ECLI:NL:RBOVE:2026:178

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
11842611 \ CV EXPL 25-2470
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot schadevergoeding na gebrekkige auto-reparaties

In deze zaak heeft eiser zijn auto voor verschillende reparaties naar gedaagde gebracht. Eiser stelt dat gedaagde de reparaties niet goed heeft uitgevoerd, wat heeft geleid tot schade. De kantonrechter heeft geoordeeld dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd om zijn claims te onderbouwen. De procedure begon met een dagvaarding op 6 augustus 2025, gevolgd door een mondelinge behandeling op 16 december 2025. Eiser vorderde een schadevergoeding van € 3.646,25 plus rente en incassokosten. Gedaagde heeft verweer gevoerd en betwist dat hij tekortgeschoten is in de uitvoering van de reparaties. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eiser geen klachten heeft geuit over de uitvoering van bepaalde opdrachten en dat de diagnose van een ander autobedrijf niet voldoende bewijs biedt voor de claims van eiser. Uiteindelijk heeft de kantonrechter de vorderingen van eiser afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten van € 677,00.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11842611 \ CV EXPL 25-2470
Vonnis van 13 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. N.G. Klaassen,
procederend met een toevoeging, afgegeven onder nummer [nummer]
tegen
[gedaagde], h.o.d.n.
[bedrijf],
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. U. Yildirim.

1.De zaak in het kort

[eiser] heeft zijn auto voor verschillende reparaties naar [gedaagde] gebracht. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] de reparaties niet goed uitgevoerd, waardoor [eiser] schade heeft geleden. In deze zaak vraagt [eiser] om vergoeding van die schade door [gedaagde] . De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] de reparaties niet goed heeft uitgevoerd, en wijst de vordering van [eiser] daarom af.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, uitgebracht op 6 augustus 2025, met producties 1 tot en met 19,
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 5,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de gewijzigde versie van de conclusie van antwoord,
- de nadere productie 20 van [eiser] ,
- de mondelinge behandeling van 16 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- spreekaantekeningen van beide partijen.
2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter meegedeeld dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is eigenaar van een Volvo S60, met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). [gedaagde] heeft een autogarage in [woonplaats 2] , met de naam [bedrijf] . De auto heeft ruim 400.000 kilometer op de teller.
3.2.
[eiser] heeft de auto op 22 oktober 2024 naar [gedaagde] gebracht, omdat de motor van de auto niet meer startte. [gedaagde] heeft de bougies en de bobine van de auto vervangen. Daarna startte de motor van de auto weer.
3.3.
[eiser] is op 31 oktober 2024 weer naar [gedaagde] gegaan, deze keer om de nokkenasversteller van de uitlaat van de auto te laten vervangen. Dat heeft [gedaagde] op 1 november 2024 gedaan. Hierbij heeft [gedaagde] ook de distributieriem van de auto vervangen. [gedaagde] heeft van deze onderdelen de timing opnieuw ingesteld. Hiervoor heeft [gedaagde] specifiek gereedschap gehuurd. [gedaagde] heeft op enig moment ook de aandrijfas van de auto vervangen.
3.4.
Omdat de motor van de auto daarna nog niet goed liep, heeft [eiser] de auto bij [gedaagde] achtergelaten. [gedaagde] heeft vervolgens de cilinderkop van de auto gedemonteerd en deze door een ander autobedrijf laten reviseren. Na de revisie heeft [gedaagde] de cilinderkop teruggeplaatst, en op 25 november 2024 heeft [eiser] de auto weer bij [gedaagde] opgehaald.
3.5.
[eiser] heeft [gedaagde] op 13 januari 2025 een brief gestuurd, waarin [eiser] [gedaagde] in gebreke heeft gesteld. In deze brief heeft [eiser] geschreven dat de auto verschillende problemen heeft, en dat deze het gevolg zijn van de werkzaamheden die [gedaagde] heeft uitgevoerd.
3.6.
[eiser] heeft zijn auto voor reparatie naar autobedrijf Volservice gebracht. Op de factuur van Volservice van 27 januari 2025 staat onder meer het volgende:

Diagnose:
Voertuig opgehaald uit [woonplaats 1] omdat de motor steeds bleef afslaan om diagnose te kunnen doen en te repareren. Na uitlezen bleek de nokkenasverstelling niet juist te werken en siliconenkit gezien tussen het bovendek. Besloten werd om het bovendek te lichten en alle bevindingen te noteren. Zeer slecht uitgevoerd amateuristisch werk aangetroffen door een niet ter zake kundig persoon.
1. Siliconenkit tussen bovendek is niet toegestaan want daardoor kunnen oliekanalen dichtslibben
2. De nokkenasverstellers zaten veel te los en zouden zeker tot motorschade geleidt hebben.
3. Turbo olieretour zat met siliconenkit op zijn plek ipv de voorgeschreven 0-ring waardoor lekkage
4. Boutje ankerplaat distributie naw
5. Schroefdraad penbobine nr. 4 beschadigd en moeten oplossen met een helicoil
6. Pakking thermostaathuis niet op juiste plek gemonteerd
7. Buisje carterventilatie gebroken en de slang op het kleppendeksel zat vast met een tie-rap
8. Motorbalk bevestiging aan de carrosserie verkeerd om gemonteerd
9. oude verharde keerringen nokkenassen hergebruikt
3.7.
Op 5 maart 2025 heeft [eiser] een brief naar [gedaagde] gestuurd. In deze brief heeft [eiser] gevraagd om betaling van de herstelkosten van de auto en andere schadevergoedingen. De advocaat van [gedaagde] heeft op 8 april 2025 op de brief van [eiser] gereageerd. Kort gezegd heeft [gedaagde] aangegeven dat hij geen schadevergoeding aan hoeft [eiser] te betalen.
3.8.
Bij brief van 16 april 2025 aan [gedaagde] heeft [eiser] nogmaals om betaling van herstelkosten en andere schadevergoedingen gevraagd.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.646,25, te vermeerderen met de wettelijke rente, en een bedrag van € 592,45 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2.
[gedaagde] voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
[eiser] heeft zijn vordering gebaseerd op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst (ook wel: wanprestatie). De kantonrechter zal dus moeten beoordelen of er sprake is van een tekortkoming aan de kant van [gedaagde] . Daarvoor moet gekeken worden naar de afspraken die partijen gemaakt hebben, in dit geval de opdrachten die [eiser] aan [gedaagde] gegeven heeft met betrekking tot het repareren van de auto. Daarnaast is de diagnose van Volservice van belang, omdat volgens [eiser] daaruit blijkt dat [gedaagde] de reparaties niet goed heeft uitgevoerd.
5.2.
[gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat hij op basis van de volgende opdrachten van [eiser] werkzaamheden aan de auto heeft verricht: het weer laten starten van de motor, het vervangen van de aandrijfas, het vervangen van de nokkenasversteller en distributieriem en het reviseren van de cilinderkop.
5.3.
De kantonrechter merkt verder als eerste het volgende op. Wat betreft de opdrachten van [eiser] aan [gedaagde] om de motor van de auto weer te laten starten en het vervangen van de aandrijfas en distributieriem heeft [eiser] geen klachten genoemd die het gevolg zouden kunnen zijn van een gebrekkige uitvoering daarvan door [gedaagde] . Dat betekent dat er wat die opdrachten betreft niet kan worden aangenomen dat sprake is van een tekortkoming aan de kant van [gedaagde] , en dus ook geen verplichting tot schadevergoeding door [gedaagde] .
5.4.
Over de siliconenkit (punt 1 en 3 van de diagnose van Volservice) overweegt de kantonrechter als volgt. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat hij siliconenkit heeft gebruikt bij het uitvoeren van de reparaties aan de motor van de auto. Zo heeft [gedaagde] gesteld dat in de autobranche voor het afdichten van het bovendek van de motor een vloeibare ‘pakking’ of een ‘koppakking’ gebruikt wordt, en dat hij in dit geval een vloeibare pakking gebruikt heeft. Wat betreft de olieretour van de turbo heeft [gedaagde] betwist dat hij daar tijdens het uitvoeren van de reparaties werkzaamheden aan heeft verricht. Gelet op deze gemotiveerde betwisting heeft [eiser] zijn standpunt onvoldoende onderbouwd, terwijl dit wel op zijn weg lag om te doen. Zo heeft [eiser] wel gesteld dat voor de werkzaamheden van [gedaagde] het noodzakelijk was om “de turbo” te demonteren, maar die enkele stelling is te vaag en daarom onvoldoende. In de diagnose van Volservice staat namelijk dat het gaat om de “turbo olie retour”. [eiser] had zijn standpunt nader moeten onderbouwen, bijvoorbeeld met een verklaring van een automonteur waaruit blijkt dat voor de werkzaamheden die [gedaagde] heeft uitgevoerd het noodzakelijk was om ook specifiek iets met de turbo olie retour te doen. Dit heeft [eiser] niet gedaan.
5.5.
Over de nokkenasverstellers (punt 2 van de diagnose van Volservice) overweegt de kantonrechter als volgt. [gedaagde] heeft betwist dat hij de werkzaamheden met betrekking tot de nokkenasversteller niet goed heeft uitgevoerd. Zo heeft [gedaagde] onder meer gesteld dat hij voor de timing van de nokkenasversteller en de distributieriem speciaal gereedschap heeft gehuurd en dat na deze werkzaamheden de speling die was geconstateerd, verholpen was. Ter onderbouwing hiervan heeft [gedaagde] de factuur van het speciale gereedschap laten zien. Daar komt bij dat [gedaagde] onweersproken en bij herhaling heeft gesteld dat er twee nokkenasverstellers zijn, en dat hij alleen de nokkenasversteller van de uitlaat heeft vervangen. Gelet daarop kan alleen het loszitten van die nokkenasversteller mogelijk het gevolg zijn van een tekortkoming van [gedaagde] . Maar dat heeft [eiser] , in het licht van de hiervoor genoemde gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , onvoldoende onderbouwd. Voor dit oordeel is ook van belang dat [gedaagde] de laatste werkzaamheden aan de auto eind november 2024 heeft verricht, en dat de diagnose van Volservice eind januari 2025 heeft plaatsgevonden. Daar zit een lange periode van twee maanden tussen, waarvan vaststaat dat [eiser] nog een aanzienlijk aantal kilometers met de auto heeft gereden. Gelet hierop kan niet als vaststaand worden aangenomen dat het loszitten van een van de twee nokkenasverstellers het gevolg is van het ondeugdelijk uitvoeren van reparaties door [gedaagde] .
5.6.
Over de punten 4, 5, en 6 van de diagnose van Volservice merkt de kantonrechter op dat niet gesteld of gebleken is dat deze gebreken het gevolg zijn van niet deugdelijk uitgevoerde werkzaamheden van [gedaagde] . De kantonrechter heeft hiervoor al overwogen dat [eiser] geen klachten heeft genoemd als gevolg van de opdracht tot het weer laten starten van de motor van de auto en het vervangen van de aandrijfas en distributieriem. Wat deze punten van de diagnose van Volservice betreft heeft [eiser] niet gesteld dat deze het gevolg zijn het niet goed uitvoeren van de opdracht tot het vervangen van de nokkenasversteller dan wel het reviseren van de cilinderkop. Uit deze punten kan daarom niet kan volgen dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de uitvoering van die opdrachten.
5.7.
Ook voor punt 7 van de diagnose van Volservice geldt dat [eiser] niet heeft gesteld met welke opdracht aan [gedaagde] dit gebrek verband houdt. Bovendien heeft [gedaagde] betwist dat hij werkzaamheden aan de carter heeft verricht, en heeft hij onweersproken gesteld dat het onmogelijk zou zijn geweest om met een afgebroken carterventilatieslang van [woonplaats 1] naar [woonplaats 2] te rijden. Ook op dit punt kan dan ook geen tekortkoming van [gedaagde] worden aangenomen.
5.8.
Wat betreft punt 9 van de diagnose van Volservice, de oude keerringen, overweegt de kantonrechter als volgt. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat hij deze op verzoek van [eiser] heeft teruggeplaatst. Ook dit punt levert dan ook geen tekortkoming van [gedaagde] op.
Conclusie
5.9.
[eiser] heeft zijn vorderingen, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] daarom af.
De proceskosten
5.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
677,00

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026. (wv)