Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:179

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
11775393 \ CV EXPL 25-2011
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:96 lid 5 BWBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand met vernietiging onredelijke bedingen

De huurder heeft een huurachterstand van € 2.456,95 opgebouwd bij woningstichting SWZ, die ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming vordert. SWZ verklaart geen ontruimingstitel te zullen gebruiken zolang de huurder samen met hulpverlening werkt aan het op orde brengen van zijn financiën. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling, ontbinding en ontruiming toe, gelet op de ernstige huurachterstand van ruim drieënhalve maand.

De huurder erkent de achterstand en voert aan dat deze is ontstaan door gokproblemen, waarvoor hij hulp ontvangt. SWZ handhaaft haar vordering als stok achter de deur, maar wil uitzetting voorkomen zolang het hulptraject loopt. De kantonrechter acht de huurachterstand ernstig genoeg voor ontbinding, maar vertrouwt op de toezegging van SWZ om ontruiming uit te stellen.

Ambtshalve toetst de rechter de algemene voorwaarden van SWZ en vernietigt de bedingen over rente en buitengerechtelijke incassokosten als onredelijk bezwarend, mede vanwege een boetebeding dat onbegrensd kan oplopen. De gevorderde rente en incassokosten worden daarom niet toegewezen. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, gebruiksvergoeding na ontbinding, en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en ontruiming bevolen, maar onredelijke bedingen over rente en incassokosten worden vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11775393 \ CV EXPL 25-2011
Vonnis van 13 januari 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING SWZ,
te Zwolle,
eisende partij,
hierna te noemen: SWZ,
gemachtigde: Smit en Legebeke,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

[gedaagde] huurt een woning van SWZ. Er is een huurachterstand ontstaan. SWZ vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. SWZ zegt toe dat zij een ontruimingstitel niet zal gebruiken, maar eerst wil afwachten wat [gedaagde] samen met de ingezette hulpverlening kan bereiken om zijn financiën weer op orde te krijgen en een eventuele huisuitzetting te voorkomen. De kantonrechter vertrouwt op die toezegging en wijst de vordering tot betaling van de huurachterstand en de ontbinding en ontruiming toe. [gedaagde] hoeft geen rente en buitengerechtelijke kosten te betalen, omdat SWZ daarover oneerlijke bedingen heeft opgenomen in haar algemene voorwaarden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het bericht van 21 november 2025 met productie(s) van SWZ
- de mondelinge behandeling van 21 november 2025.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
SWZ verhuurt met ingang van 23 december 2013 aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 649,98 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
3.2.
[gedaagde] heeft (een deel van) de huur niet betaald. SWZ heeft [gedaagde] aangemaand om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. De laatste aanmaning is verstuurd op 11 februari 2025.
3.3.
SWZ heeft [gedaagde] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [gedaagde] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. SWZ heeft [gedaagde] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.

4.Het geschil

4.1.
SWZ vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 2.456,95 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
4.2.
SWZ legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens SWZ de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] erkent de huurachterstand, maar voert aan dat de huurachterstand is ontstaan door gokken en hij daarom geregistreerd staat bij het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen. [gedaagde] voert verder aan dat hij zich heeft gemeld bij Schuldhulpverlening en van daaruit wordt geholpen met betalingen. Daarnaast is Budgetbeheer gestart en bevindt [gedaagde] zich in een stabiliteitstraject, waarbij schuldeisers worden aangeschreven.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

De huurachterstand
5.1.
[gedaagde] heeft erkend dat er een huurachterstand is die tot en met 20 november 2025 berekend is op een bedrag van € 2.456,95. De kantonrechter zal de gevorderde betaling hiervan dan ook toewijzen.
5.2.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat SWZ heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
Ontbinding en ontruiming
5.3.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [2]
5.4.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand bijna vier maanden. Daarna is de huurachterstand verrekend met de eindafrekening van de servicekosten. [gedaagde] had namelijk recht op teruggave van € 43,95. De huurachterstand bedraagt nog steeds ruim drie-en-een-halve maand en is sinds de dagvaarding niet ingelopen. De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. [gedaagde] heeft de in rechtsoverweging 4.3. genoemde omstandigheden aangevoerd. SWZ heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat zij haar vordering handhaaft. Zij wenst een vonnis als stok achter de deur. In aanvulling daarop heeft zij verklaard dat het niet haar bedoeling is om de [gedaagde] uit de woning te zetten en dat hij in de woning kan blijven, zolang [gedaagde] samen met de hulpverlening zijn financiën op orde brengt. Dat traject is nog maar net gestart en SWZ wil afwachten wat nog mogelijk is om uitzetting te voorkomen. De kantonrechter acht het gerechtvaardigd dat SWZ over een ontruimingstitel wenst te beschikken. De kantonrechter gaat er vanuit dat [gedaagde] de ernst van de situatie inmiddels voldoende heeft ingezien en de hulptrajecten zal doorzetten.
5.5.
De kantonrechter gaat er ook vanuit dat SWZ zich aan haar toezegging zal houden. In het vertrouwen dat het niet tot ontbinding en ontruiming hoeft te komen, zal de kantonrechter de gevorderde ontbinding en ontruiming toewijzen. Als het wel tot een ontruiming dient te komen, zal de termijn voor ontruiming op veertien dagen worden gesteld. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
5.6.
SWZ wil ook dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 649,98, vermeerderd met een percentage gelijk aan de
wettelijk toegestane jaarlijkse huurverhoging, te rekenen vanaf de maand juli 2025 tot het moment dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
Ambtshalve toetsing
5.7.
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval, behalve voor de rente en buitengerechtelijke incassokosten.
5.8.
Omdat sprake is van onredelijk bezwarende bedingen, is volgens Europese rechtspraak terugvallen op de wettelijke regeling niet toegestaan. [3]
De buitengerechtelijke incassokosten
5.9.
In artikel 13 van Pro de toepasselijke algemene voorwaarden is een beding opgenomen over de vergoeding van de (buiten)gerechtelijke incassokosten. Dit beding wijkt in het nadeel van consumenten af van artikel 6:96 lid 5 en Pro 6 BW en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) en dat mag niet.
5.10.
[gedaagde] is op grond van artikel 13 in Pro principe verplicht om bij niet nakoming van de huurovereenkomst alle in dat verband door SWZ gemaakte kosten te voldoen onbegrensd in omvang en zonder voorafgaande kosteloze aanmaningsbrief. Daarnaast is de bedongen vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van altijd ten minste 15% hoger dan de wettelijke vergoeding. Daarbij is in artikel 15 ook Pro nog opgenomen dat bij overtreding van enige bepaling uit de Algemene Huurvoorwaarden, dus ook bij overtreding van de bepaling dat de huur vooruit moet worden betaald, de huurder nog een boete van € 25,- per kalenderdag verschuldigd is. Afgezien van het feit dat in het beding de boetes oneindig kunnen oplopen, levert (de mogelijkheid van) het in rekening brengen van een boete naast buitengerechtelijke incassokosten een onevenredig hoge schadevergoeding op. Het buitengerechtelijke incassokostenbeding is op zichzelf en in combinatie met het boetebeding onredelijk bezwarend en wordt daarom vernietigd.
5.11.
Omdat sprake is van een oneerlijk beding, zijn de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet toewijsbaar.
De wettelijke rente
5.12.
Het rentebeding in artikel 6.1 is onredelijk bezwarend in combinatie met het boetebeding in artikel 15. De mogelijkheid van het in rekening brengen van een boete naast rente levert een onevenredig hoge schadevergoeding op. Het rentebeding wordt daarom vernietigd.
5.13.
Omdat sprake is van een oneerlijk beding, is de gevorderde wettelijke rente niet toewijsbaar.
De proceskosten
5.14.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SWZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,15
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.170,15
6. De beslissing
De kantonrechter
6.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres],
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van SWZ zijn, en de sleutels af te geven aan SWZ,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan SWZ:
- € 2.456,95 aan achterstallige huur tot en met 20 november 2025,
- een bedrag gelijk aan de maandelijkse huurprijs, zoals deze zonder ontbinding van de huurovereenkomst zou hebben gegolden voor elke maand of gedeelte van een maand, gelegen tussen 1 juli 2025 en de daadwerkelijke ontruiming;
6.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.170,15, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op
13 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)
3.Dat volgt uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) en 8 december 2022 (ECLI:EU:C:2022:971).