Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1563

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
ak_26_897
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 2.3.5 Wmo 2015Art. 2.3.6 Wmo 2015Art. 2.3.10 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang

Verzoeker maakt bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almelo om zijn maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang bij een 24-uurs woonvoorziening te beëindigen per 13 maart 2026. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening en constateert dat er sprake is van een voldoende spoedeisend belang omdat verzoeker het risico loopt zijn woonruimte te verliezen.

De voorzieningenrechter weegt echter dat het bestreden besluit, met noodzakelijke aanvullingen, in bezwaar mogelijk in stand zal blijven. Het college heeft onderbouwd dat verzoeker zich onvoldoende coöperatief opstelt, niet meewerkt aan het psychologisch onderzoek en dat de veiligheid van medewerkers in het geding is. Verzoeker betwist deze feiten en stelt dat het besluit onzorgvuldig en disproportioneel is genomen.

De voorzieningenrechter concludeert dat de belangenafweging niet leidt tot de noodzaak van een voorlopige voorziening. Verzoeker kan gebruik maken van nachtopvang en dagopvang, en er is onvoldoende bewijs dat beëindiging van de voorziening onverantwoorde risico’s oplevert. Het verzoek wordt afgewezen, maar partijen worden opgeroepen tot overleg om een passende oplossing te vinden, mede in het licht van een geplande hoorzitting en beslissing op bezwaar.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/897

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. S. van de Griek,
en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo,

gemachtigde: R. Gossink.

Procesverloop

1.1
Met het bestreden besluit van 24 februari 2026 heeft het college verzoeker meegedeeld dat zijn maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang (24-uurs woonvoorziening bij [begeleid wonen] (hierna: [begeleid wonen] )) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) per 13 maart 2026 wordt beëindigd.
1.2
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, verzoekers ambulant begeleider [ambulant begeleider] , verzoekers bewindvoerder [bewindvoerder] en de gemachtigde van het college, vergezeld door [medewerker CIMOT 1] en [medewerker CIMOT 2] , medewerkers van CIMOT, team Zorg & Veiligheid.

Totstandkoming van het besluit

2.1
Verzoeker heeft zich op 30 december 2024 aangemeld bij [begeleid wonen] . Vanaf die datum heeft hij daar verbleven, eerst op basis van een crisisplaatsing en vanaf 25 februari 2025 op basis van een reguliere plaatsing. Het verblijf van verzoeker bij [begeleid wonen] is gebaseerd op een begeleidingsovereenkomst en hieraan gekoppeld een tijdelijke huurovereenkomst met [begeleid wonen] . De beschikbaarstelling van de woonruimte is tijdelijk en afhankelijk gesteld van de begeleidingsovereenkomst, inclusief de hierin opgenomen doelen. In de overeenkomst wordt de verplichte medewerking ter realisatie van de doelen in het begeleidingsplan en het hieraan gekoppelde en ondertekende intakeformulier benoemd. Het intakeformulier is gekoppeld aan de begeleidingsovereenkomst. Het verblijf van verzoeker vindt plaats op basis van een maatwerkvoorziening in de zin van de Wmo 2015 voor maatschappelijke opvang en begeleiding conform de overeenkomst met [begeleid wonen] . Het college heeft geen specifiek schriftelijk Wmo besluit genomen.
2.2
Bij besluit van 15 januari 2026 heeft Centrale Intake Maatschappelijke Opvang Twente (CIMOT) verzoeker meegedeeld dat hij per 16 februari 2026 zijn kamer dient te verlaten. Daartegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft het besluit van 16 februari 2026 ingetrokken en besloten dat de maatschappelijke opvang wordt gecontinueerd. Verzoeker heeft het bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken.
2.3
[begeleid wonen] heeft verzoeker op 17 februari 2026 via een mailbericht van zijn advocaat meegedeeld dat hij op vrijdag 13 maart 2026 om 12:00 uur zijn kamer dient te ontruimen en op te leveren, omdat hij zich niet begeleidbaar opstelt en niet meewerkt aan het delen van de uitkomsten van het psychologisch onderzoek (hierna: PO), alsmede dat de begeleiding al is gestaakt. Er is sprake geweest van een aantal incidenten en verzoeker heeft zich niet gehouden aan de regels. Op 19 februari 2026 heeft [begeleid wonen] verzoeker meegedeeld dat hij nog wel naar de nachtopvang kan. Verzoekers begeleiding is overgenomen door [begeleiding] . Daarnaast heeft hij een bewindvoerder, [bewindvoerder] .
2.4
Het college heeft verzoeker uitgenodigd voor een gesprek op 24 februari 2026. Verzoekers gemachtigde heeft voorafgaand aan dit gesprek een aantal vragen gesteld. Omdat deze vragen niet zijn beantwoord vóór het gesprek, heeft verzoeker zich afgemeld voor het gesprek. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop'.

Spoedeisend belang

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3.1
Ter zitting is gebleken dat verzoeker nog verblijft in zijn kamer bij [begeleid wonen] en dat hem na de mail van 17 februari 2026 nog niet is gevraagd te vertrekken. Er is echter ook geen bericht bekend van [begeleid wonen] dat de vertrek aanzegging geheel of tijdelijk is teruggenomen. Het college heeft zich aangesloten bij het standpunt van [begeleid wonen] en handhaaft het bestreden besluit. Daarom moet er van worden uitgegaan dat de aanzegging nog actueel is en verzoeker het risico loopt zijn kamer dan wel zijn aanspraak op opvang elders in de vorm van een 24-uurs voorziening snel te verliezen als het bestreden besluit niet wordt geschorst. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich mee dat voldaan is aan het vereiste van het aanwezig zijn van een voldoende spoedeisend belang.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Daarbij geeft de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Verder dient de beslissing van de voorzieningenrechter het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Beëindiging van de maatwerkvoorziening
5. De beëindiging van de maatwerkvoorziening heeft betrekking op bestaande aanspraken op grond van de Wmo 2015. Artikel 2.3.10, eerste lid, van de Wmo 2015 geeft het college de bevoegdheid een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 te herzien dan wel in te trekken, indien sprake is van één van de in deze bepaling genoemde voorwaarden. Daarbij is het aan het college om de kennis over de relevante feiten te vergaren die nodig is om vast te stellen of aan die voorwaarden is voldaan. Dat betekent dat de bewijslast in zoverre op het college rust.
Standpunten van partijen
6.1
Het college stelt zich op het standpunt dat uit informatie van CIMOT, dat voor de gemeente Almelo de toegang tot de opvang en beschermd wonen regelt, blijkt dat verzoeker zich in onvoldoende mate coöperatief en begeleidbaar opstelt voor het behalen van de doelen voor de huidige 24-uurs woonvoorziening bij [begeleid wonen] . Daarnaast is verzoeker onhandelbaar en agressief jegens de medewerkers van [begeleid wonen] en CIMOT. De veiligheid van de medewerkers is in het geding. Tenslotte heeft verzoeker bij herhaling geweigerd toegang te verlenen tot zijn kamer en in gesprek te gaan met medewerkers van [begeleid wonen] en CIMOT. Verzoeker werkt aantoonbaar niet mee (weigert feitelijk) aan het onderzoek naar het vervolgtraject aansluitend op het tijdelijke traject bij [begeleid wonen] . Dit kan uitstroom zijn via reguliere huisvesting (woningstichting/ kamerhuur), beschermd wonen, dan wel opvang in een Wlz-setting. Voortzetting van de huidige 24-uursvoorziening wordt door [begeleid wonen] niet langer gewenst en door het gedrag van verzoeker onmogelijk gemaakt. Voortzetting van het traject door het CIMOT wordt niet meer als zinvol gezien nu verzoeker iedere medewerking weigert. Het college ziet voortzetting van de huidige voorziening bij [begeleid wonen] dan ook niet langer als passend in het kader van de Wmo 2015.
6.2
Verzoeker stelt, kort weergegeven, dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Hij bestrijdt dat hij niet begeleidbaar is en dat de incidenten zo zijn verlopen als door [begeleid wonen] is vermeld in de verslaglegging. Hij is van mening dat het college te veel is uitgegaan van deze eenzijdige verslaglegging door [begeleid wonen] en onvoldoende eigen onderzoek heeft gedaan. Volgens verzoeker is strijd met artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wmo 2015 onvoldoende aangetoond. Verzoeker heeft steeds aangegeven dat hij bereidheid heeft om mee te werken. Voorafgaand aan het op 24 februari 2026 geplande gesprek heeft gemachtigde van verzoeker vragen gesteld aan het college, wegens onvoldoende onderbouwing in het dossier. Deze vragen zijn niet beantwoord en gemachtigde heeft verzoeker afgemeld voor het gesprek op 24 februari 2026. Vervolgens heeft het college meteen het bestreden besluit genomen zonder verzoeker te horen, zonder de door verzoeker aangedragen feiten en omstandigheden inhoudelijk mee te wegen en zonder rekening te houden met verzoekers medische situatie (100% arbeidsongeschikt en Hashimoto). Dit maakt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en disproportioneel is. Verzoeker stelt dat het bestreden besluit daarom met een grote mate van waarschijnlijkheid niet in stand kan blijven.
Beoordeling
7. Ter zitting is van de zijde van het college toegelicht dat het bestreden besluit zo moet worden begrepen dat niet alleen de 24-uurs voorziening bij [begeleid wonen] niet meer passend wordt geacht, maar dat gelet op alle feiten en omstandigheden een maatwerkvoorziening in de vorm van een 24-uurs woonvoorziening in het algemeen niet langer voor verzoeker passend wordt geacht. Van de zijde van verzoeker is aangevoerd dat dit niet zo in het besluit staat en ook niet zo hoeft te worden begrepen. De voorzieningenrechter ziet voldoende aanleiding wel uit te gaan van de lezing van het college, ook nu het college het besluit in deze zin in bezwaar nog kan aanpassen.
8. Ter zitting heeft het college voorts toegelicht dat de impact van de beëindiging van de 24-uurs voorziening beperkt is. Verzoeker zal geen vaste kamer in een gebouw meer ter beschikking hebben, maar hij kan sowieso gebruik maken van de nachtopvang voor daklozen en daarnaast is ook dagopvang voor hem beschikbaar. Ook kan hij blijven gebruik maken van de huidige ambulante ondersteuning en bewindvoerder. Dat de dagopvang mogelijkheid niet in het besluit staat, zoals is aangevoerd door de gemachtigde van verzoeker, is juist. Ook dit zal het college in de bezwaarfase nog kunnen herstellen.
9. Ook is ter zitting besproken dat de Wmo besluitvorming van het college volgend is geweest op de beslissingen rond de begeleiding en de opvang door [begeleid wonen] . Een schorsing van het bestreden besluit of een herroeping ervan door het college na beoordeling van de bezwaren leidt dan ook niet direct tot het in stand blijven van de huidige opvang van verzoeker bij [begeleid wonen] . Daarvoor is ook besluitvorming en medewerking van [begeleid wonen] van belang. [begeleid wonen] was echter niet ter zitting vertegenwoordigd zodat onduidelijk is hoe hun positie is.
10. Het college heeft in het bestreden besluit en ter zitting, onder verwijzing naar diverse gedingstukken, onderbouwd waarop de beëindiging van de maatwerkvoorziening is gebaseerd. Het gaat om diverse feiten en omstandigheden die tot de conclusie hebben geleid dat verzoeker zich bestendig onvoldoende coöperatief opstelt en onvoldoende begeleidbaar is, zodat de doelen van de verstrekte voorziening niet bereikt kunnen worden. Een belangrijk onderdeel daarvan was dat de [begeleid wonen] woonvoorziening naar zijn aard tijdelijk is en dat in overleg met verzoeker moet worden bekeken via welke weg kan worden gekomen tot uitstroom uit de voorziening. Om dit goed te kunnen inschatten was naar de mening van het college ook van belang dat in voldoende mate kennis kon worden genomen van een rapport van een in oktober 2025 verricht psychologisch onderzoek. Verzoeker heeft dit rapport niet willen delen met de medewerkers van CIMOT en [begeleid wonen] . Namens verzoeker is gereageerd op veel van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde gedragingen en feiten en omstandigheden en is betoogd dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een voldoende feitelijke grondslag.
11. In de bezwaarfase bestaat gelegenheid om de verschillen van mening tussen partijen omtrent veel van wat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit te bespreken, bijvoorbeeld bij de hoorzitting van de adviescommissie voor de bezwaarschriften. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat het bestreden besluit, met noodzakelijke aanvullingen, in bezwaar niet in stand zal blijven.
12. Ook de afweging van alle betrokken belangen leidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot de noodzaak om nu een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat verzoeker totdat het college zal hebben beslist op zijn bezwaren in de opvang bij [begeleid wonen] of in een 24-uurs woonvoorziening elders moet verblijven. Allereerst is niet duidelijk of die voorziening kan worden getroffen nu [begeleid wonen] geen partij is in deze zaak. Ook is de voorzieningenrechter het eens met het college, dat het beëindigen van de 24-uurs woonvoorziening niet zodanige gevolgen heeft voor verzoeker dat beëindiging in redelijkheid geen optie is. Daarbij heeft de voorzieningenrechter betrokken dat verzoeker heeft gewezen op zijn matig tot slechte gezondheidssituatie en dat hij op dit moment in verband daarmee in afwachting van besluitvorming een voorschot op een uitkering op grond van de WIA ontvangt. Uit wat hierover naar voren is gebracht en ook nu geen medische verklaringen aanwezig zijn die de gestelde risico’s onderbouwen, heeft de voorzieningenrechter niet de overtuiging gekregen dat verzoeker onverantwoorde risico’s loopt als de 24-uurs woonvoorziening wordt beëindigd. Daarbij is ook van belang dat verzoeker wel gebruik kan maken van dag- en nachtopvang.
13. Dit brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat onvoldoende aanleiding bestaat om over te gaan tot schorsing van het besluit van 24 februari 2026. Het verzoek zal worden afgewezen.
14. Wel is er aanleiding om partijen op te roepen goed onderling overleg te voeren om te bezien of tot een goede oplossing kan worden gekomen. Ook omdat het college ter zitting heeft vermeld dat het gaat om een spoedeisende zaak en dat daarom al op 30 maart een hoorzitting is gepland en mogelijk al twee weken daarna een beslissing op bezwaar kan worden genomen, zou onderdeel van de bespreking kunnen zijn, waarbij ook [begeleid wonen] is betrokken, om totdat op het bezwaar is beslist de huidige situatie te bevriezen, zodat verzoeker nog enige tijd in de woonvoorziening kan blijven. Daarvoor is de medewerking van verzoeker en zijn gemachtigde nodig, is van belang dat vertrouwen ontstaat dat verzoeker zich aan de regels houdt om dan in goed gesprek te komen tot een goede uitstroomstrategie en dat een oplossing wordt gevonden om kennis te nemen van de uitkomsten van het verrichte psychologisch onderzoek.

Conclusie en gevolgen

15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dit betekent dat de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening treft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.