ECLI:NL:RBOVE:2026:1554

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/08/334694 / HA ZA 25-195
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:400 BWArt. 7:401 BWArt. 7:403 BWArt. 6:89 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming overeenkomst mediacommunicatie en betaling succesfee na terugvordering hypotheekrecht

Eiseres, een PR- en communicatiebureau, sloot met gedaagde een overeenkomst voor mediacommunicatiediensten gericht op het beïnvloeden van de zaak tegen de Rabobank. De overeenkomst voorzag in een vaste vergoeding en een succesfee van 10% van de waarde van de claim, te betalen indien het betaalde bedrag daadwerkelijk werd teruggevorderd.

Gedaagde betwistte de nakoming en stelde dat het beoogde resultaat niet was bereikt, dat eiseres onvoldoende had gecommuniceerd en dat er geen causaal verband was tussen de werkzaamheden en het resultaat. De rechtbank oordeelde dat de mediastrategie succesvol was omdat de Rabobank het bedrag van €1.458.000,- aan gedaagde had terugbetaald, conform de overeenkomst.

De rechtbank verwierp het verweer van gedaagde dat de inspannings- en informatieplicht niet was nagekomen. Er was voldoende mediacontact geweest en publicaties in diverse media. Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid om de vergoeding te matigen werd afgewezen omdat de succesfee op voorstel van gedaagde was overeengekomen.

De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van €191.543,- plus wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het tweede deel van de vaste vergoeding en de succesfee conform de overeenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/334694 / HA ZA 25-195
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V., mede handelend onder de naam
[bedrijf 1],
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. E. Lolcama,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaten: mr. W.T.M. Krieger en mr. L.M. Havermans.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 mei 2025 met producties
- de conclusie van antwoord met producties
- de aanvullende producties van [eiseres]
- de mondelinge behandeling van 24 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Namens [eiseres] en [gedaagde] zijn pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] is een PR- en communicatiebureau. Zij adviseert sedert haar oprichting in 1988 toonaangevende bedrijven op het gebied van strategische communicatie. [eiseres] helpt bedrijven positief in het nieuws te komen (of juist uit het nieuws te blijven) of tracht het debat ten gunste van haar opdrachtgevers te beïnvloeden. Enig aandeelhouder en bestuurder van [eiseres] is [bedrijf 2] B.V. Laatstgenoemde vennootschap wordt bestuurd door [naam 1] (hierna: [naam 1] ).
2.2.
Bestuurder van [gedaagde] is [naam 2] (hierna: [naam 2] ).
2.3.
De vader van [naam 2] exploiteerde in het verleden bedrijven die werden gefinancierd door de Rabobank. De bedrijven van de vader van [naam 2] zijn gefailleerd en de ouders van [naam 2] zijn ook persoonlijk gefailleerd. Sinds 2005 zijn de ouders van [naam 2] verwikkeld in juridische procedures met de Rabobank over onder andere een vordering van
€ 4.050.000,-.
2.4.
De Rabobank heeft ter zekerheid van haar vordering op de ouders van [naam 2] een (derden)hypotheek op de woonboerderij van [naam 2] in [woonplaats] .
2.5.
Als gevolg van het faillissement heeft de Rabobank op basis van haar hypotheekrecht op 11 februari 2022 de executieveiling van de woonboerderij opgestart. [naam 2] heeft op 16 februari 2022 € 334.000,- aan de Rabobank betaald met de bedoeling het hypotheekrecht te lossen. De Rabobank heeft [naam 2] bericht alleen te lossen tegen betaling van de volledige vordering van € 4.050.000,- op de ouders van [naam 2] en heeft de executie doorgezet. Tijdens de executieveiling op 14 maart 2022 heeft een aan de Rabobank gelieerde partij, [bedrijf 3] B.V., meerdere biedingen uitgebracht met als hoogste bod
€ 1.400,000,- (inclusief veilingkosten € 1.456.404,14) [1] .
2.6.
[naam 2] heeft daarna het door hem betaalde bedrag van € 334.000,- aangevuld en totaal € 1.458.000,- aan de Rabobank betaald ter lossing van het hypotheekrecht. Wederom heeft de Rabobank [naam 2] laten weten dat lossing alleen mogelijk is tegen betaling van de volledige vordering waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt en de betaling van [naam 2] niet te beschouwen als een lossing.
2.7.
De Rabobank heeft het door [naam 2] aan haar betaalde bedrag niet aan hem terugbetaald, omdat zij deze wenste te verrekenen met haar vordering op de ouders van [naam 2] .
2.8.
De Rabobank heeft niet gegund aan [bedrijf 3] B.V. [2]
2.9.
[naam 2] heeft de Rabobank in rechte betrokken. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2023 zijn de vorderingen van [naam 2] , waaronder de vordering tot (terug)betaling van het bedrag van € 1.458.000,- door de Rabobank aan hem, afgewezen. [naam 2] is tegen het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan.
2.10.
In juni 2024 treedt [naam 2] in contact met [eiseres] . [eiseres] stuurt op 24 juni 2024 een ‘Voorstel communicatie’, waarin voor zover van belang is opgenomen:
Zoals besproken stellen wij voor om [bedrijf 4] / [naam 2] te begeleiden voor een vaste fee van 25.000 euro voor de communicatie, te betalen met 12.500 euro vooraf en 12.500 euro achteraf. Indien de mediastrategie succesvol is gebleken in de zaak tegen de Rabobank, komt daar een percentage van 15 procent van de waarde van de claim bij. Dit bedrag is exclusief btw.
2.11.
[naam 2] reageert - voor zover van belang - diezelfde dag als volgt per mail:
Zoals overeengekomen, bedraagt de vaste fee voor de communicatie € 25.000, waarbij
€ 12.500 bij aanvang en € 12.500 bij het einde wordt betaald. Daarnaast hebben we afgesproken dat jullie 10% van het bedrag dat uit de claim terugkomt ontvangen.
In uw aanbieding staat nu echter vermeld dat [eiseres] 15% van de waarde van de claim ontvangt indien de mediastrategie succesvol is. Aangezien “succesvol” een ruim begrip is, willen wij graag duidelijk vastleggen dat de mediastrategie pas als succesvol wordt beschouwd wanneer het betaalde bedrag daadwerkelijk wordt teruggevorderd.
Wij stellen daarom voor om deze voorwaarde specifiek op te nemen in de overeenkomst om latere misverstanden te voorkomen. (…)
De overeenkomst op [gedaagde] [adres 1]
2.12.
In de op 27 juni 2024 namens [gedaagde] getekende aangepaste versie
‘Voorstel communicatie’ (hierna: de overeenkomst) is onder ‘Akkoordverklaring’ voor zover van belang opgenomen:
Zoals besproken stellen wij voor om [bedrijf 4] / [naam 2] te begeleiden voor een vaste fee van 25.000 euro voor de communicatie, te betalen met 12.500 euro vooraf en 12.500 euro achteraf. Indien de mediastrategie succesvol is gebleken in de zaak tegen de Rabobank, komt daar een percentage van 10 procent van de waarde van de claim bij. De mediastrategie wordt als ‘succesvol’ beschouwd wanneer het betaalde bedrag daadwerkelijk wordt teruggevorderd. Dit bedrag is exclusief BTW.
Van belang is dat er nadat beide partijen akkoord gaan met een samenwerking periodieke sessies worden gepland waarin de mogelijkheden en inhoudelijke details nauwkeurig zullen worden geïnventariseerd. (…)
2.13.
In de overeenkomst is voor zover van belang voorts het volgende opgenomen:
Goed communiceren met verschillende doelgroepen, waaronder de media, is een kunst op zich en vergt veel expertise, ervaring en persoonlijke contacten. Over al deze aspecten beschikt ons bureau [bedrijf 1] . Wij zijn gespecialiseerd in mediacommunicatie en wij werken al sinds 1988 aan een goed functionerend netwerk van perscontacten en politici.(…)
UW VRAAG
Middels een zwaar gebrekkige veiling heeft de Rabobank [adres 2] van [naam 2] afgepakt. Bij deze veiling heeft de Rabobank vele malen over zichzelf heen geboden, wat de schijn van een eerlijke veiling gaf maar totaal niet was. De achterliggende reden voor de veiling was sowieso twijfelachtig, daar [naam 2] meerdere malen met de Rabobank heeft gesproken om de hypotheek af te betalen. Hier zijn zelfs door de Rabobank erkende taxateurs bij betrokken geweest. Dit is door de bank afgeslagen, vermoedelijk vanwege een wraakactie voor een eerder conflict tussen de Rabobank en de ouders van [naam 2] .
De vraag aan [bedrijf 1] is om dit verhaal in de media te belichten en dan vooral de nadruk op de buitengewone gang van zaken (van de Rabobank) te leggen. Op deze manier oefent [naam 2] druk op de Rabobank uit en is de kans op een eerlijker proces groter. De artikelen in de media kunnen in een rechtszaak helpen. (…)
ONS ANTWOORD
Het doel van de te voeren mediacampagne is het genereren van aandacht voor de uitzonderlijke gang van zaken bij de verkoop van het onroerend goed van [naam 2] door de Rabobank. Deze veiling was ernstig defect en de bank heeft meerdere keren op zichzelf overboden, wat de indruk van een eerlijke verkoop wekte, maar dit was in werkelijkheid totaal niet het geval. Ondanks herhaald overleg tussen [naam 2] en de Rabobank over het aflossen van de lening, bleef de reden voor de verkoop twijfelachtig en moet deze openbaar worden gemaakt. Hierbij is het belangrijk te benadrukken dat erkende taxateurs hierbij betrokken waren en dat de bank vermoedelijk uit wraak handelde voor een eerder conflict met de ouders van [naam 2] . We gaan dit verhaal aanbieden aan dagbladen en gespecialiseerde media om druk uit te oefenen op de betrokken partijen en om bredere aandacht te krijgen voor deze kwestie.
Hierbij richten we ons op de volgende doelen:
  • Het creëren van media-aandacht over de wijze van handelen rondom de veiling, waarbij de Rabobank tegen zichzelf bood.
  • Druk uitoefenen op betrokken notarissen en de Rabobank.
  • Een duidelijke weergave van de tijdlijn en het verhaal van [naam 2] .
  • Het opbouwen van een mediaprofiel en relaties met journalisten.
  • Het uitrollen van een strategisch mediaoffensief.
Afhankelijk van de insteek en de nieuwswaarde zullen we meerdere sporen van communicatie volgen: (…)We adviseren om verhalen te brengen in invloedrijke financiële media zoals De Telegraaf of het FD.
Werkzaamheden
[bedrijf 1] kan daarnaast onder meer de volgende werkzaamheden verrichten voor [bedrijf 4] / [naam 2] :
  • Proactief meedenken over communicatiebeleid en kansen op het gebied van publiciteit voor de zaak over het vastgoed (waaronder stukken in bijvoorbeeld Telegraaf, Financieele Dagblad, Quote, BNR);
  • Arrangeren van artikelen door inschakelen netwerk van journalisten. Wij briefen journalisten en bereiden voor op de publiciteit/een interview;
  • Schrijven en distribueren van en statements;
  • Monitoren van de beeldvorming bij pers;
  • Online monitoring;
  • 24/7 bereikbaarheid voor advies;
  • Mogelijkheid tot optreden woordvoering.
2.14.
Op 12 juli 2024 stuurt [eiseres] een factuur van € 15.125,- (€ 12.500,- + BTW) aan [gedaagde] . Deze factuur wordt door [gedaagde] op diezelfde dag voldaan.
2.15.
Op 4 september 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het hof Amsterdam.
2.16.
Bij arrest van het hof Amsterdam van 11 maart 2025 is het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2023 gedeeltelijk vernietigd voor zover daarin de vordering van [naam 2] tot (terug)betaling het bedrag van € 334.000,- en € 1.124.000,- is afgewezen. De Rabobank wordt in dit arrest veroordeeld tot (terug)betaling aan [naam 2] .
2.17.
De Rabobank heeft het bedrag van € 1.458.000,- aan [naam 2] terugbetaald.
2.18.
[eiseres] stuurt op 18 maart 2025 een factuur van € 15.125,- (€ 12.500,- + BTW) aan [gedaagde] voor de tweede helft van de vaste fee met de omschrijving ‘communicatieadvies volgens afspraak’. Op 21 maart 2025 stuurt [eiseres] een factuur aan [gedaagde] van € 176.418,- (€ 145.800,- + BTW) voor de succesfee met de omschrijving ‘conform overeenkomst brengen wij u 10% van het door de bank gestorte geld’.
2.19.
[gedaagde] wijst bij mailbericht van 23 maart 2025 de factuur van 21 maart 2025 van de hand en zij laat in deze mail weten dat de factuur van 18 maart 2025 wordt opgeschort zolang de factuur voor de succesfee niet is gecrediteerd. Ook na sommatie door de deurwaarder op 25 maart 2025 betaalt [gedaagde] niet.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 191.943,- (€ 15.525,- + € 176.418,-), vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten van € 2.694,43, de wettelijke handelsrente en de proceskosten (inclusief de nakosten).
3.2.
[eiseres] legt daaraan het volgende ten grondslag.
Tijdens de executieveiling van de woonboerderij had [naam 2] maar één tegenbieder, de Rabobank, die zelf haar eigen biedingen overbood. De Rabobank heeft daarmee de koopprijs kunstmatig en louter ten hare eigen behoeve opgedreven. [naam 2] was hierover zeer verbolgen en heeft besloten de Rabobank aan te spreken. Hij wilde de door hem betaalde koopsom met kosten terug om daarna, zoals hij ook al had aangeboden, een redelijke executiewaarde aan de Rabobank te betalen. De Rabobank is daarmee niet akkoord gegaan en daarom heeft [naam 2] de Rabobank in rechte betrokken. [naam 2] heeft bij de rechtbank Amsterdam gevorderd dat de Rabobank het teveel door hem betaalde aan hem zou moeten terugbetalen. De rechtbank Amsterdam heeft zijn vorderingen afgewezen. [naam 2] is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan. In mei/juni 2024 heeft [naam 2] contact opgenomen met [eiseres] met de vraag wat zij voor hem zouden kunnen betekenen in zijn zaak tegen de Rabobank, omdat [naam 2] er alles aan wilde doen om deze zaak in zijn voordeel te laten uitvallen. [eiseres] heeft haar werkwijze aan [naam 2] uitgelegd waarop [naam 2] heeft laten weten van de diensten van [eiseres] gebruik te willen maken.
Volgens [eiseres] is zij door [gedaagde] ingehuurd om druk uit te oefenen op de Rabobank. [eiseres] heeft in dat verband gedaan wat zij kon doen en ook wilde doen en daarmee is zij de tussen partijen gesloten overeenkomst nagekomen. De overeenkomst is volgens haar ook volstrekt duidelijk: de door [eiseres] te voeren mediastrategie is succesvol als het door [naam 2] aan de Rabobank betaalde bedrag daadwerkelijk is teruggevorderd. Dat terugvorderen is gebeurd door de betaling van € 1.458.000,- van de Rabobank aan [naam 2] . Daarom kan volgens haar de mediastrategie als succesvol worden beschouwd. Zij heeft daarom conform de overeenkomst recht op het tweede deel van het vaste bedrag van
€ 15.525,- (€ 12.500,- met BTW) en op de succesfee van 10% (€ 176.418,- inclusief BTW).
3.3.
Volgens [gedaagde] is het beoogde resultaat van de overeenkomst niet bereikt en heeft [eiseres] niet voldaan aan de uit hoofde van de overeenkomst op haar rustende inspanningsverplichtingen. Ook ontbreekt volgens haar het causale verband tussen de prestatie van [eiseres] en het beoogde resultaat. Daarnaast stelt [gedaagde] dat [eiseres] niet aan haar informatieplicht heeft voldaan, terwijl [gedaagde] tijdig heeft geklaagd. [eiseres] vordert daarom volgens haar ten onrechte nakoming van de overeenkomst en zij concludeert om [eiseres] in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure (inclusief de nakosten).
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Kern van het geschil betreft de vraag of [eiseres] de overeenkomst tussen partijen is nagekomen en [gedaagde] het tweede deel van de vaste vergoeding en de succesfee dient te voldoen.
4.2.
Met [eiseres] wordt geoordeeld dat [gedaagde] deze dient te voldoen. Daartoe wordt als volgt overwogen. In de overeenkomst is opgenomen dat als de mediastrategie succesvol is gebleken in de zaak tegen de Rabobank een percentage van 10 procent van de waarde van de claim dient te worden betaald. Op voorstel van [gedaagde] zelf is in de overeenkomst opgenomen dat de mediastrategie als succesvol wordt beschouwd
als het betaalde bedrag daadwerkelijk wordt teruggevorderd.[naam 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat met ‘teruggevorderd’ ‘terugbetaald’ wordt bedoeld. Vast staat dat de Rabobank het bedrag van € 1.458.000,- aan [naam 2] heeft betaald, zodat [gedaagde] daarmee volgens de tekst van de overeenkomst de succesfee verschuldigd is.
4.3.
[gedaagde] heeft evenwel gesteld dat partijen een andere bedoeling voor ogen hadden. Volgens haar had de aan [eiseres] verstrekte opdracht tot doel om door middel van een strategisch mediaoffensief druk te creëren om de Rabobank voor de zitting van 4 september 2024 bij het Hof tot een dialoog en een duurzame minnelijke regeling te bewegen. Het door [naam 2] gewenste gesprek tussen hem en de Rabobank voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft niet plaats gevonden en daarom is volgens [gedaagde] het beoogde resultaat niet bereikt. Zij vindt dat zij daarom de vergoedingen niet verschuldigd is.
4.4.
In dit standpunt wordt zij niet gevold. Daartoe wordt als volgt overwogen.
Wat de bedoeling van partijen was dient uitgelegd te worden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Dat betekent dat de vraag hoe in een contract de verhouding van partijen is geregeld niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
4.5.
[naam 2] heeft op de zitting aangevoerd dat hij tijdens de bespreking van de overeenkomst op kantoor bij [eiseres] - waar hij de overeenkomst heeft gelezen en getekend - naar [eiseres] de in r.o. 4.3 gestelde bedoeling heeft uitgesproken. [eiseres] heeft dit evenwel gemotiveerd betwist. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat [naam 2] aan haar heeft gevraagd of zij voor [naam 2] van betekenis zou kunnen zijn, omdat [naam 2] met de aanstaande behandeling bij het Hof en het negatieve ‘umfeld’ dat een verlies van zijn zaak tegen de Rabobank voor hem zou betekenen zeer in zijn maag zat. Volgens [eiseres] wilde [naam 2] er alles aan doen om de zaak tegen de Rabobank in zijn voordeel te laten uitvallen. Volgens [eiseres] ging het partijen er om het nieuws hoe het echt in elkaar zat naar buiten te brengen enkel om druk uit te oefenen op de Rabobank. Dat het ook zo is bedoeld kan worden afgeleid uit de in de overeenkomst geformuleerde vraag van [gedaagde] en het antwoord daarop door [eiseres] (onder ‘UW VRAAG’ en ‘ONS ANTWOORD’ in r.o. 2.13).
Het ligt ook niet voor de hand dat [gedaagde] , zoals zij stelt, de aanvulling in de overeenkomst bij mail van 24 juni 2024 heeft voorgesteld zodat het tot de voormelde buitengerechtelijke regeling met de Rabobank zou komen. [gedaagde] ziet de terugbetaling immers zelf niet als een totaaloplossing. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat zij met de terugbetaling van € 1.458.000,- ‘weer terug zou zijn bij af’, omdat het hypotheekrecht dan niet is gelost. Het door [gedaagde] gestelde doel strookt ook niet met het door haarzelf ingenomen standpunt dat [naam 2] pas na toezending van het arrest van het Hof zou kunnen beoordelen of de door [eiseres] geleverde prestatie aan de overeenkomst beantwoordde. Of met de Rabobank voor de mondelinge behandeling van 4 september bij het Hof een minnelijke regeling zou zijn bereikt kon beoordeeld worden los van het latere arrest. Het zou dan ook, zoals [eiseres] stelt, in de rede gelegen hebben dat [naam 2] [eiseres] er voor de zitting bij het Hof op had aangesproken dat hij niet voldeed aan de overeenkomst. Onweersproken voert [eiseres] evenwel aan dat er geen enkele keer een vraag of opmerking over het uitblijven van een gesprek of een oplossing voor de mondelinge behandeling is geweest en er nooit enige wanklank over haar werkwijze was. Zo volgt dat ook uit het mailbericht van [naam 3] , werkzaam bij [eiseres] (hierna: [naam 3] ), van 2 september 2024 waarin het concept van het persbericht naar [naam 2] wordt gestuurd en hij hier positief op reageert. Dat ook na afloop van de zitting bij het Hof nog altijd de bedoeling was om in gesprek te raken met de Rabobank, zoals [gedaagde] stelt en blijkt uit het WhatsApp-bericht van 9 september 2024, maakt het voorgaande niet anders. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat het contact tussen partijen goed was en zij zelfs na het arrest van 11 maart 2025 de uitspraak gevierd hebben. Aan het voorgaande doet ook niet af dat, zoals [gedaagde] tevens stelt, de betaling van de Rabobank het gevolg is van de gerechtelijke procedure en niet ten gevolge van de mediastrategie. De voormelde aanvulling en de formulering om aan te sluiten bij het daadwerkelijk terugbetalen van het bedrag is door [gedaagde] zelf voorgesteld op het moment dat de hoger beroep procedure – waarin [naam 2] de terugbetaling van het door hem betaalde bedrag van € 1.458,000,- als één van de grieven heeft ingesteld – al liep. Het verweer van [gedaagde] dat het beoogde resultaat van de overeenkomst niet is bereikt, slaagt daarom niet. Dat betekent dat [gedaagde] overeenkomstig de bewoordingen van de overeenkomst de succesfee verschuldigd is.
4.6.
Overigens slaagt - los van het resultaat - het verweer van [gedaagde] dat [eiseres] niet aan haar inspannings- en informatieverplichting heeft voldaan, ook niet.
4.7.
[gedaagde] heeft in dit verband het volgende aangevoerd.
Door [eiseres] is niet voldaan aan de doelen uit de overeenkomst. Door [eiseres] is geen media-offensief gecreëerd waarbij een intensieve inzet van de media is gebruikt. De daadwerkelijke werkzaamheden van [eiseres] beperken zich tot een enkele verwijzing naar mogelijke publicaties en sporadische pogingen tot mediacontact. De impactvolle acties, een artikel in het Financieele Dagblad (hierna: FD) en de persberichten, zijn ook nooit uitgevoerd. Voor zover wel resultaat is bereikt ontbreekt het verband tussen de werkzaamheden van [eiseres] en het resultaat, omdat de werkzaamheden van [eiseres] hoofdzakelijk bestonden uit het meeliften op publicaties van andere journalisten. De in de Tubantia gepubliceerde artikelen (die gedeeld zijn in andere media) zijn niet tot stand gekomen door inspanningen van [eiseres] maar door de toenmalige raadsman van [naam 2] , die ook het arrest van het Hof met de journalist heeft gedeeld. Daarnaast is er door [eiseres] geen druk uitgeoefend op de betrokken notarissen en de Rabobank. Het is [naam 2] zelf geweest die melding heeft gemaakt bij de Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank (DNB). Voorts heeft [gedaagde] tijdig geklaagd omdat het op de weg van [eiseres] lag om haar op grond van artikel 7:403 BW Pro op de hoogte te houden over de uitvoering van de opdracht, wat [eiseres] niet heeft gedaan. [eiseres] heeft geen tijdlijn en te volgen sporen van communicatie aangegeven noch hebben er periodieke sessies plaats gevonden. Ook heeft [eiseres] haar niet geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de te creëren media-aandacht, de mediakeuze, het opbouwen van een mediaprofiel en de relaties met journalisten alsmede over het uitoefenen van druk op de betrokken notarissen en de Rabobank. [eiseres] heeft kortom (vrijwel) niets gedaan van wat was toegezegd en overeengekomen en het contact tussen partijen bestond slechts uit een aantal korte mailwisselingen, aldus [gedaagde] .
4.8.
In dit betoog wordt [gedaagde] niet gevolgd. Tussen partijen is een overeenkomst van opdracht gesloten in de zin van artikel 7:400 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens artikel 7:401 BW Pro dient de opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen. Uit de overeenkomst volgt dat [eiseres] gespecialiseerd is in mediacommunicatie en sinds 1988 werkt met een goed functionerend netwerk. [eiseres] stelt dat [gedaagde] bewust voor haar gekozen heeft en dat zij heeft gewerkt zoals zij dat altijd doet en haar werkwijze vooraf ook aan [naam 2] heeft uitgelegd. Volgens [eiseres] speelt haar werk zich grotendeels af op de achtergrond op plekken waar relevante personen rondlopen. Daar verricht [naam 1] ongezien maar door deze personen wel gehoord zijn werk en hij weet volgens [eiseres] precies wie hij op welk moment en op welke wijze moet benaderen. [naam 1] heeft volgens [eiseres] dagelijks contact met journalisten en redacteuren die in dit soort zaken van belang zijn. Op die manier draagt hij de boodschap aan hen over en houdt hij hen op de hoogte om een verhaal te schrijven. Zo heeft hij volgens [eiseres] in aanloop naar de zitting bij het Hof ook voor [gedaagde] journalisten benaderd. [naam 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling ook aangegeven dat hij op die wijze een mediaprofiel voor [gedaagde] heeft opgebouwd en zo tevens de beeldvorming in de pers monitorde.
4.9.
Vast staat dat het verhaal van [naam 2] in verschillende media is gepubliceerd. Voor de zitting bij het Hof is een artikel op Quotenet.nl gepubliceerd. Op 2 september 2024 ontvangt [gedaagde] een persbericht (wat op 3 september 2024 wordt aangepast) van [eiseres] . Op 5 september 2024 wordt een artikel in de Tubantia gepubliceerd dat diezelfde dag is gedeeld op NU.nl, in het AD, De Gelderlander en De Stentor. Op 12 maart 2025 ontvangt (de raadsman van) [naam 2] een persbericht van [naam 3] . Op 15 maart 2025 verschijnt wederom een artikel op Quotenet.nl en op 16 maart 2025 worden artikelen gepubliceerd in de Tubantia, De Stentor en het AD. [eiseres] publiceert op 17 maart op haar eigen website een artikel over de procedure tussen [naam 2] en de Rabobank. [eiseres] heeft in dit verband tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat zij met de Quote gesproken heeft en contact heeft gehad met de journalist van de Tubantia, die hij ook voor de mondelinge behandeling van de zaak bij het Hof heeft uitgenodigd. Ook heeft [eiseres] [naam 2] aanbevolen om een interview te doen en dit aan te bieden aan de Tubantia of de Telegraaf, zoals volgt uit het door haar overgelegde What’s app-bericht van [naam 3] van 10 september 2024, maar daarop heeft [naam 2] gereageerd dat hij wil wachten tot na de uitspraak van de rechter. [naam 1] heeft verder tijdens de mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat de persberichten die [gedaagde] en haar advocaat hebben gehad ook naar de Quote en de Tubantia zijn gestuurd. Weliswaar heeft [gedaagde] gesteld dat de (aangepaste) persberichten nimmer zijn gepubliceerd, maar volgens [eiseres] is het ook niet gebruikelijk dat haar persberichten één op één worden geplaatst. Deze fungeren volgens haar als basis voor de journalist die mede aan de hand daarvan zijn eigen verhaal schrijft. Gelet op het voorgaande wordt [gedaagde] in haar stelling dat [eiseres] in dit verband onvoldoende inspanningen heeft verricht en er geen zichtbare resultaten zijn niet gevolgd. Dat er geen artikelen in het FD en de Telegraaf zijn verschenen maakt dat niet anders. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat zij de Telegraaf heeft benaderd en ook uit voormeld What’s app-bericht van [naam 3] van 10 september 2024 volgt dat [eiseres] [naam 2] heeft aanbevolen om een interview voor de Telegraaf te doen, maar dat [naam 2] hier zelf mee wilde wachten. Bovendien volgt uit het overgelegde mailbericht van [naam 4] , redacteur bij het FD (hierna: [naam 4] ), van 9 juli 2024 dat de zaak ook ruim voor de mondelinge behandeling bij het Hof door [eiseres] onder de aandacht is gebracht bij het FD en dat [naam 4] - zo volgt uit deze mail - op de zaak terug zou komen. Uit daarna verzonden mailberichten van 7 augustus en 15 augustus 2024 aan de raadsman van [naam 2] volgt dat [naam 3] de meest recente informatie over de zaak vraagt om vragen van [naam 4] (nadat hij terug is van vakantie) te kunnen beantwoorden en om eventuele door de Rabobank verstrekte informatie te kunnen weerleggen. [naam 2] antwoordt hierop zelf om eerst de antwoorden van de bank af te wachten en die dan te weerleggen. Wat hier verder ook van zij, dat het FD en de Telegraaf het verhaal uiteindelijk niet (voor de mondelinge behandeling bij het Hof) hebben gepubliceerd maakt niet dat [eiseres] niet aan haar inspanningsverplichting heeft gedaan. [eiseres] heeft zich immers verbonden tot het aanbieden van het verhaal aan dagbladen en gespecialiseerde media en dat heeft zij gedaan.
4.10.
Daarnaast gaat ook de stelling van [gedaagde] dat door [eiseres] niet voldoende druk is uitgeoefend op de betrokken notarissen en de Rabobank niet op. [eiseres] heeft in dit verband een mailbericht van 2 juli 2024 aan [naam 2] overgelegd met twee voorstellen van klachtmeldingen voor de DNB en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB). Uit de overgelegde mail van [naam 3] van 12 juli 2024 en de reactie erop namens Team publieksvoorlichting van DNB van 22 augustus 2024 volgt dat de klacht bij DNB is binnengekomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] aangevoerd dat ook brieven naar de KNB zijn verstuurd en dat de reactie van de KNB was dat het intern bij haar besproken zou worden. [naam 2] heeft op de zitting ook erkend dat [eiseres] dit heeft gedaan. Het volgt bovendien uit het door [eiseres] overgelegde What’s app-bericht van 27 oktober 2024, waarin [naam 2] schrijft:
Heb jij nog reacties van de broederschap van notarissen en van de Nederlandse bank. Over de melding die jullie namens mij hebben gedaan. Ik zit in december bij hof in Leeuwarden. Blijkbaar wordt de aangifte van mij toch serieuze genomen en is er kans op dat ze openbaar ministerie gaan verplichten om te vervolgen (…).[eiseres] heeft daarnaast een reactie van [naam 1] met een link naar het artikel over [naam 2] op Quotenet.nl onder een LinkedIn-bericht van de CEO van de Rabobank overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] verder aangevoerd dat er ook een brief en een mail naar de Rabobank is verstuurd, maar dat daarop geen reactie is gekomen. Uit de overgelegde WhatsAppberichten van 26 juli 2024 volgt dat er een kamervraag is gesteld en ook dat [naam 4] vragen aan de Rabobank heeft gesteld. In haar stelling dat [eiseres] in dit verband onvoldoende inspanningen heeft betracht wordt [gedaagde] daarom niet gevolgd.
4.11.
[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat [eiseres] geen tijdlijn en te volgen sporen van communicatie heeft aangegeven noch dat er periodieke sessies hebben plaats gevonden. [naam 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat vanwege zijn specifieke manier van werken - zoals beschreven in r.o. 4.8 - en omdat het om gevoelige verhalen gaat het meeste mondeling gaat en dat er daarom ook maar weinig concreet overgelegd kan worden. Hij kan daar volgens hem niet verder over uitweiden omdat dit zijn specifieke kennis en ervaring betreft. In de tijd voor de zitting bij het Hof heeft hij, zo voert [naam 1] aan, verschillende media benaderd, terwijl hij daarover voortdurend contact met [naam 2] had en hem regelmatig op de hoogte hield. Op die wijze zijn volgens [eiseres] in tijd de verschillende media benaderd. [naam 2] heeft hier tijdens de mondelinge behandeling over gezegd dat partijen wel eens telefonisch contact hadden maar niet over wat [eiseres] nu telkens precies ging doen. Volgens [eiseres] is evenwel op geen enkele wijze gebleken dat [gedaagde] niet tevreden was over de manier van werken van [eiseres] . Pas na verzending van de facturen op 18 en 21 maart 2025 vernam zij geheel onverwachts - er was nooit enige wanklank over haar werkwijze geweest - bij mailbericht van 23 maart 2025 van [gedaagde] dat zij de succesfee van de hand wijst. [naam 2] heeft zich tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat hij [eiseres] hier niet eerder op hoefde aan te spreken omdat partijen iets anders hadden afgesproken en toch al duidelijk was dat de mediastrategie was mislukt. In dit standpunt wordt hij niet gevolgd. Immers, op grond van artikel 6:89 BW Pro had [gedaagde] , als zij vond dat sprake was van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, [eiseres] hierover moeten informeren. Nu zij dat heeft nagelaten slaagt ook de stelling van [gedaagde] dat [eiseres] haar onvoldoende heeft geïnformeerd niet. Ook overigens slaagt het verweer van [gedaagde] dat [eiseres] zich, gelet op de onder r.o. 2.13 opgesomde doelen en werkzaamheden, onvoldoende heeft ingespannen niet. Van de mogelijkheid dat [eiseres]
24/7 bereikbaar is voor adviesheeft [naam 2] ter zitting aangegeven daarvan zelf geen gebruik te hebben gemaakt. Ten aanzien van de
mogelijkheid tot optreden woordvoeringheeft [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat het hiervan, los van de contacten met journalisten, niet gekomen is en dat heeft [naam 2] ter zitting erkend.
4.12.
[gedaagde] heeft zich er tot slot nog op beroepen dat de gevorderde vergoeding van € 191.943,00 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 6:248 lid 2 BW Pro onaanvaardbaar is. [gedaagde] heeft in dit verband aangevoerd dat het gelet op de verrichte werkzaamheden - [eiseres] heeft volgens [naam 2] maar drie maanden werk gehad - een buitensporig resultaat is. Zij verzoekt daarom een redelijk loon voor [eiseres] vast te stellen op € 15.125,00 wat gelijk is aan de reeds betaalde eerste termijn. Ook hierin wordt [gedaagde] niet gevolgd. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat het voor haar bedrijf niet gebruikelijk is om een succesfee op te nemen in het contract. Doorgaans factureert zij maandelijks een vast bedrag bij haar klanten, maar volgens [eiseres] is in dit geval een vaste vergoeding en de succesfee in de overeenkomst opgenomen omdat [gedaagde] zelf met dit voorstel kwam. [eiseres] nam, zo voert zij aan, door akkoord te gaan met de succesfee gedeeltelijk een risico omdat zij alleen uitbetaald zou worden als het geld terugbetaald zou worden. [naam 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat de vergoedingen op zijn voorstel op deze wijze in de overeenkomst zijn opgenomen en daarom wordt het beroep op de redelijkheid en billijkheid ook gepasseerd.
4.13.
Nu de verweren van [gedaagde] niet slagen is van een bevoegdelijke opschorting op 23 maart 2025, zoals dat door [gedaagde] is gesteld, geen sprake.
De vorderingen van [eiseres] worden daarom toegewezen. [eiseres] vordert € 15.525,00 en
€ 176.418,00 (totaal € 191.943,00). Met [gedaagde] wordt geoordeeld dat van de gevorderde € 15.525,00 een bedrag van € 15.125,00 kan worden toegewezen nu dit laatste bedrag uit de factuur van 18 maart 2025 blijkt en kennelijk sprake is van een verschrijving in de dagvaarding (onder randnummers 40 en 43). Totaal wordt daarom een bedrag van
€ 191.543,00 toegewezen.
4.14.
[eiseres] heeft in verband met de gevorderde wettelijke handelsrente niet gesteld dat er een uiterste dag van betaling is overeengekomen en daarom is [eiseres] wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgend op die waarop [gedaagde] de facturen van [eiseres] heeft ontvangen (artikel 6:119a lid 2 sub a BW).
Volgens [gedaagde] heeft zij de facturen op 18 en 21 maart ontvangen zodat de wettelijke handelsrente voor het bedrag van € 5.125,00 toegewezen wordt vanaf 18 april 2025 en voor het bedrag van € 176.418,00 vanaf 21 april 2025.
4.15.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 2.690,43 worden toegewezen.
4.16.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.019,35
4.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.18.
[gedaagde] verzet zich tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad en stelt daartoe dat sprake is van een restitutierisico. Volgens [gedaagde] heeft zij geen zicht heeft op de liquiditeit van [eiseres] en [bedrijf 2] B.V., omdat [eiseres] op 28 september 2021 haar meest recente jaarrekening van 2019 gedeponeerd heeft en [bedrijf 2] B.V. over het boekjaar 2021 op 20 oktober 2023. Zowel [eiseres] als [bedrijf 2] B.V. voldoen daarmee volgens [gedaagde] niet aan hun publicatieplicht op grond van artikel 2:394 BW Pro.
4.19.
Artikel 233 Rv Pro bepaalt dat de rechter, als dit wordt gevorderd, zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren. Als er verweer wordt gevoerd tegen een gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring, zal een belangenafweging moeten plaatsvinden. Daarbij moet de kans van slagen van een eventueel aan te wenden rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing blijven en wordt degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben.
4.20.
Het argument dat [gedaagde] in dit kader heeft aangevoerd, biedt onvoldoende aanwijzing om te concluderen dat er sprake is van een concreet restitutierisico. De rechtbank zal daarom het vonnis uitvoer bij voorraad verklaren.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 191.543,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over:
- het bedrag van € 15.125,00 met ingang van18 april 2025,
- het bedrag van € 176.418,00 met ingang van 21 april 2025,
telkens tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.690,43 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 11.019,35, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over deze kosten vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling, en te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Zie het arrest van het hof Amsterdam van 11 maart 2025 onder r.o. 2.15 (productie 8 bij conclusie van antwoord).
2.Zie het arrest van het hof Amsterdam van 11 maart 2025 onder r.o. 2.17 en 3.23.