ECLI:NL:RBOVE:2026:1516

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
AWB_26_938
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen afwijzing handhavingsverzoek fundering supermarkt

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zwolle. Het college had het handhavingsverzoek van eiser afgewezen, waarin werd betoogd dat de fundering van de uitbreiding van de supermarkt Coop niet overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning zou zijn uitgevoerd.

Eiser stelde dat de geplande opening van de supermarkt binnen een week zou plaatsvinden, waardoor de situatie omtrent de fundering feitelijk onomkeerbaar zou worden. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de bouw van de supermarkt in een vergevorderd stadium was en dat het treffen van een voorlopige voorziening de realisatie van de fundering niet meer kon voorkomen.

Daarnaast richtte het handhavingsverzoek zich niet op de constructieve veiligheid, en had de gemeentelijke constructeur vastgesteld dat de fundering voldeed aan de vergunningseisen. Gezien het ontbreken van onverwijlde spoed en het ontbreken van evident onrechtmatigheid van het besluit, wees de voorzieningenrechter het verzoek af zonder zitting.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en het ontbreken van evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/938
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats] ,
hierna: [eiser] ,
(gemachtigde: mr. J. van der Kaap),
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle,
hierna: het college,
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Coop Vastgoed B.V.gevestigd te Utrecht.

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [eiser] van 16 maart 2026 in verband met het besluit van het college van 21 november 2025, waarbij het college het verzoek van [eiser] om tot handhaving over te gaan heeft afgewezen.
1.2.
Het verzoek is kennelijk ongegrond. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

2.Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
2.2.
In het verzoekschrift heeft [eiser] naar voren gebracht dat hij het college verzocht heeft handhavend op te treden tegen de uitbreiding van de supermarkt Coop op de (buur)percelen [adres 1] en de [adres 2] , omdat volgens hem de fundering van het bouwwerk niet overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning wordt uitgevoerd. Het college heeft dit verzoek met het besluit van 21 november 2025 afgewezen, omdat – kort weergeven – een gemeentelijke constructeur heeft vastgesteld dat de wapening overeenkomstig de vergunning werd aangebracht en er vanuit constructief oogpunt geen probleem is door toepassing van zwaardere fundatiestroken.
2.3.
[eiser] is het met dit besluit niet eens, en heeft daartegen op 18 december 2025 bezwaar gemaakt.
2.4.
[eiser] heeft nu de voorzieningenrechter verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarfase, omdat op 25 maart 2026 een feestelijke opening van de supermarkt staat gepland. [eiser] betoogt in zijn verzoekschrift – kort weergeven – dat dit betekent dat de supermarkt vanaf dan feitelijk in gebruik zal worden genomen, waarmee ten aanzien van de fundering een situatie ontstaat die in de praktijk moeilijk ongedaan kan worden gemaakt.
2.5.
Nu de opening van de supermarkt over een week staat gepland, kan de voorzieningenrechter niet anders concluderen dan dat de bouw van de supermarkt in een vergevorderd stadium is, zo niet is voltooid. Daarbij gaat het [eiser] in zijn handhavingsverzoek om de fundering. Het realiseren van de fundering kan met het treffen van een voorlopige voorziening in dit stadium van de bouw niet meer worden voorkomen. De ingebruikname van de uitbreiding van de supermarkt maakt dit niet anders. Daarnaast blijkt uit het verzoek- en bezwaarschrift dat het handhavingsverzoek van [eiser] ziet op de vraag of in overeenstemming is gebouwd met de omgevingsvergunning, en zich niet richt op de constructieve veiligheid. Ook de controlerend constructeur van de gemeente heeft vanuit constructief oogpunt geen problemen met betrekking tot de fundering geconstateerd.
De voorzieningenrechter ziet dan ook in wat [eiser] heeft betoogd niet dat sprake is van onverwijlde spoed, die gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.
2.6.
Bij het ontbreken van spoedeisend belang, kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet op basis van de stukken geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.

3.Conclusie en gevolgen

3.1.
Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.