Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1922

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
ak_25_1651
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbArt. 7:3 AwbArt. 7t Kadasterwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen bijhouding kadastrale gegevens niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

De zaak betreft het bezwaar van eiser tegen de bijhouding van de gegevens van een perceel in de Basisregistratie Kadaster, dat pas in 2025 werd ingediend terwijl de kennisgeving van bijhouding dateert uit 2014. De rechtbank oordeelt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en verklaart het bezwaar terecht niet-ontvankelijk.

Daarnaast verzocht eiser om herstel van de kadastrale grenzen van het perceel, stellende dat de aanwijzing in 2014 niet correct is weergegeven. De rechtbank stelt dat het verzoek om herstel alleen kan worden gericht tegen afwijkingen tussen de bijhouding en het brondocument, niet tegen het resultaat van de bijhouding zelf. Omdat het relaas van bevindingen als brondocument niet betwist kan worden, wijst de rechtbank het herstelverzoek af.

Eiser had tijdig bezwaar kunnen maken tegen het resultaat van de bijhouding, maar heeft dit nagelaten. Ook is geoordeeld dat de bewaarder de hoorplicht niet heeft geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De beroepen worden ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Bezwaar tegen bijhouding kadastrale gegevens niet-ontvankelijk verklaard en verzoek tot herstel afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1651

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats] (hierna: [eiser]), eiser

(gemachtigde: mr. S. Maakal),
en

de bewaarder van het Kadaster (hierna: de bewaarder), verweerder.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende] B.V.uit [vestigingsplaats] (hierna: [derde belanghebbende]) (gemachtigde: mr. A.L. Eijbergen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat in de eerste plaats over het besluit van de bewaarder om het bezwaar van [eiser] tegen de bijhouding van de gegevens van een perceel in de Basisregistratie Kadaster (hierna: de basisregistratie) niet-ontvankelijk te verklaren wegens termijnoverschrijding. De bijhouding is aan [eiser] meegedeeld in een brief van 2014 en hij heeft daartegen pas op 10 maart 2025 bezwaar gemaakt. De rechtbank oordeelt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Daarom heeft de bewaarder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. In de tweede plaats gaat deze uitspraak over de afwijzing van een verzoek van [eiser] om herstel van de gegevens van de kadastrale grenzen van het perceel in de basisregistratie. De rechtbank oordeelt dat de bewaarder het verzoek terecht heeft afgewezen. [eiser] voert aan dat de aanwijzing van de perceelsgrenzen in 2014 niet goed is weergegeven in het daarvan opgemaakte relaas van bevindingen. De inhoud van zo’n relaas kan echter niet worden betwist in het kader van een verzoek om bijhouding. [eiser] krijgt dus geen gelijk en beide beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 18 maart 2025 heeft de bewaarder een verzoek van [eiser] om herstel van de kadastrale grenzen van een perceel in de basisregistratie afgewezen. Met een besluit van 28 mei 2025 (hierna: het bestreden besluit I) heeft de bewaarder het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 18 maart 2025 kennelijk ongegrond verklaard en is de bewaarder bij de afwijzing gebleven.
2.1.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. De bewaarder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [derde belanghebbende] heeft ook schriftelijk gereageerd.
3. In december 2014 heeft de bewaarder de gegevens van het perceel bijgehouden in de basisregistratie. Dit is aan [eiser] meegedeeld in een brief van 18 december 2014. Met een besluit van 2 juli 2025 (hierna: het bestreden besluit II) heeft de bewaarder het bezwaar van [eiser] tegen de bijhouding niet-ontvankelijk verklaard.
3.1.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit II. De bewaarder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft de beroepen op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], de gemachtigde van [eiser], de bewaarder [naam 1], [naam 2] en [naam 3] (hierna: [naam 2] en [naam 3]) namens [derde belanghebbende] en de gemachtigde van [derde belanghebbende].

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de bestreden besluiten
5. [eiser] is in 2000 eigenaar geworden van een perceel aan de [adres], kadastraal bekend als [locatie 1] (hierna: [locatie 1]). In 2014 is dit perceel met het oog op de overdracht van een deel daarvan gesplitst in de percelen, kadastraal bekend als [locatie 2] (hierna: [locatie 2] en [locatie 3]). In verband hiermee heeft [eiser] op 26 november 2014 de nieuwe grenzen aangewezen aan de landmeter van het Kadaster. Deze aanwijzing is vastgelegd in het relaas van bevindingen [locatie 4] (hierna: [locatie 4]). Naar aanleiding van deze aanwijzing heeft de bewaarder de gegevens van de nieuw gevormde percelen [locatie 2] en [locatie 3] bijgehouden in de basisregistratie. Het resultaat van deze bijhouding is aan [eiser] meegedeeld in een kennisgeving van 18 december 2014.
6. Op 29 december 2014 is perceel [locatie 2] door [eiser] geleverd aan [naam 2] en [naam 3]. Dit is vastgelegd in de akte van levering 65482/132. In 2025 is dit perceel ingebracht in de besloten vennootschap [derde belanghebbende]. [eiser] is eigenaar gebleven van perceel [locatie 3].
7. Op 10 maart 2025 heeft [eiser] de bewaarder verzocht om de kadastrale grenzen tussen [locatie 2] en [locatie 3] te wijzigen op de kadastrale kaart en deze in overeenstemming te brengen met de aanwijzing in 2014. Ook heeft [eiser] de bewaarder verzocht om de kadastrale oppervlaktes van deze percelen te wijzigen.
8. De bewaarder heeft het verzoek van 10 maart 2025 in de eerste plaats aangemerkt als een verzoek om herstel van de kadastrale grenzen in de basisregistratie, zoals bedoeld in artikel 7t van de Kadasterwet. In het besluit van 18 maart 2025 heeft de bewaarder dit verzoek afgewezen. Met het bestreden besluit I heeft de bewaarder het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 18 maart 2025 kennelijk ongegrond verklaard en is de bewaarder gebleven bij de afwijzing van het verzoek tot herstel van de kadastrale grenzen.
9. De bewaarder heeft het verzoek van 10 maart 2025 bij nader inzien ook aangemerkt als bezwaar tegen de bijhouding van de gegevens van [locatie 2] en [locatie 3] in de basisregistratie, zoals aan [eiser] meegedeeld in de kennisgeving van 18 december 2014. Met het bestreden besluit II heeft de bewaarder het bezwaar van [eiser] tegen deze bijhouding niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift is ingediend ver na het einde van de bezwaartermijn van zes weken.
10. Er loopt een civiele procedure tussen [eiser] en [naam 2] en [naam 3] over de grens tussen [locatie 2] en [locatie 3]. [naam 2] en [naam 3] zijn van mening dat een deel van de houtwal / singel tussen beide percelen op hun grond (perceel [locatie 2]) staat. [eiser] is van mening dat deze houtwal / singel geheel op zijn grond (perceel [locatie 3]) staat.
Heeft de bewaarder het bezwaar tegen de bijhouding terecht niet-ontvankelijk verklaard?
11. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de bewaarder zijn bewaar tegen de bijhouding ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daartoe voert hij aan dat [locatie 4] niet bij de kennisgeving was gevoegd en dat uit de kennisgeving zelf niet bleek dat de bijhouding niet volgens de aanwijzing had plaatsgevonden. Dit is hem pas later gebleken. [eiser] stelt dat hij daarom destijds geen reden had om te twijfelen aan de juistheid van de bijhouding en dat hij destijds dus ook geen reden had om bezwaar te maken.
12. De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en dat de bewaarder het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij zal dit hierna toelichten.
12.1.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is zes weken. Deze termijn begint op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een besluit tot bijhouding van de gegevens van een perceel wordt aan de belanghebbenden bekend gemaakt door toezending of uitreiking. Een bezwaarschrift dat na afloop van de termijn is ingediend is niet-ontvankelijk, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dit volgt uit de artikelen 6:7, 6:8, eerste lid, en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en artikel 58, eerste lid, van de Kadasterwet.
12.2.
De bijhouding is aan [eiser] bekend gemaakt door middel van de kennisgeving van 18 december 2014. In deze kennisgeving staat dat [eiser] binnen zes weken een bezwaarschrift kan indienen als de in de bijlage vermelde gegevens onjuist zijn. Bij de kennisgeving zijn als bijlagen gevoegd een document met de kadastrale aanduidingen, de eigendomsgegevens en de groottes van het oude [locatie 1] en de nieuw gevormde percelen [locatie 2] en [locatie 3] en een uittreksel uit de kadastrale kaart met betrekking tot perceel [locatie 3]. [eiser] erkent dat hij deze kennisgeving en deze bijlagen heeft ontvangen. Hieruit volgt dat de bezwaartermijn van zes weken is begonnen op 19 december 2014. [eiser] heeft pas op 10 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen de bijhouding. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat [locatie 4] niet bij die kennisgeving is gevoegd geen reden om te oordelen dat het [eiser] niet kan worden aangerekend dat hij niet binnen zes weken na 18 december 2014 bezwaar heeft gemaakt. De bewaarder was niet verplicht om [eiser] [locatie 4] toe te sturen. Als de informatie in de kennisgeving voor [eiser] onvoldoende was om te kunnen bepalen of de bijhouding had plaatsgevonden in overeenstemming met de aanwijzing, had het op zijn weg gelegen om de bewaarder te vragen hem meer informatie te geven, bijvoorbeeld door hem [locatie 4] toe te sturen. Dat [eiser] dit niet heeft gedaan, komt voor zijn rekening en risico. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.
Heeft de bewaarder het herstelverzoek terecht afgewezen?
13. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de bewaarder ten onrechte heeft geweigerd om de kadastrale grenzen van [locatie 2] en [locatie 3] te herstellen. Hij is van mening dat er iets fout is gegaan bij de bijwerking van de basisregistratie naar aanleiding van de aanwijzing van de perceelsgrenzen in 2014. Dit blijkt volgens [eiser] uit het feit dat de eigendomsgrens nu loopt door het midden van een landschapselement dat is aangeduid op de tekening die is aangehecht aan de beheerovereenkomst die hij eerder heeft gesloten met de provincie Overijssel. Volgens [eiser] was dit landschapselement in de huidige vorm en over de volledige breedte van drie meter ook al aanwezig op het moment van het sluiten van de koopovereenkomst en het vaststellen van de akte van levering. Daarom is het niet aannemelijk dat hij heeft ingestemd met een grens die dit element doorsnijdt en dus ook niet dat hij de grens op die manier heeft aangewezen. [eiser] betwist dan ook dat hij dit heeft gedaan. Volgens [eiser] heeft hij met [naam 2] en [naam 3] afgesproken dat hij dit landschapselement in eigendom zou houden. In verband daarmee is in de akte van levering uitdrukkelijk verwezen naar de beheerovereenkomst en de daarbij behorende tekening waarop deze elementen zijn aangegeven.
14. De rechtbank is van oordeel dat de bewaarder het verzoek om herstel terecht heeft afgewezen. Zij zal dit hierna uitleggen.
14.1.
In artikel 7t, eerste lid, van de Kadasterwet is bepaald dat een belanghebbende de Dienst voor het kadaster en de openbare registers kan verzoeken om een in de basisregistratie opgenomen gegeven dat krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt, in die registratie te herstellen, als hij gerede twijfel heeft over de juistheid van dat gegeven.
14.2.
Op grond van deze bepaling is de bewaarder bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een in de basisregistratie genoemd gegeven te herstellen. Dat doet de bewaarder op basis van brondocumenten. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 7t van de Kadasterwet [1] kan worden afgeleid dat met deze bepaling is beoogd een regeling te bieden voor het op verzoek herstellen van misslagen in de basisregistratie. Een verzoek tot herstel kan gericht zijn tegen het feit dat de bijwerking zelf onjuist of onvolledig is gebeurd omdat de bijwerking niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig het resultaat, zoals vermeld in de kennisgeving. Het verzoek kan niet gericht zijn tegen het resultaat van de bijwerking, dat aan de belanghebbende is meegedeeld. Op grond van artikel 53 van Pro de Kadasterwet vindt bijwerking plaats als bijhouding of als vernieuwing. In dit geval is sprake van bijhouding.
14.3.
Het geschil gaat over de zuidwestelijke grens van het perceel [locatie 3]. Het brondocument voor deze grens is [locatie 4]. Dit relaas bevat namelijk een weergave van de aanwijzing van de kadastrale grenzen van de nieuw te vormen percelen [locatie 2] en [locatie 3] op 26 november 2014. Nadien zijn deze kadastrale grenzen niet meer gewijzigd. Anders dan [eiser] stelt, zijn de leveringsakte van 2014, de daarbij gevoegde beheerovereenkomst en/of de daar weer bij gevoegde tekening geen brondocumenten voor de grenzen tussen [locatie 2] en [locatie 3]. De levering heeft plaatsgevonden, nadat de grenzen eerder al waren vastgesteld op basis van de aanwijs in het kader van de splitsing. Zoals de bewaarder terecht heeft opgemerkt, is het gehele perceel [locatie 2] geleverd, zodat de akte van levering ook geen aanleiding gaf voor een (nieuwe) wijziging van de kadastrale grenzen van de percelen. Hieruit volgt dat de bewaarder in de leveringsakte, de beheerovereenkomst en de tekening terecht geen aanleiding heeft gezien om de grenzen van [locatie 2] en [locatie 3] te herstellen in de basisregistratie.
14.4.
In [locatie 4] staat dat de zuidwestgrens van perceel [locatie 3] evenwijdig ligt aan de sloot op een afstand van 3 meter van het midden van die sloot. Het standpunt van [eiser] houdt – kort gezegd – in dat deze weergave van de aanwijzing niet juist is. De juistheid van een brondocument kan echter niet worden aangevochten in het kader van een verzoek om herstel. Een verzoek om herstel kan alleen worden ingewilligd als er een verschil is tussen de bijhouding van de basisregistratie en het daaraan ten grondslag liggende brondocument. Als daartussen geen verschil bestaat, maar een belanghebbende het niet eens is met het resultaat van de bijhouding, kan het verzoek om herstel niet worden ingewilligd. [2] Tegen het resultaat van de bijhouding had [eiser] destijds bezwaar kunnen maken. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft [eiser] dit niet tijdig gedaan. Hieruit volgt dat de bewaarder het verzoek om herstel terecht heeft afgewezen. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.
Heeft de bewaarder de hoorplicht geschonden?
15. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn standpunt dat de bewaarder hem ten onrechte niet heeft gehoord naar aanleiding van zijn bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om herstel. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat wat [eiser] heeft aangevoerd in bezwaar niet kon leiden tot inwilliging van het verzoek om herstel. Daarom was op voorhand geen twijfel mogelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit en dat dit dus kennelijk ongegrond was. Dit betekent dat de bewaarder kon afzien van het horen van [eiser]. [3] Hieruit volgt dat deze beroepsgrond niet slaagt.

Conclusie en gevolgen

16. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de bijhouding en de afwijzing van het verzoek om herstel in stand blijven. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
de rechter is verhinderd om deze
uitspraak mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 544, nr. 3, p. 18 en 20, en Tweede Kamer, vergaderjaar 1981-1982, 17 496, nr. 5, p. 138-139.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1668, rechtsoverweging (hierna: r.o.) 8.
3.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2302, r.o. 8.