ECLI:NL:RBOVE:2026:171

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
11803987 \ CV EXPL 25-2199
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van schadevergoeding wegens tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst van opdracht voor het verzorgen van aangifte erfbelasting

In deze zaak vordert eiser, na het overlijden van zijn ouders, dat gedaagde, die de aangifte erfbelasting voor hem zou verzorgen, hem een bedrag van € 2.401,66 betaalt. Dit bedrag bestaat uit € 2.004,00 aan hoofdsom, € 33,93 aan rente en € 363,73 aan buitengerechtelijke incassokosten. Eiser stelt dat gedaagde de aangifte te laat heeft ingediend, waardoor hij rente aan de Belastingdienst moest betalen. Gedaagde voert verweer en stelt dat er geen prijs en termijn voor de opdracht is afgesproken en dat zij door gezondheidsproblemen de aangifte te laat heeft ingediend. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde tekort is geschoten in haar verplichtingen uit de overeenkomst, omdat zij wist dat de aangifte binnen acht maanden na overlijden moest worden ingediend. De kantonrechter wijst de vordering van eiser toe, met inachtneming van een redelijke vergoeding voor de werkzaamheden van gedaagde. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 2.106,28 aan eiser, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11803987 \ CV EXPL 25-2199
Vonnis van 13 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats 1],
eisende partij, hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. S.C.M. Suijkerbuijk,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam
[bedrijf],
wonende en zaakdoende in [woonplaats 2],
gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 juli 2025;
- de reactie van [gedaagde], aangemerkt als conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling van 3 december 2025. [eiser] is verschenen. [gedaagde] is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.Waar deze zaak over gaat

2.1.
De ouders van [eiser] zijn overleden. In maart 2024 zijn [eiser] en [gedaagde] overeengekomen dat [gedaagde] de aangifte erfbelasting voor [eiser] zou verzorgen.
2.2.
Op 25 september 2024 heeft [eiser] een brief van de Belastingdienst ontvangen, waarin is vermeld dat de aangifte voor 10 augustus 2024 binnen had moeten zijn.
2.3.
Op 3 oktober 2024 heeft [gedaagde] de aangifte erfbelasting verstuurd.
2.4.
Op 31 oktober 2024 heeft [eiser] de aanslag erfbelasting ontvangen. De Belastingdienst heeft een bedrag van € 2.004,00 aan rente berekend, omdat de aangifte te laat is ingediend.
2.5.
[eiser] heeft [gedaagde] nog niet voor de werkzaamheden betaald.
Wat wil [eiser]?
2.6.
[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] zal veroordelen om een bedrag van € 2.401,66 aan hem te betalen (€ 2.004,00 aan hoofdsom, € 33,93 aan rente en € 363,73 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de nog te vervallen rente en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Wat vindt [gedaagde]?
2.7.
[gedaagde] heeft schriftelijk verweer gevoerd. Zij voert aan dat zij al werkzaamheden uitvoerde voor de ouders van [eiser]. Voor deze opdracht is met [eiser] geen termijn en ook geen prijs afgesproken. Het is [gedaagde] bekend dat de aangifte erfbelasting binnen acht maanden na overlijden moet worden ingediend en dat heeft zij ook aan [eiser] medegedeeld. Wegens gezondheidsproblemen heeft zij de aangifte te laat ingediend. [gedaagde] vraagt om rekening te houden met het feit dat [eiser] zelf een prijs van € 250,00 voor de werkzaamheden heeft bepaald. Verder doet [gedaagde] een beroep op de redelijkheid en billijkheid.

3.De beoordeling

3.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben een overeenkomst van opdracht gesloten, op grond waarvan [gedaagde] de aangifte erfbelasting voor [eiser] zou verzorgen. De vraag is of [gedaagde] die verplichting uit de overeenkomst deugdelijk is nagekomen.
3.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.
3.3.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] de aangifte erfbelasting na 10 augustus 2024 heeft ingediend. Naar het oordeel van de kantonrechter ligt de oorzaak daarvoor in omstandigheden die in de risicosfeer van [gedaagde] liggen. [gedaagde] biedt haar diensten beroepsmatig aan. Weliswaar hebben partijen tijdens het maken van de afspraak geen termijn afgesproken waarbinnen de aangifte erfbelasting zou moeten zijn ingediend, maar naar het oordeel van de kantonrechter is het aan [gedaagde], die haar diensten beroepsmatig uitvoert en aanbiedt, om haar opdracht deugdelijk uit te voeren en dus om aangifte te doen binnen de termijn die daarvoor geldt. [gedaagde] heeft verklaard dat zij wist dat de aangifte erfbelasting binnen acht maanden na overlijden moet worden ingediend. [eiser] heeft verklaard dat hij wist dat er voor het doen van aangifte een termijn gold, maar dat hij niet precies wist hoe lang die termijn was. Maar ook als [eiser] dat wel zou hebben geweten, was het nog steeds aan [gedaagde] als professionele partij om de termijn in de gaten te houden en de aangifte op tijd in te dienen.
Voor zover [gedaagde] heeft willen betogen dat de opdracht meer een vriendendienst betrof dan een opdracht in de professionele sfeer, geldt dat [eiser] ter zitting heeft toegelicht dat hij [gedaagde] weliswaar via zijn ouders kende, maar dat het geen vriendendienst was. Hij heeft het doen van aangifte uitsluitend uitbesteed omdat hij er zelf geen verstand van heeft en zijn ouders al jarenlang van de diensten van [gedaagde] gebruik maakten, niet omdat hij het door een bekende wilde laten doen.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat [gedaagde] haar verplichting uit de overeenkomst, namelijk het doen van aangifte erfbelasting, niet deugdelijk is nagekomen. Daardoor heeft [eiser] schade geleden. [gedaagde] moet die schade vergoeden. De schade die [eiser] heeft geleden, bestaat uit de rente die hij aan de Belastingdienst heeft moeten betalen. Dat is een bedrag van € 2.004,00.
3.4.
Het beroep van [gedaagde] op de redelijkheid en billijkheid slaagt niet. [gedaagde] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat de gevolgen van het niet nakomen van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. De omstandigheid dat [eiser] een groot geldbedrag uit de erfenis heeft ontvangen en [gedaagde] slechts een laag inkomen heeft, is daarvoor onvoldoende. Verder is het standpunt van [gedaagde] dat het loon van € 250,00, waarvan overigens wel vaststaat dat dat loon door [eiser] is bepaald, zo laag is dat daar geen volledige schadevergoeding tegenover kan staan, evenmin voldoende. Bovendien heeft [gedaagde] niet toegelicht waarom een bedrag van € 250,00 geen redelijk loon is voor deze werkzaamheden. Dat betekent dat de vordering tot betaling van het bedrag van € 2.004,00 aan [eiser] zal worden toegewezen.
3.5.
[gedaagde] moet over dat bedrag ook de wettelijke rente betalen. De wettelijke rente zal worden toegewezen voor een bedrag van € 33,93 tot en met 25 april 2025 en verder vanaf 26 april 2025 tot de dag van volledige betaling.
3.6.
[eiser] heeft ook betaling van de buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Hij heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Er zijn meerdere aannemingen aan [gedaagde] gestuurd. In de aanmaning van 27 december 2024 heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd om een bedrag van € 1.754,00 te betalen. Het gevorderde bedrag van € 363,73 zal daarom worden afgewezen. Een bedrag van € 318,35 aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
3.7.
Vast staat dat [eiser] [gedaagde] nog niet heeft betaald voor het doen van de aangifte. [gedaagde] heeft ook nog geen factuur gestuurd. [eiser] heeft ter zitting erkend dat hij nog wel voor de werkzaamheden moet betalen.
3.8.
Partijen zijn geen prijs overeengekomen. Volgens [eiser] is een loon van € 250,00 een redelijk loon voor de werkzaamheden. [gedaagde] heeft weersproken dat € 250,00 een redelijk loon is, maar zij heeft niet toegelicht welk loon zij wel redelijk vindt. Zij heeft enkel een voorstel gedaan waarbij zij haar werkzaamheden niet in rekening brengt en [eiser] zijn vordering niet op haar verhaalt. [gedaagde] heeft daarmee onvoldoende weersproken dat € 250,00 een redelijk loon voor de werkzaamheden is. De kantonrechter zal het bedrag van € 250,00 op de vordering in mindering brengen.
3.9.
[gedaagde] moet dus een bedrag van (€ 2.004,00 + € 33,93 + € 318,35 - € 250,00 =) € 2.106,28 aan [eiser] betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 2.004,00 vanaf 26 april 2025 tot de dag van volledige betaling.
De proceskosten
3.10.
[gedaagde] wordt in deze procedure in het ongelijk gesteld. Zij moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. Deze worden begroot op:
kosten dagvaarding € 149,71
griffierecht € 257,00
salaris gemachtigde € 408,00 (2 punten x salaristarief € 204,00)
nakosten
€ 102,00
totaal € 916,71
3.11.
De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om een bedrag van € 2.106,28 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.004,00 vanaf 26 april 2025 tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 916,71, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.(SB)