ECLI:NL:RBOVE:2026:205

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
ak_25_21
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 56, tweede lid, Wet WIAArtikel 2, vijfde lid, onder d, Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Eiseres, voormalig callcentermedewerkster, kreeg sinds 2014 een WIA-uitkering wegens psychische klachten en epilepsie. Na meerdere herbeoordelingen waarbij sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden (GBM), vond in februari 2024 een nieuwe beoordeling plaats. Het UWV stelde vast dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor haar WIA-uitkering per 27 mei 2024 werd beëindigd.

Eiseres maakte bezwaar en stelde dat zij niet in staat was te werken en dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening had gehouden met haar gezondheidsklachten. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, mede doordat eiseres meerdere keren is gehoord en aanvullende medische informatie is ingewonnen. De rapporten van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige waren inzichtelijk en logisch.

De rechtbank verwierp het verweer dat nog sprake was van een GBM-situatie en dat onvoldoende beperkingen waren vastgesteld. Ook het argument dat de beëindiging tot onaanvaardbare financiële en psychische problemen leidde, werd niet gevolgd. De rechtbank concludeerde dat eiseres op de datum in geding in staat was om passende voorbeeldfuncties te verrichten en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 27 mei 2024.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/21

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. M.P. Smit,
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gemachtigde: [gemachtigde].

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de beëindiging van haar
WIA-uitkering per 27 mei 2024. De uitkering is na een herbeoordeling beëindigd, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is bevonden. Eiseres is het daar niet mee eens. Volgens haar is zij niet in staat om te werken en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening gehouden met haar gezondheidsklachten. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep van eiseres is daardoor ongegrond.

Inleiding

1. Eiseres was werkzaam als callcenter medewerkster via Randstad voor gemiddeld
26 uur per week. Vanwege psychische klachten heeft zij zich op 10 juni 2012 ziekgemeld.
1.1
Na het doorlopen van de wachttijd van 104 weken heeft het UWV met ingang van
10 juni 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering aan eiseres toegekend op grond van de Wet Werk in inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA). Het arbeidsongeschiktheids-percentage was daarbij vastgesteld op 100%. Per einde wachttijd was sprake van een situatie van geen benutbare mogelijkheden (GBM), omdat eiseres op korte termijn niet beschikbaar zou zijn door de intensieve therapie(en) die zij volgde. Vanwege de te verwachten relevante verbetering werd door de verzekeringsarts in maart 2015 een herbeoordeling gepland.
1.2.
Met ingang van 10 november 2014 is de loongerelateerde WIA-uitkering overgegaan in een loonaanvullingsuitkering. In februari 2016 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden. Daarbij is de GBM-situatie niet gewijzigd. Vanwege de kans op relevante verbetering werd in oktober 2016 een herbeoordeling geadviseerd.
1.3.
In april 2017 heeft opnieuw een herbeoordeling plaatsgevonden. Ook toen is de
GBM-situatie niet gewijzigd. Vanwege de kans op relevante verbetering werd door de verzekeringsarts in mei 2018 een herbeoordeling geadviseerd.
1.4.
Op 1 september 2022 heeft Randstad om een herbeoordeling gevraagd. Daarin is verzocht om aan eiseres een IVA-uitkering toe te kennen, omdat zij inmiddels ruim 10 jaar op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is bevonden. De herbeoordeling vond plaats in februari 2024.
1.5.
Met het besluit van 26 maart 2024 heeft het UWV aan eiseres en haar ex-werkgever medegedeeld dat zij met ingang van 27 mei 2024 geen recht meer heeft op de WIA-uitkering, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%.
1.6.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van
22 november 2024 is het UWV bij het besluit van 26 maart 2024 gebleven.
1.7.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.8.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Standpunt van het UWV

2. Volgens het UWV heeft eiseres met ingang van 27 mei 2024 geen recht meer op een
WIA-uitkering, omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage minder is dan 35%, namelijk 20,9%. Ondanks haar beperkingen kan zij wel in staat worden geacht om de geselecteerde voorbeeldfuncties assemblagemedewerker metaalwaren, magazijnmedewerker en productiemedewerker metaal en elektro-industrie te verrichten. Hiervoor baseert het UWV zich op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, de functionele mogelijkhedenlijst (FML) en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

Standpunt van eiseres

3. Eiseres stelt primair dat nog steeds sprake is van een GMB-situatie, vanwege haar onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Subsidiair stelt zij dat in de FML onvoldoende beperkingen zijn vastgesteld bij de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Daarbij voert zij aan dat ook Randstad om een toekenning van een
IVA-uitkering heeft gevraagd, omdat geen sprake lijkt te zijn van duurzaam benutbare mogelijkheden.
3.1.
Verder voert eiseres aan dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat zij door de beëindiging in grote financiële en (bijkomende) psychische problemen is gekomen, omdat zij geen bijstandsuitkering kon aanvragen. Van de gemeente kreeg zij pas op 18 december 2024 een beslissing, waarin met ingang van 28 oktober 2024 een bijstandsuitkering is toegekend. In de tussenliggende maanden heeft zij geld moeten lenen bij vrienden, waardoor zij nog verder in de schulden is gekomen.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd met ingang van 27 mei 2024. Dit is de datum waar het in deze beroepsprocedure om gaat (datum in geding). De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als iemand ten minste 35% arbeidsongeschikt is. Deze mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat iemand in zijn of haar laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij of zij in theorie kan verdienen in passende functies.
Op grond van artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA, wordt bij de beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering rekening gehouden met een uitlooptermijn van 2 maanden en 1 dag. Het UWV mag zijn besluiten over de WIA baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch volgen uit de rapporten.
Zorgvuldig onderzoek
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. Eiseres is in de eerste plaats uitgenodigd voor een fysiek spreekuur, maar dat is vanwege de zorg voor haar kinderen niet doorgegaan. Vervolgens is door het UWV het belang van een spreekuur aan haar uitgelegd, maar eiseres is niet naar het spreekuur gegaan. Daarom heeft de arts op
22 februari 2024 een telefonisch spreekuur gehouden. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres wel gezien bij de hoorzitting op 18 juli 2024. Eiseres heeft haar gezondheidssituatie en bezwaren dan ook kunnen toelichten. Daar was ook haar begeleider bij aanwezig. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep actuele informatie opgevraagd bij de huisarts. Ook is informatie verkregen van een neuroloog en maatschappelijk werk. Vanwege al deze feiten is het onderzoek zorgvuldig geweest. Tijdens de zitting is ook niet concreet gemaakt waarom dat volgens eiseres niet zo is.
Verzekeringsgeneeskundige beoordeling
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de rapporten van de artsen inzichtelijk en begrijpelijk zijn. De arts concludeert in het rapport van 29 februari 2024 dat bij eiseres sprake is van epilepsie en een borderline persoonlijkheidsstoornis. De uitgebreide psychiatrische problematiek staat volgens de arts op de voorgrond en de nieuwe diagnose epilepsie is door medicatiegebruik redelijk onder controle. Van een GBM-situatie kan inmiddels niet meer gesproken worden, omdat de intensieve behandelingen zijn gestopt. Het feit dat eiseres grote moeite heeft om zich staande te houden met twee jonge kinderen, waar zij grotendeels alleen de zorg voor draagt, maakt niet dat zij niet kan werken. Wel is zij vanwege epilepsie en de borderline persoonlijkheidsstoornis beperkt in haar persoonlijk en sociaal functioneren. Zo kan zij alleen werk verrichten met een voorspelbare werksituatie en zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. Vanwege haar medicatie mogen er geen gevaarlijke werkomstandigheden zijn. Ook gelden beperkingen voor het uiten van eigen gevoelens, omgaan met conflicten en samenwerken. Klant- en patiëntencontact en leidinggeven is in het geheel niet mogelijk. Volgens de arts kan eiseres ook niet ’s nachts werken of in onregelmatige diensten. Deze beperkingen zijn vastgesteld in de FML van
22 februari 2024.
4.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert in de rapporten van 26 september 2024 en 15 november 2024 dat de beoordeling van de arts moet worden aangepast. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep klopt het dat er geen sprake meer is van een GBM-situatie, maar is er wel aanleiding om meer beperkingen vast te stellen. Vanwege een posttraumatische stressstoornis gelden ook beperkingen voor werk met veelvuldige storingen en onderbrekingen en een werkomgeving met veel lawaai (prikkels). Ook mag eiseres tijdens werkzaamheden geen voertuigen besturen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er op medische gronden geen reden voor een urenbeperking, maar vanwege de kwetsbaarheid van eiseres is het aantal uren wel gemaximeerd op 8 uur per dag. Deze beperkingen zijn vastgesteld in de FML van 15 november 2024.
Beroepsgronden
4.5.
De beroepsgrond dat (nog steeds) sprake is van een GBM-situatie vanwege onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren, volgt de rechtbank niet. Daarvan kan alleen sprake zijn als iemand als gevolg van een ernstige psychische stoornis op de gebieden zelfzorg, samenlevingsverband en sociale contacten buiten het gezin, niet of dermate minimaal functioneert dat hij of zij psychisch niet zelfredzaam is. [1] Dat een dergelijke situatie op of rondom de datum in geding aanwezig was bij eiseres, is niet gebleken. Er is geen (medische) informatie overgelegd waaruit dat blijkt. Eiseres heeft ook niet concreet gemaakt waaruit dan volgt dat zij op alle drie de genoemde gebieden niet of minimaal functioneert.
4.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navolgbaar gemotiveerd dat op de datum in geding geen sprake meer was van intensieve behandeling(en). Daardoor was er ook om die reden geen aanleiding meer om een GBM-situatie aan te nemen.
4.7.
Ook de beroepsgrond dat onvoldoende beperkingen zijn vastgesteld in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, slaagt niet. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting aangegeven dat eiseres bijvoorbeeld niet in staat is om samen te werken of om zich te concentreren. Voor deze en andere onderdelen bij persoonlijk en sociaal functioneren zijn echter nu juist wel beperkingen vastgesteld in de FML. Daarom heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daar voldoende rekening mee gehouden. Dit betekent dat terecht is beslist dat eiseres op de datum in geding in staat moet worden geacht om de geduide voorbeeldfuncties te verrichten. Tegen die functies zijn desgevraagd geen concrete beroepsgronden aangevoerd.
4.8.
De beroepsgrond dat eiseres door de beëindiging (nog verder) in de financiële en psychische problemen is gekomen, slaagt ook niet. Zonder de ernst van haar problemen te bagatelliseren wijst de rechtbank op het feit dat het UWV een uitlooptermijn van twee maanden en één dag heeft toegepast. Hierdoor is eiseres in de gelegenheid gesteld om rekening te houden met de beëindiging van haar WIA-uitkering.
4.9.
Ter voorlichting aan eiseres merkt de rechtbank nog op dat zij eventueel een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid bij het UWV kan doen als uit medische informatie blijkt dat haar gezondheidsklachten zijn toegenomen en/of als zij weer een (intensieve) behandeling krijgt. Tijdens de zitting is dit ook met partijen besproken.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Daarom krijgt zij het door haar betaalde griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoge beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2, vijfde lid, onder d, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Zie ook