Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2033

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
11858200 \ CV EXPL 25-2469
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over bonusbetaling en niet-gecompenseerde weekenddagen na beëindiging dienstverband

Eiser was van oktober 2017 tot april 2025 in dienst bij gedaagde als Area Sales Manager. Na opzegging vordert eiser betaling van niet uitbetaalde vakantie-uren, een toegezegde bonus en vergoeding voor niet-gecompenseerde weekenddagen. Gedaagde betwist de vorderingen en stelt dat het dienstverband correct is afgewikkeld.

De kantonrechter oordeelt dat de persoonsgegevens van eiser reeds zijn verwijderd en dat eiser onvoldoende belang heeft bij het verwijderd houden van deze gegevens. De vordering inzake niet uitbetaalde vakantie-uren is ingetrokken door eiser. De bonusvordering wordt deels toegewezen: een bonus van twee maandsalarissen is toegezegd zonder voorwaarden en moet worden betaald minus reeds verrekende studiekosten.

De vordering voor niet-gecompenseerde weekenddagen wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs van wijziging in de tijd-voor-tijdregeling. De kantonrechter compenseert de proceskosten en wijst buitengerechtelijke kosten af. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde moet een bonus van twee maandsalarissen betalen minus verrekening, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11858200 \ CV EXPL 25-2469
Vonnis van 14 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. T.R. Oude Veldhuis,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. S.M. Profijt.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de aanvullende producties 14 t/m 17 van [eiser];
- de aanvullende productie 13 van [gedaagde];
- de mondelinge behandeling van 9 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten en het geschil

2.1.
[eiser] is van 1 oktober 2017 tot en met 30 april 2025 in dienst geweest van [gedaagde] als Area Sales Manager, tegen een salaris van laatstelijk € 8.269,93 bruto per maand. [eiser] heeft het dienstverband opgezegd en heeft [gedaagde] daarbij verzocht om een correcte afwikkeling van het dienstverband.
2.2.
Volgens [eiser] is het dienstverband niet correct afgewikkeld. Hij vordert bij dagvaarding dat [gedaagde] de gegevens van [eiser] (als naam en foto) op de website van [gedaagde] verwijdert en verwijderd houdt, op straffe van een dwangsom, en verder wordt verzocht [gedaagde] te veroordelen tot betaling van diverse bedragen. Een bedrag van € 19.528,48 bruto voor niet uitbetaalde vakantie/ADV uren, een bedrag van € 17.917,63 bruto voor een toegezegde bonus en een bedrag van € 11.785,32 bruto voor niet gecompenseerde gewerkte weekenddagen, te vermeerderen met wettelijke rente, wettelijke verhoging en buitengerechtelijke kosten.
2.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. Volgens [gedaagde] is het dienstverband (inmiddels) correct afgewikkeld. Aan [eiser] komt volgens [gedaagde] niets meer toe.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Gebleken is dat [gedaagde] vlak na het uitbrengen van de dagvaarding heeft voldaan aan het verzoek tot verwijdering van de gegevens van [eiser] van de website van [gedaagde]. [gedaagde] heeft daarbij tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de vertraging onder meer te maken had met de overgang naar een andere website. [gedaagde] realiseert zich dat zij hierbij fout zat. [eiser] heeft wat deze vordering betreft zijn eis gewijzigd in die zin dat de vordering alleen nog ziet op het verwijderd houden van de gegevens van [eiser], op straffe van een dwangsom. De kantonrechter zal deze vordering afwijzen. De gegevens van [eiser] zijn verwijderd en gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] voornemens is zijn gegevens weer op de (nieuwe) website te zetten. [eiser] heeft daarom onvoldoende belang bij zijn vordering tot het verwijderd houden van de gegevens.
3.2.
Na het door [gedaagde] bij conclusie van antwoord gevoerde verweer dat bij de eindafrekening van de arbeidsovereenkomst de vordering inzake niet-uitbetaalde vakantie/ADV uren, is verrekend met voor [eiser] betaalde nota’s van Nyenrode, heeft [eiser] deze vordering tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. De vorderingen van [eiser] die betrekking hebben op de bonus en niet-gecompenseerde gewerkte weekenddagen blijven nog ter beoordeling over.
bonus
3.3.
Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak is gebleken dat ook deze vordering al voor een deel van € 8.120,30 bruto is verrekend met voor [eiser] betaalde studiekosten. [eiser] vordert na vermindering van eis op dit punt [gedaagde] nog te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 9.797,33 bruto (€ 17.917,63 - € 8.120,30), te vermeerderen met rente en wettelijke verhoging. Volgens [eiser] had hij recht op twee maandsalarissen bonus over het jaar 2024, berekend naar het maandsalaris van de maand waarin de bonus zou moeten worden betaald, te vermeerderen met vakantietoeslag. De bonus is hem onvoorwaardelijk toegezegd omdat hij zijn target heeft gehaald, en is niet als een aanblijfbonus toegezegd, zoals [gedaagde] stelt. Van dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden is volgens [eiser] geen sprake. Als de toezegging wordt vernietigd, doet [eiser] subsidiair een beroep op de bonusregeling zelf, omdat hij volgens hem zijn target gewoon gehaald heeft.
3.4.
Volgens [gedaagde] had [eiser] recht op een bonus van 50,7% van twee maandsalarissen op grond van de door hem behaalde omzet, berekend naar het maandsalaris in 2024 en zonder vakantietoeslag. [gedaagde] heeft [eiser] op 31 maart 2025 laten weten dat de volledige bonus van twee maandsalarissen wordt betaald, omdat ze wilde voorkomen dat [eiser] [gedaagde] zou verlaten. [eiser] heeft niet als goed werknemer gehandeld tijdens dat gesprek op 31 maart 2025. Hij heeft in het gesprek met geen woord gerept over zijn besluit om later die dag de arbeidsovereenkomst op te zeggen. In plaats daarvan heeft hij [gedaagde] bewogen om in te stemmen met een voor haar ongunstige rechtshandeling, wetende dat het [gedaagde] veel waard was om hem te behouden voor de onderneming. Vervolgens heeft hij snel de toezegging schriftelijk bevestigd waarna slechts enkele uren later de opzegging van de arbeidsovereenkomst plaatsvond. [gedaagde] is van mening dat sprake is van een vernietigbare afspraak nu de toezegging tot stand is gekomen primair onder invloed van bedrog, subsidiair onder invloed van dwaling en meer subsidiair misbruik van omstandigheden.
3.5.
Bij het gesprek op 31 maart 2025 waren aanwezig [eiser] en de heren [naam 1] en [naam 2] van [gedaagde]. Vast staat dat [eiser] toen nog arbeidsongeschikt was en dat hij daarvóór, op 25 februari 2025, had uitgesproken dat hij [gedaagde] wilde verlaten.
[naam 1] heeft over het gesprek schriftelijk onder meer het volgende verklaard:
“Tijdens het gesprek is de calculatie van de bonus besproken waarbij wij hebben uitgelegd waarom de bonus uit kwam op 50,7% van de basis van twee maandsalarissen. We hebben de berekening order voor order doorgenomen en uitgelegd. Het was helder dat [eiser] niet in aanmerking kwam voor de maximale bonus van 2 maanden terwijl [eiser] desondanks toch twee maanden bonus terecht vond voor al zijn inspanningen. Het feit dat [eiser] erop aandrong dit gesprek op de laatste dag van de maand te willen hebben, triggerde [naam 2] en mijzelf om toch [eiser] tegemoet te komen en hem twee maandsalarissen toe te zeggen zodat hij aan onze organisatie verbonden zou blijven. Het is tijdens het gesprek heel duidelijk gemaakt dat de toezegging over de bonus alleen maar uit coulance was gedaan om hem voor [gedaagde] te behouden”.
[naam 2] heeft over het gesprek onder meer schriftelijk verklaard:
“We hadden hierover al meerdere keren met elkaar gesproken, maar zonder resultaat. Feitelijk had [eiser] geen poot om op te staan, daarom verbaast mij het ook uitermate dat hij daar nu op terugkomt. Omdat ik het belangrijk vond dat [eiser] met motivatie en tevredenheid bij [gedaagde] zou blijven werken en niet zou overwegen om het bedrijf te verlaten, heb ik tijdens dit gesprek aangegeven dat hij de maximale bonus alsnog kon ontvangen. Deze beslissing was bedoeld om de discussie te beëindigen en de werkrelatie goed te houden.
[eiser] was zich er volledig van bewust dat mijn toezegging over de bonus uitsluitend was gedaan met het oog op zijn behoud voor [gedaagde] en niet voortkwam uit een inhoudelijke herziening van mijn oorspronkelijke standpunt.”
[eiser] heeft over het gesprek onder meer schriftelijk verklaard:
“Tijdens het gesprek dat ik op 31 maart heb afgedwongen, werd bij binnenkomst door de heer [naam 1] direct het besluit gedeeld om mij twee maanden bonus toe te kennen. Over deze bonus is tijdens dat gesprek verder geen inhoudelijk uitsluitsel besproken. Voor mij was duidelijk dat deze bonus werd toegekend op basis van mijn prestaties en inzet over 2024 en niet als een zogenoemde aanblijfbonus. Zo is dit ook niet besproken. Bovendien zou dit onlogisch zijn, aangezien een aanblijfbonus normaal gesproken pas na verloop van tijd wordt uitgekeerd en niet vooraf.”
3.6.
Na het gesprek op 31 maart 2025 vond ‘s avonds de volgende e-mailwisseling plaats. [eiser] e-mailt na het gesprek op 31 maart 2025 om 18.40 uur aan [gedaagde] het volgende:
“Heren,
Wellicht zojuist onderbelicht maar dank voor het toezeggen van de twee
maandsalarissen aan bonus.(…)”
Om 18.53.11 uur reageert [gedaagde] daar vervolgens op als volgt:
“SubJect: Re: Bonus 2024
Graag gedaan [eiser]!
Best wishes,
Dr. [naam 2]”
[eiser] schrijft daarna in een e-mail van 31 maart 2025 21.59 uur onder meer:
“(…) In de bijlage vinden jullie mijn formele brief met betrekking tot de beëindiging van mijnarbeidsovereenkomst bij [gedaagde].
Zoals toegelicht in de brief, heb ik na zorgvuldige overweging, maar mede ook naar aanleiding van ons gesprek van vanmiddag, vanavond definitief besloten mijn eerder ingediende ontslag door te zetten. Ik wil jullie dan ook vriendelijk verzoeken mijn vertrek per 30 april 2025 te bevestigen.
Het is voor mij een lastig besluit geweest, ik had mijn toekomst binnen [gedaagde] dan ook graag anders gezien. (…)
In de formele brief bij die e-mail staat onder meer:
“(“…) Op 25 februari heb ik in een gesprek met [naam 2] mijn ontslag ingediend. Op dringend verzoek werd mij gevraagd dit besluit te heroverwegen, met de toezegging dat er op 17 maart een vervolggesprek zou plaatsvinden waarin een plan van aanpak besproken zou worden om de arbeidsrelatie te verbeteren. Door omstandigheden heeft dit gesprek uiteindelijk plaatsgevonden met [naam 1] .
Uit dit gesprek, en ondanks herhaaldelijke verzoeken, is er tot op heden nog steeds geen
concreet plan opgesteld. In ons gesprek van vanmiddag is wel afgesproken om dit alsnog de
komende week op te pakken. Tevens is vanmiddag de bonus over 2024 toegezegd, ter waarde van twee maandsalarissen, op basis van het feit dat ik mijn targets over 2024 ruimschoots heb behaald. De toezegging is dat deze bonus komende donderdag aan mij overgemaakt zal worden.
De gesprekken van het afgelopen jaar, evenals de gang van zaken in de afgelopen maand,
hebben bij mij helaas niet het vertrouwen doen ontstaan waarop ik had gehoopt. Ondanks mijn inzet en bereidheid om samen stappen vooruit te zetten, moet ik constateren dat het voor mij niet langer passend voelt om mijn loopbaan binnen [gedaagde] voort te zetten. Ik moet concluderen dat er tot nu toe geen enkele concrete stap is gezet richting een betere en veiligere werkomgeving voor mij, en het gesprek van vanmiddag heeft mij hierin helaas niet op andere gedachten gebracht.
Na zorgvuldige overweging, zowel in de afgelopen weken als naar aanleiding van het gesprek van vandaag, heb ik besloten vast te houden aan mijn oorspronkelijke besluit. Ik verzoek jullie hierbij om mijn ontslag te accepteren, waardoor ik per 30 april 2025 uit dienst zal treden.(…)”
Hierop volgt een e-mail om 22.45.43 uur van [naam 1]
“(…)Beste [eiser],
Naar aanleiding van het constructieve gesprek van vanmiddag zag ik dit niet aankomen.
Het stemt mij bedroeft dat het hier zo eindigt. Maar bij deze bevestigen wij jouw
uitdiensttreding per 30 april 2025.
We zullen alles op de rij zetten en werken aan een nette afronding. Ik wil je wel alvast wijzen op het geldende concurrentiebeding en een afrekening van de studiekosten.
Laten we deze week kijken hoe we tot een juiste afronding en overdracht van
werkzaamheden komen. (…)”
3.7.
De kantonrechter overweegt dat tegen de achtergrond van het feit dat [eiser] arbeidsongeschikt en ontevreden was en hij al eerder had gezegd dat hij [gedaagde] wilde verlaten, het geen verbazing hoeft te wekken dat [eiser] heeft aangestuurd op een gesprek op de laatste dag van de maand om, bij blijvende ontevredenheid, de arbeidsovereenkomst nog die maand op te kunnen zeggen. [gedaagde] was zich daarvan ook bewust, gelet op de verklaring van [naam 1]. [gedaagde] stelt weliswaar dat de toezegging van een bonus ter hoogte van twee maandsalarissen in dat gesprek tot stand is gekomen onder invloed van een wilsgebrek, maar de kantonrechter volgt [gedaagde] daarin niet. Vast staat dat de bonus van twee maandsalarissen in dat gesprek is toegezegd, zonder dat daarbij concrete voorwaarden, zoals het voor een bepaalde termijn moeten aanblijven bij [gedaagde], zijn gesteld. Het door [gedaagde] gestelde bedrog, de dwaling en het misbruik van omstandigheden zijn gegrond op de stellingen dat [eiser] opzettelijk relevante feiten heeft verzwegen, namelijk dat hij de arbeidsovereenkomst diezelfde dag nog zou opzeggen en dat, als [gedaagde] dat had geweten, zij de toezegging nooit zou hebben gedaan. Ook zou [eiser] in het gesprek (ten onrechte) zijn loyaliteit hebben doen voorkomen terwijl [gedaagde] hem wilde behouden en die positie heeft misbruikt om een toezegging af te dwingen die hem anders niet zou zijn gedaan. Die gronden veronderstellen allemaal de kennis bij [eiser] dat hij al vóór of tijdens het gesprek zeker wist dat hij de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] zou opzeggen. Dat laatste is door [eiser] uitdrukkelijk weersproken en ook de kantonrechter krijgt dat beeld onvoldoende uit de verklaringen en de correspondentie. De kwestie van de bonus was niet het enige dat op dat moment tussen [eiser] en [gedaagde] speelde. Er lijkt sprake van situatieve arbeidsongeschiktheid bij [eiser] na een aanvaring met [naam 2], de CEO van [gedaagde], en het ligt mede gelet op de verklaring van [eiser] voor de hand dat het gesprek op 31 maart 2025 om méér ging dan alleen de zakelijke vraag hoeveel bonus [eiser] toekwam. [naam 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling ook erkend dat het gesprek op 31 maart 2025 niet alleen over de bonus ging maar ook over de vraag ‘hoe nu verder?’, de bonus was volgens hem een onderdeel van de verstoring tussen partijen. Het is niet onaannemelijk dat [eiser] pas na het gesprek, en na het bespreken van de kwestie met zijn partner, definitief heeft besloten [gedaagde] te verlaten, zoals [eiser] (en zijn partner) schriftelijk hebben verklaard. Dat [eiser] al vóór of tijdens het gesprek zeker wist dat hij [gedaagde] zou verlaten is onvoldoende vast komen te staan. Bovendien had [gedaagde] daar onder de gegeven omstandigheden ook zelf naar kunnen vragen als die zekerheid voor haar zo belangrijk was. De gevraagde vernietiging van de afspraak of toezegging kan niet op die feitelijke grond worden toegewezen, nog afgezien van de vraag of aan de overige voorwaarden voor een beroep op een van de wilsgebreken is voldaan. [eiser] heeft daarom recht op de toegezegde bonus.
3.8.
De bonusregeling zelf is niet op schrift gesteld. [eiser] vordert de bonus berekend naar het loon van de maand waarin de bonus wordt toegekend en inclusief vakantiegeld. [gedaagde] heeft de stelling van [eiser], dat in het verleden de bonus werd betaald naar het salaris van de maand waarin deze betaald werd, betwist en de stelling is door [eiser] ook niet onderbouwd met stukken. Daarbij komt dat het op zich logisch voor komt dat een bonus over een bepaald jaar wordt uitgekeerd gebaseerd op het loon van dat jaar.
De kantonrechter neemt daarom aan dat de bonus moet worden berekend naar het loon van de laatste maand van in dit geval 2024. De kantonrechter volgt verder de regeling letterlijk, dat maximaal een bonus van twee maandsalarissen wordt betaald, in die zin dat het alleen om maandsalarissen gaat, niet dat daarover ook nog vakantiegeld wordt berekend. Dat in het verleden ook vakantiegeld werd toegekend over behaalde bonussen is gesteld noch gebleken. Gelet hierop zal worden toegewezen een bonus van twee maandsalarissen naar het salaris van [eiser] in december 2024, waarop in mindering strekt het verrekende bedrag van € 8.120,30 bruto.
3.9.
niet gecompenseerde gewerkte weekenddagen
[eiser] maakt aanspraak op een vergoeding voor niet gecompenseerde weekenddagen waarop hij reisde of werkte in het kader van dienstreizen. [eiser] verwijst naar een e-mail van [naam 3], destijds CEO van [gedaagde], in welke e-mail (van 13 februari 2017) staat dat bij weekendwerk de regel geldt dat deze dagen in vrije tijd worden gecompenseerd, niet exact op uurbasis maar naar dagnivo gekeken. Volgens [eiser] is dat de eerste zeven jaren van het dienstverband ook zo toegepast in de praktijk en werd deze werkwijze in 2024 eenzijdig door [gedaagde] gewijzigd. Sindsdien diende [eiser] alle door hem opgenomen vrije tijd te registreren, waarna deze dagen werden afgeboekt, zonder dat de weekenddagen waarop hij werkte en/of reisde zijn gecompenseerd. [eiser] heeft de in 2024 gewerkte dagen niet gecompenseerd door andere dagen vrij te nemen. Het betreft in de periode 2024 en 2025 28,5 dagen aan niet gecompenseerde tijd en dat resulteert in een vergoeding van
€ 11.785,32 bruto, aldus [eiser].
3.10.
[gedaagde] erkent de tijd-voor-tijdregel. Bij weekendwerk geldt de regel dat deze dagen in vrije tijd worden gecompenseerd. [eiser] had hier veel vrijheid en een en ander ging op goed vertrouwen. [eiser] compenseerde deze gewerkte dagen altijd. [eiser] stelt dat in 2024 de regels wat dat betreft zijn gewijzigd maar dat is niet juist. Bij de wijziging van het personeelshandboek welke wijziging op 11 november 2024 met het personeel is gedeeld, ging om het reizen an sich, niet om de tijd-voor-tijdregeling. Die regeling is niet aangepast. [eiser] kon, en heeft, tot het eind van de arbeidsovereenkomst volgens de gemaakte afspraken de gewerkte weekenddagen omgezet in vrije tijd zonder dat hij dit hoefde te verantwoorden. [eiser] had een buitendienstfunctie en had gewoon vrije dagen kunnen compenseren. Een deel van de dagen ziet bovendien op dagen voor zijn studie, en [gedaagde] betwist dat die dagen gecompenseerd mochten worden. Dat het compenseren van [gedaagde] niet zou mogen, blijkt nergens uit. [eiser] heeft deze post ook nooit eerder ter sprake gebracht, ook niet op 4 april 2025, aldus [gedaagde].
3.11.
De kantonrechter constateert dat de door [eiser] gestelde wijziging van de tijd-voor-tijdregeling niet is onderbouwd met stukken. Volgens [eiser] staat daarover niets op papier maar was [naam 2], de CEO van [gedaagde], daar verbaal heel duidelijk over. Nu [gedaagde] gemotiveerd heeft betwist dat de tijd-voor-tijd-regeling in 2024 is gewijzigd met als gevolg dat extra gewerkte weekenddagen eerst geaccordeerd moesten worden door de leidinggevende voordat [eiser] ze kon compenseren, heeft [eiser] zijn vordering onvoldoende onderbouwd. Aan de beantwoording van de vraag om welke weekenddagen het dan vervolgens nog zou gaan, gelet op de datum van de gestelde wijziging en de activiteiten op de betreffende weekenddagen wordt dan ook niet toegekomen. De vordering van [eiser] op dit onderdeel is niet toewijsbaar.
3.12.
Op basis van het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat alleen de vordering verband houdende met de bonus toewijsbaar is. Deze zal worden toegewezen als hierna opgenomen. [gedaagde] zal hiervan een salarisspecificatie moeten overleggen, zoals zij in de processtukken heeft toegezegd. Voor het opleggen van een dwangsom in verband hiermee bestaat vooralsnog onvoldoende belang.
3.13.
Over de bonus die resteert, is de wettelijke rente toewijsbaar vanaf 1 mei 2025. De gevorderde wettelijke verhoging hierover wordt onder de gegeven omstandigheden beperkt tot nihil en de kantonrechter ziet ook aanleiding buitengerechtelijke kosten af te wijzen en de proceskosten te compenseren. Tot die omstandigheden behoort de omstandigheid dat het hier om een gedeelte van een bonus gaat, zijnde een extra vergoeding over 2024, die op verdedigbare gronden is betwist door [gedaagde]. Ook heeft [eiser] geen openheid van zaken gegeven in de dagvaarding ten aanzien van de gemaakte afspraken over verrekening van diverse posten (ook de bonus) met zijn studiekosten. [eiser] wist dat diverse posten werden verrekend omdat partijen daarover afspraken hadden gemaakt, nota bene om de studiekosten voor [eiser] zo (fiscaal) voordelig mogelijk te betalen, zelfs nadat de arbeidsovereenkomst was beëindigd. [eiser] heeft wat dat betreft in strijd met art. 21 Rv Pro. gehandeld, ook al wist hij mogelijk niet precies hoeveel dagen [gedaagde] had verrekend. Partijen zijn bovendien over en weer in het (on-)gelijk gesteld.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bonus van twee maandsalarissen naar het salaris van [eiser] in december 2024, waarop in mindering strekt het verrekende bedrag van € 8.120,30 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 mei 2025 tot de dag waarop alles betaald is,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] van deze bonus een salarisspecificatie te verstrekken binnen vier weken na deze beslissing,
4.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op
14 april 2026.