Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1789

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2502880:R-RK
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 FwArt. 288 lid 3 FwFaillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens gokverslaving en onvoldoende stabiliteit

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens een schuldenlast die hij niet zelf kan aflossen. De rechtbank beoordeelt dat verzoeker niet te goeder trouw is geweest met betrekking tot het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, die grotendeels zijn veroorzaakt door een gokverslaving en drugsgebruik na het beëindigen van een relatie in 2019.

Tijdens de zitting was verzoeker niet aanwezig, maar de schuldhulpverlener was telefonisch aanwezig en gaf aan dat een onderbewindstelling was aangevraagd maar nog niet uitgesproken. Uit bankafschriften blijkt dat de gokverslaving nog niet onder controle is en dat verzoeker niet voldoet aan zijn sollicitatieplicht. Een nagezonden verklaring van verzoeker stelt dat hij zijn verslaving onder controle heeft en actief op zoek is naar werk, maar de rechtbank acht dit onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank oordeelt dat de hardheidsclausule niet van toepassing is omdat de verslavingsproblematiek niet voldoende beheersbaar is en er geen bevestiging is van een hulpverlener. Tevens is niet aannemelijk gemaakt dat verzoeker de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling zal nakomen. Door het niet verschijnen op de zitting heeft verzoeker zijn inlichtingenplicht geschonden.

Gezien de instabiele situatie en het reële risico dat de regeling tussentijds beëindigd moet worden, wijst de rechtbank het verzoek af. Verzoeker wordt gewezen op de mogelijkheid om bij een stabielere situatie een nieuw verzoek in te dienen.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw zijn en onvoldoende aannemelijkheid dat verplichtingen worden nagekomen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Team Insolventie
Zittingsplaats Zwolle
Rekestnummer: NL:TZ:2502880:R-RK
Vonnis van maandag 9 februari 2026
op het verzoek van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats],
wonende te [adres]
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker],
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank wijst het verzoek af.

1.De procedure

1.1.
De procedure bestaat uit:
- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;
- de zitting van maandag 26 januari 2026, waarbij telefonisch aanwezig was:
- [naam], namens Stichting Kredietbank Nederland;
- nagezonden verklaring van [verzoeker] inclusief bankafschriften.
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het verzoek

2.1.
[verzoeker] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Volgens [verzoeker] heeft hij een schuldenlast die hij niet zelf kan aflossen.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank wijst het verzoek af, omdat [verzoeker] naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, niet te goeder trouw is geweest en niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en dat hij zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
3.2.
Uit het verzoekschrift blijkt dat alle schulden zijn ontstaan nadat de relatie met de moeder van zijn zoon in september 2019 is geëindigd. In 2022 kon [verzoeker] de alimentatie niet meer betalen en vluchtte hij in middelengebruik en online gokken. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde bankafschriften tot en met september 2025 blijkt dat er diverse bedragen worden afgeschreven aan onder andere Unibet, One Casino, bet365.nl etc.
3.3.
[verzoeker] is zonder kennisgeving niet ter zitting verschenen. Namens de schuldhulpverlener was de heer Wiersema telefonisch aanwezig. Hij heeft verklaard dat een onderbewindstelling is aangevraagd, maar dat dit nog niet is uitgesproken. De rechtbank heeft nog aanvullende documenten opgevraagd. Daarnaast heeft Wiersema verklaard dat uit de bankafschriften kan worden afgeleid dat de gokverslaving nog geen jaar onder controle is, waardoor het lastig is om een beroep te doen op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro. Ook blijkt uit het dossier niet dat [verzoeker] zijn sollicitatieplicht nakomt.
3.4.
Na de behandeling van het verzoek is per e-mail van 29 januari 2026 nog een verklaring van [verzoeker] nagezonden waarin hij heeft verklaard dat hij zich heeft aangemeld bij de huisarts om te praten over zijn gokverslaving. Volgens [verzoeker] heeft hij deze nu onder controle en is hij hard bezig met het vinden van een baan.
3.5.
Uit de bij de verklaring gevoegde bankafschriften blijkt dat in de maand december 2025 een totaalbedrag van € 408,50 is afgeschreven onder vermelding van Skrill QCO Normal-HR. Het gaat daarbij 23 transacties, variërend van € 11-, tot € 30,- per keer. Het is de rechtbank gebleken dat Skrill een online wallet voor betalingen is en vooral wordt gebruikt door online casino’s. De rechtbank krijgt de indruk dat [verzoeker] een rooskleuriger beeld van de situatie probeert te schetsen om zo toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
3.6.
Ingeval van verslavingsproblematiek wordt een verzoeker in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een sociaal vangnet aanwezig is. De beheersbaarheid van de problemen dient te worden bevestigd door een hulpverlener of hulpverlenende instantie. Hier is niet van gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt, nu [verzoeker] de oorzaak die tot het ontstaan en onbetaald laten van de schulden heeft geleid (de gokverslaving) niet al geruime tijd onder controle heeft.
3.7.
Daarnaast heeft [verzoeker] niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en dat hij zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
Door niet ter zitting te verschijnen heeft [verzoeker] al zijn inlichtingenplicht geschonden. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om [verzoeker] opnieuw op te roepen.
3.8
Uit zowel het dossier, de verklaring van de schuldhulpverlener als de nagezonden verklaring van [verzoeker] blijkt volgens de rechtbank dat op dit moment niet kan worden gesproken van een (voldoende) stabiele situatie om te starten met een schuldsaneringsregeling. Het risico dat [verzoeker] de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling niet zal kunnen nakomen en dat de regeling dan tussentijds beëindigd zal moeten worden, is reëel. [verzoeker] zal dan geen "schone lei" krijgen en hij zal dan gedurende een aantal jaren niet opnieuw een beroep kunnen doen op de schuldsaneringsregeling. Dat is allemaal niet in het belang van [verzoeker] en overigens ook niet in het belang van de schuldeisers. Een toelating tot de schuldsanering acht de rechtbank op dit moment daarom te vroeg.
3.8.
Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] om de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren moet worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 aanhef Pro en sub b en c Fw.
3.9.
De rechtbank wijst [verzoeker] op de mogelijkheid om na verloop van tijd, wanneer hij kan aantonen dat de situatie een langere tijd stabiel is, een nieuw verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan indienen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek af.
Gewezen te Zwolle door mr. D. van den Berg, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]