingang tot zes weken na het primaire besluit. De rechtbank benadrukte het belang van herstel van vertrouwen tussen partijen en wees op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep wegens niet tijdig beslissen wordt gegrond verklaard en een voorlopige voorziening toegekend voor acht uur per week individuele begeleiding.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1084
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

wettelijk vertegenwoordigd door [naam 1], zijn moeder,
en

het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten.

Inleiding

1.1.
Deze uitspraak gaat over een beroep dat is ingediend omdat het college niet tijdig heeft beslist om een aanvraag om ondersteuning op grond van de Jeugdwet.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de moeder van eiser, bijgestaan door [naam 2] en namens het college
[naam 3] en [naam 4].
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2.1.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond;
- treft een voorlopige voorziening door eiser een persoonsgebonden budget te verlenen voor individuele begeleiding voor 8 uur per week, tegen het daarvoor geldende informele uurtarief;
- draagt het college op het griffierecht te vergoeden.
2.2.
De voorlopige voorziening geldt met onmiddellijke ingang en tot zes weken nadat het primaire besluit is genomen.

Motivering

3.1.
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
3.2.
Op 1 november 2025 is namens [eiser] (hierna ook: eiser) een aanvraag om ondersteuning op grond van de Jeugdwet ingediend. Uitgaande van de beslistermijn van acht weken uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verstreek de termijn om te beslissen op de aanvraag op 30 december 2025. Eiser heeft het college op 26 maart 2026 in gebreke gesteld voor het niet tijdig nemen van een besluit en verzocht binnen twee weken te beslissen. Voordat die twee weken waren verstreken heeft eiser bij de rechtbank het beroep wegens ‘niet tijdig beslissen’ ingesteld. Dat was te vroeg. Op de dag van de zitting waren die twee weken wel verstreken. Op de zitting is besproken dat het beroep ontvankelijk zou zijn als namens eiser ter plekke alsnog (opnieuw) beroep zou worden ingesteld. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien het al ingediende beroep ontvankelijk te achten. Omdat er nog steeds geen besluit is genomen, is het beroep ook gegrond. Ook de termijn van de bestuurlijke dwangsom is gaan lopen.
3.3.
Omdat het beroep wegens ‘niet tijdig beslissen’ gegrond is, moet de rechtbank in beginsel bepalen binnen welke termijn het college alsnog een besluit bekend moet maken en of er reden is een gerechtelijke dwangsom op te leggen als die termijn niet wordt gehaald. De rechtbank doet dit niet, omdat er in dit geval aanleiding is een voorlopige voorziening te treffen [1] .
3.4.
Het college heeft op de zitting voorgesteld een voorlopig besluit te nemen zodra de jeugdconsulent met de ouders van eiser heeft gesproken, en dit besluit weer te herzien zodra het advies van Factum is afgerond en daaropvolgend besluitvorming heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat een constructie met een ‘voorlopig besluit’ gevolgd door een ‘definitief besluit’ voor eiser onvoldoende duidelijkheid biedt wat zijn rechtspositie is. Het is immers onzeker of het ‘voorlopige besluit’ stand houdt in het ‘definitieve besluit’. Dat het college in het ‘voorlopig besluit’ een voorzichtige inschatting maakt zodat eiser er bij een ‘definitief besluit’ niet op achteruit gaat doet daar niet aan af. Dat staat immers niet vast. Omdat een dergelijke getrapte besluitvorming in strijd is met de rechtszekerheid zal de rechtbank een voorlopige voorziening treffen. Het college kan dan na afronding van de advisering een primair besluit nemen.
3.5.
Het is de rechtbank duidelijk geworden dat het vertrouwen tussen partijen over en weer is afgenomen. De rechtbank vindt het van groot belang dat partijen de tijd nemen om met elkaar te werken aan het noodzakelijke herstel daarvan. Dit is ook in het belang van [eiser]. Partijen moeten immers met elkaar verder en een goede verstandhouding is hiervoor noodzakelijk. Het is positief dat het college hier op de zitting al een goede eerste aanzet toe heeft gegeven.
3.6.
Besproken is ook dat de vader van [eiser] acht uur per week minder is gaan werken op het moment dat de begeleiding thuis van de Twentse zorgcentra in 2024 is beëindigd. Bij het treffen van een voorlopige voorziening sluit de rechtbank bij deze omvang in uren aan. Volgens de geldende Verordening is het uurtarief voor informele hulp het wettelijk minimumloon. De rechtbank ziet daarom aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat aan eiser met ingang van de dag van de uitspraak een persoonsgebonden budget wordt verleend voor acht uren per week individuele begeleiding door het sociaal netwerk, tegen het daarvoor geldende informele uurtarief.

Conclusie en gevolgen

4. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026 door mr. W.M.B. Elferink, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit is mogelijk op grond van artikel 8:72, vijfde lid van de Awb.