Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1810

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2502963:R-RK
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Insolventieverordening (EU 2015/848)Art. 288 lid 1 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot toelating schuldsaneringsregeling en afwijzing eerdere ingangsdatum

Verzoekster heeft de rechtbank verzocht haar toe te laten tot de schuldsaneringsregeling en tevens om de ingangsdatum van deze regeling op een eerdere datum te stellen, namelijk 1 april 2025, de datum waarop de schuldregelingsovereenkomst werd getekend.

De rechtbank beoordeelde het verzoek en concludeerde dat verzoekster voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot de schuldsaneringsregeling zoals gesteld in artikel 288 lid 1 van Pro de Faillissementswet. Er was geen grond voor afwijzing van het verzoek tot toelating.

Ten aanzien van het verzoek tot een eerdere ingangsdatum oordeelde de rechtbank dat verzoekster onvoldoende had aangetoond dat zij tijdens het minnelijk traject aan haar inspanningsplicht had voldaan. Zij had geen medische verklaring overgelegd die haar onvermogen tot arbeid tussen april 2025 en september 2025 onderbouwde en had geen inspanningen verricht om betaald werk te verkrijgen. Ook was onduidelijk of er sprake was van afdracht van spaarcapaciteit aan schuldeisers, terwijl het bestedingspatroon royaal was.

Daarom wees de rechtbank het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af en stelde zij de termijn van de schuldsaneringsregeling vast op achttien maanden vanaf de datum van uitspraak. Tevens werden een rechter-commissaris en bewindvoerder benoemd en werden de beslagleggingen opgeheven.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt toegewezen, verzoek tot eerdere ingangsdatum wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Team Insolventie
Zittingsplaats Almelo
Rekestnummer: NL:TZ:2502963:R-RK
Vonnis van dinsdag 27 januari 2026
op het verzoek van
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1]
verzoeker, hierna te noemen [verzoekster] ,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoekster] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en heeft daarbij om een eerdere ingangsdatum verzocht.
De rechtbank wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling toe en wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af.

1.De procedure

1.1.
De procedure bestaat uit:
- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;
- de zitting van dinsdag 20 januari 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoekster] ;
- de heer [echtgenoot] , echtgenoot van [verzoekster] ;
- mevrouw [naam] (h.o.d.n.) [bedrijf] , beschermingsbewindvoerder.
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het verzoek

2.1.
[verzoekster] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling waarbij zij ook verzoekt om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering op een eerdere datum te bepalen. Volgens [verzoekster] heeft zij een schuldenlast die zij niet zelf kan aflossen.

3.De beoordeling

3.1.
Het is een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)).
3.2.
De rechtbank wijst het verzoek toe. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoekster] heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van Pro de Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
3.3.
[verzoekster] verzoekt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling te bepalen op 1 april 2025, zijnde de datum waarop de schuldregelingsovereenkomst is getekend. De rechtbank dient te bepalen of [verzoekster] tijdens het minnelijk traject aan de inspanningsplicht heeft voldaan en maximaal heeft gespaard voor de schuldeisers.
[verzoekster] heeft verklaard dat ze sinds september 2025 een AOW-uitkering ontvangt. In de jaren daarvoor was er volgens [verzoekster] sprake van een vrijstelling van de sollicitatieplicht door de gemeente in verband met fibromyalgie en artrose. [verzoekster] heeft in die jaren geen betaald werk verricht en heeft niet gesolliciteerd. De rechtbank concludeert dat [verzoekster] geen medische verklaring heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij van
1 april 2025 tot september 2025 (bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd) geen betaalde arbeid kon verrichten. Nu zij betreffende die periode geen inspanningen heeft verricht om betaalde arbeid te verwerven, kan dat deel van het minnelijk traject niet meetellen bij het bepalen van de eerdere ingangsdatum.
Wat betreft de afdrachtplicht overweegt de rechtbank als volgt.
Volgens het verzoekschrift kon er wegens beslag op het inkomen van [echtgenoot] en [verzoekster] tijdens het minnelijk traject niet worden afgedragen voor de schuldeisers. Volgens de beschermingsbewindvoerder ligt er geen beslag (meer) op het inkomen. Het is de rechtbank niet duidelijk hoe de situatie er wat betreft afdracht boven het vrij te laten bedrag in het minnelijk traject heeft uitgezien.
Betreffende het leefgeld dat door de beschermingsbewindvoerder aan [echtgenoot] en [verzoekster] wordt overgeboekt, valt op dat het elke maand om hoge bedragen gaat (het basisbedrag aan leefgeld dat wordt overgeboekt, bedraagt ongeveer € 155 per week). Volgens [echtgenoot] hebben ze regelmatig extra geld nodig om verjaardagscadeautjes voor hun (klein)kinderen te kopen.
De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat [verzoekster] niet aannemelijk heeft gemaakt dat tijdens het minnelijk traject is voldaan aan de verplichting om maximaal te sparen voor de schuldeisers.
Het is onduidelijk of er spaarcapaciteit bestond in het minnelijk traject en of die is afgedragen. Wat wel duidelijk is, is dat [echtgenoot] en [verzoekster] er ten nadele van de schuldeisers een royaal bestedingspatroon op na hebben gehouden. Van hen had gelet op hun reeds jarenlang bestaande problematische schuldensituatie mogen worden verwacht dat zij zoveel mogelijk opzij hadden gezet om hun schulden te kunnen aflossen.
Gelet op vorenstaande wordt het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] ;
4.2.
stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op de achttien maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak;
4.3.
wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af [1] ;
4.4.
benoemt tot rechter-commissaris mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek;
4.5.
benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder] , [adres 2] ;
4.6.
geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoekster] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden;
4.7.
bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag opnemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is;
4.8.
stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen.
Gewezen door mr. M.M. Verhoeven, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.