Uitspraak
GEMEENTE [gemeente],
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de dagvaarding met producties van 21 juli 2025;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de mondelinge behandeling van 4 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die in het dossier worden bewaard;
- de op de mondelinge behandeling overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen van mr. Van den Muijzenberg.
3.De feiten
4.Het geschil
een andere inrichting aan (een deel van) het terrein geven’. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de Gemeente [gemeente] [recreatiepark] heeft gekocht met het doel er een nieuwe woonwijk te realiseren. Het staat ook niet ter discussie dat [recreatiepark] op dit moment is onderverdeeld in drie gebieden waarbij in deelgebied I en II nog (oude recreatie)woningen staan die door de Gemeente [gemeente] (tijdelijk) worden verhuurd, al dan niet aan dezelfde bewoners als toen [recreatiepark] nog een recreatiepark was. Deelgebied III is het gebied waar de staanplaatsen stonden en is inmiddels leeg. Dat er in deelgebied I en II nog steeds verhuur plaatsvindt, is een overblijfsel van het recreatiepark en maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat er sprake is van het anders inrichten van (een deel) van [recreatiepark] in de zin van de definitie van herstructurering. De Gemeente [gemeente] heeft namelijk een geheel andere bedoeling met de verhuur dan de verhuur die plaatsvond onder de vorige eigenaren van [recreatiepark] . De verhuur destijds had recreatie tot doel. Alhoewel er toen voor een deel al sprake was van permanente bewoning, werd dit gedoogd en was dat niet de bestemming en het doel. Dat is nu wel het geval.
het terrein en de centrale voorzieningen in een goede staat van onderhoud te houden’, maar dat [gedaagde] de Gemeente [gemeente] eerder dan de mondelinge behandeling over de slechte staat van het onderhoud en de voorzieningen en zijn, ten gevolge daarvan, verminderd huurgenot behoorlijk in kennis heeft gesteld of dat de Gemeente [gemeente] ermee bekend was, heeft hij onvoldoende gesteld. Ook het dossier bevat daartoe geen aanknopingspunten. Dit betekent dat [gedaagde] geen aanspraak kan maken op huurprijsvermindering.
6:96 lid 6 BW. In de brieven is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde] . De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.