ECLI:NL:RBOVE:2026:1769

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2600233:R-RK
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 sub f FaillissementswetArt. 292 lid 3 FaillissementswetArt. 361 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verzoek schuldsanering wegens gebrek aan medewerking

Verzoeker heeft op 7 april 2025 een verzoek tot moratorium en schuldsanering ingediend. Het moratorium is meerdere malen toegewezen, maar het verzoek tot schuldsanering is op 16 maart 2026 behandeld. Verzoeker was niet aanwezig bij de zitting en had zich afgemeld wegens migraine. De advocaat van verzoeker was wel aanwezig.

De rechtbank constateert dat verzoeker niet meewerkt aan het minnelijk traject met de schuldhulpverlener Stadsbank Oost Nederland. Er is onduidelijkheid over forse bedragen die verzoeker ontvangt van derden, waaronder een persoon van wie zij de financiële administratie verzorgt, terwijl haar eigen financiën onder bewind staan. Tevens werkt verzoeker niet mee om auto’s van haar naam te krijgen, ondanks beslaglegging.

De rechtbank oordeelt dat een met redenen omklede verklaring ontbreekt dat er geen reële mogelijkheden zijn voor een buitengerechtelijke schuldregeling, zoals vereist in artikel 285 lid 1 sub f Faillissementswet Pro. Dit gebrek aan medewerking leidt tot niet-ontvankelijkheid. Daarnaast zou het verzoek bij ontvankelijkheid alsnog zijn afgewezen wegens het ontbreken van een saneringsgerichte houding en het niet nakomen van verplichtingen.

De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schuldsanering en wijst erop dat hoger beroep mogelijk is binnen acht dagen na uitspraak.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot schuldsanering wegens gebrek aan medewerking en onvoldoende openheid van zaken.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht
Zittingsplaats Almelo
Rekestnummer: NL:TZ:2600233:R-RK
uitspraakdatum: 16 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken op het verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats], Oostenrijk,
wonende te [woonplaats],
verder [verzoeker] te noemen.
Ten aanzien van de goederen van [verzoeker] is een onderbewindstelling uitgesproken met benoeming van thans Stabilum SA B.V. te Rijswijk tot (beschermings)bewindvoerder.

Het procesverloop

Op 7 april 2025 heeft [verzoeker] een verzoek moratorium (voorkoming ontruiming woning) en een verzoek schuldsanering ingediend.
Op 14 april 2025 is een verzoek moratorium, zonder behandeling ter zitting, toegewezen voor een periode van zeven weken, zodat het moratorium eindigde op 2 juni 2025.
Na behandeling ter zitting op 19 mei 2025, is bij vonnis van 2 juni 2025 het verzoek (tot voortzetting van het) moratorium toegewezen tot en met 14 oktober 2025.
Ter zitting van 2 maart 2026 is het verzoek schuldsanering behandeld. Mevrouw mr. M. Raaijmakers (advocaat van [verzoeker]) en mevrouw [naam 1] (Stadsbank Oost Nederland), verder te noemen [naam 1]) zijn ter zitting verschenen. [verzoeker] en de beschermingsbewindvoerder zijn niet ter zitting verschenen.
De rechtbank zal heden vonnis wijzen op het verzoek schuldsanering van [verzoeker].

De beoordeling

De feiten
Bij email van 2 maart 2026 om 8:46 uur heeft [verzoeker] zich afgemeld voor de zitting op
2 maart 2026 wegens een zware migraineaanval. Nu de advocaat van [verzoeker], die niet bekend was met de afmelding van [verzoeker], wel aanwezig was, heeft de behandeling ter zitting desondanks doorgang gevonden.
Bij brief van 18 december 2025 aan de rechtbank heeft de heer [naam 2] ([naam 2]) van Stabilum SA BV (Stabilum) bericht dat het minnelijk traject door de Stadsbank Oost Nederland (Stadsbank) tijdelijk is gestaakt omdat er onderzoek wordt gedaan naar gelden die zijn gestort op de bankrekening van [verzoeker]. Uit een email van 18 december 2025 van de [naam 1] aan Stabilum blijkt dat op 21 augustus 2025 een intake bij de Stadsbank heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van [naam 2] van Stabilum. Tijdens de intake is gebleken dat er twee auto’s op naam van [verzoeker] zijn geregistreerd. [verzoeker] betaalt voor beide auto’s de verzekeringspremie en de motorrijtuigenbelasting. Aan [verzoeker] en [naam 2] is te kennen gegeven dat die situatie niet kan blijven voortbestaan omdat er voor [verzoeker], nu zij niet werkzaam is, geen noodzaak bestaat om te beschikken over een auto. Vervolgens is op of na 27 oktober 2025 duidelijk geworden dat op één van de auto’s beslag is gelegd door een deurwaarder in verband met de huurschuld van [verzoeker].
Voorts is de Stadsbank uit bankafschriften van de leefgeldrekening van [verzoeker] gebleken dat [verzoeker] forse bedragen ontvangt van de heer [naam 3] (o.a. € 1.240 binnen vijf dagen). Gebleken is dat [verzoeker] de financiële administratie van de heer [naam 3] ([naam 3]) verzorgt, terwijl het beheer van de financiën van [verzoeker] zelf plaatsvindt door een beschermingsbewindvoerder. In de email van 18 december 2025 heeft [naam 1] bericht dat zij contact heeft gehad met Stabilum over deze kwestie en dat voordat het minnelijk traject kan starten cq kan worden voortgezet, moet worden opgehelderd waarom [verzoeker] de bedragen van [naam 3] ontvangt. Op 18 december 2025 had [naam 1] hierover nog niet nader vernomen.
[verzoeker] ontvangt sinds september 2025 een WIA-uitkering van € 1.720,08 per maand. Daarnaast ontvangt [verzoeker] huur- en zorgtoeslag.
Uit bij het verzoek schuldsanering overgelegde bankafschriften van de leefgeldrekening over de periode 10 april 2025 tot en met 9 juli 2025 blijkt dat [verzoeker] van verschillende personen bedragen heeft ontvangen, waaronder van:
  • [naam 3] € 2.322;
  • [naam 4] € 300;
  • [naam 5] € 380.
Uit de bankafschriften blijkt ook dat [verzoeker] de naar haar rekening overgeboekte bedragen vaak direct weer opneemt bij een geldautomaat.
De totale schuldenlast bedraagt € 12.928,67.
De verklaring ter zitting
Mr. Raaijmakers heeft verklaard dat [verzoeker] geen volledige openheid van zaken geeft. Het is onder andere onbekend hoe de situatie met [naam 3] in elkaar zit en waarom [verzoeker] geld van hem ontvangt. Ook de beschermingsbewindvoerder heeft vragen over de bedragen die [verzoeker] op haar leefgeldrekening ontvangt. Volgens mr. Raaijmakers werkt [verzoeker] niet mee om de auto of auto’s van haar naam te krijgen.
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank concludeert dat aan het verzoek schuldsanering een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen (artikel 285 lid 1 sub f Faillissementswet Pro), ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor het ontbreken van de verklaring volledig bij [verzoeker] ligt. [verzoeker] heeft immers geen enkele medewerking verleend om onderzoek naar de mogelijkheden van het tot stand brengen van een minnelijke schuldregeling mogelijk te maken. Tot op heden heeft [verzoeker] de Stadsbank en haar beschermingsbewindvoerder niet geïnformeerd over de (forse) bedragen die zij van verschillende personen op haar rekening ontvangt en die zij niet reserveert voor haar schuldeisers. Ook werkt [verzoeker] niet mee om de auto’s van haar naam te krijgen.
De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van de verklaring omtrent het minnelijk traject de niet-ontvankelijkheid van [verzoeker] in het verzoek schuldsanering tot gevolg moet hebben.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat indien [verzoeker] ontvankelijk zou zijn verklaard in haar verzoek schuldsanering, de rechtbank het verzoek zou hebben afgewezen. [verzoeker] heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat zij de verplichtingen uit een schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen en evenmin dat zij zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te vergaren. [verzoeker] komt in het voortraject van de schuldsaneringsregeling reeds geruime tijd de inlichtingenplicht niet na en reserveert baten die uitstijgen boven het vrij te laten bedrag niet voor haar schuldeisers.
Gelet op het gedrag van [verzoeker] sinds de indiening van de verzoeken moratorium en schuldsanering bijna een jaar geleden, is [verzoeker] ook niet bereid zich optimaal in te zetten voor sanering van haar schulden met een zo hoog mogelijke opbrengst voor de schuldeisers. Van een saneringsgerichte houding is bij [verzoeker] geen sprake.
De rechtbank verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in haar verzoek schuldsanering.

De beslissing

De rechtbank:
- verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Gewezen door mr. K.J. Haarhuis, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier [1] .