ECLI:NL:RBOVE:2026:1514

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/08/335396 / HA ZA 25-224
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:196 lid 1 BWArt. 3:196 lid 4 BWArt. 3:198 BWArt. 6:248 BWArt. 7:900 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vernietiging echtscheidingsconvenant wegens bewuste aanvaarding benadeling

Partijen zijn gehuwd geweest in gemeenschap van goederen en hebben in het kader van hun echtscheiding afspraken gemaakt via mediation, vastgelegd in een convenant dat als vaststellingsovereenkomst kwalificeert. De vrouw stelt dat zij door dwaling over de waarde van de woning en ondernemingen benadeeld is en vordert vernietiging of wijziging van het convenant en nadeelcompensatie.

De rechtbank stelt vast dat de woningwaarde op de peildatum aanzienlijk hoger was dan de waarde die partijen hadden afgesproken, waardoor de vrouw voor meer dan een kwart benadeeld is. Desondanks wijst de rechtbank de vordering tot vernietiging af omdat partijen bewust het risico van benadeling hebben aanvaard door de vaststellingsovereenkomst. De vrouw was op de hoogte van de onzekerheid over de waarde en had de mogelijkheid tot onderzoek, maar koos daarvoor niet.

Ook de stelling dat de vrouw onvoldoende rechtsbijstand had tijdens mediation wordt verworpen. De rechtbank oordeelt dat de vrouw haar benadeling te harer bate heeft aanvaard en dat de verdeling en pensioenregeling in stand blijven. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot vernietiging en wijziging van het echtscheidingsconvenant af omdat de vrouw haar benadeling bewust heeft aanvaard.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/335396 / HA ZA 25-224
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.A. Knobben,
tegen
[de man],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. R.R. Schuldink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 10;
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 15;
- het bericht van mr. Knobben van 19 januari 2026 met producties 11, 12 en 13;
- het bericht van mr. Schuldink van 20 januari 2026 met producties 16 en 17;
- de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en de pleitaantekeningen van mr. Knobben.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. In het kader van hun voorgenomen echtscheiding hebben zij met behulp van een mediator afspraken gemaakt over de gevolgen van de echtscheiding.
2.2.
In de tijd dat partijen de mediationgesprekken hebben gevoerd, heeft de vrouw de man op 9 juni 2023 een Whatsapp- bericht gestuurd waarin staat: ‘
Ik ga akkoord met een waardeschatting van 4 ton voor ons huis. De loods heeft geen overwaarde dus hoeven we die niet te verrekenen voor zover ik weet. (…) Mijn voorlopige schatting is dan dat je me voor € 47.000,- moet uitkopen plus de financiën van [bedrijf 1] 50% er nog bij. (…)’
2.3.
De vrouw zond de mediator op 4 juli 2023 een emailbericht met de volgende inhoud:
‘Beste [naam 1] , Wij hebben samen even een tabel gemaakt met de bedragen zoals wij het zouden willen voorstellen en bespreken (…).’Als bijlage bij de email zit een overzicht met goederen waaraan waardes zijn gekoppeld met een voorgesteld uitkoopbedrag van
€ 79.717,-.
2.4.
De vrouw zond de mediator op 5 juli 2023 een emailbericht met de volgende inhoud:
‘Hallo [naam 1] , na ons gesprek van gisteren heb ik besloten akkoord te gaan met een uitkoopbedrag van € 62.500,-. Hiervan heb ik [de man] ook op de hoogte gesteld. (…)’
2.5.
Partijen zijn tot afspraken gekomen die zijn opgenomen in een convenant dat door hen op 15 augustus 2023 is ondertekend en op 25 augustus 2023 is ingediend bij de rechtbank Limburg.
2.6.
Bij beschikking van 14 september 2023 heeft de rechtbank Limburg de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat het convenant en het ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.
2.7.
De echtscheidingsbeschikking is op 2 oktober 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Hardenberg.
2.8.
Het door partijen ondertekende convenant heeft de titel ‘Convenant/ vaststellingsovereenkomst’. In het convenant is onder meer het volgende opgenomen:
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
2.9.
In mei 2024 is de woning aan de [adres] in opdracht van de man in het kader van de hypothecaire financiering getaxeerd. Uit de taxatie blijkt dat de waarde op de peildatum (25 augustus 2023) € 564.000,- bedroeg.
2.10.
Op 20 juni 2024 zijn partijen bij de notaris geweest in verband met het passeren van een notariële akte tot verdeling, waardoor onder andere de man enig eigenaar van de woning aan de [adres] zou worden en de vrouw ontslagen zou worden uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheekschuld.
2.11.
Als gevolg van de nieuwe waardering van de woning heeft de man de vrouw een aanbod gedaan om haar € 50.000,- bovenop het door hem aan haar uit te betalen bedrag van € 62.500,- te betalen. De vrouw heeft hier niet mee ingestemd. De notaris heeft de akte tot verdeling niet gepasseerd.
2.12.
De vrouw heeft [bedrijf 2] ingeschakeld met het verzoek een analyse te maken ten aanzien van de in het convenant opgenomen verdeling. Op 2 oktober 2024 is een rapport opgesteld. Volgens [bedrijf 2] heeft de vrouw € 99.938,- uit de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap ontvangen terwijl dit € 194.155,- zou moeten zijn.
2.13.
Op 23 oktober 2024 heeft de mediator partijen een emailbericht gezonden. In het bericht staat het volgende opgenomen.
2.14.
Op 25 februari 2025 heeft de mediator de voormalig advocaat van de man het volgende bericht gezonden:
(…)
2.15.
Partijen hebben met elkaar gecorrespondeerd om tot een oplossing te komen maar zijn hier niet in geslaagd.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert - samengevat - de afspraken zoals opgenomen in de artikelen 3.9 tot en met 3.14 en 3.16 van het convenant te vernietigen, althans deze artikelen te wijzigen, althans de werking van deze artikelen te ontzeggen. Zij vordert ook hertaxatie van de vermogensbestanddelen zoals opgenomen in het verdelingsoverzicht in artikel 3.16 van het convenant op basis van de waarden per 2 oktober 2023 en op basis van die hertaxatie een bedrag aan nadeelcompensatie vast te stellen dat door de man aan de vrouw moet worden voldaan.
3.2.
De vrouw legt daaraan ten grondslag dat zij gedwaald heeft voor wat betreft de waarde van de verdeling en dat zij daardoor voor ten minste een kwart is benadeeld: de woningwaarde is door partijen op € 375.000,- gesteld terwijl dit € 564.000,- bleek te zijn. Ook is de onderneming van de man voor een lagere waarde in de verdeling meegenomen en daarbij is de waardering van een loods buiten beschouwing gebleven. Als gevolg van deze benadeling van de vrouw moet de volledige verdeling opnieuw vastgesteld worden en moeten alle bestanddelen gewaardeerd worden. De overeenkomst van partijen is weliswaar een vaststellingsovereenkomst genoemd, maar het betreft volgens de vrouw slechts een reguliere overeenkomst tussen partijen.
3.3.
Daarnaast vordert de vrouw een verklaring voor recht dat op grond van de gevorderde vernietiging van de artikelen 3.9 tot en met 3.16 deze artikelen hun werking hebben verloren. Ook vordert de vrouw te bepalen, althans voor recht te verklaren dat de tussen partijen overeengekomen uitsluiting van de pensioenverevening niet van toepassing is.
3.4.
De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure. De man voert aan dat tijdens en buiten mediation met de vrouw is gesproken over de waardebepaling van de woning en dat beide partijen voorstellen voor wat betreft de waarde van de woning hebben gedaan. Uiteindelijk hebben partijen afgesproken om als waarde van de woning € 375.000,- te hanteren waarbij de mediator heeft opgemerkt de WOZ- waarde de ondergrens zou zijn. Voor wat betreft de ondernemingen geldt dat partijen hebben afgesproken dat ieder zijn of haar eigen onderneming zou behouden. Zij hebben in onderling overleg bepaalde waardes aan de onderneming gekoppeld die in de verdeling zouden worden meegenomen. De man en de vrouw hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten over deze onderwerpen, namelijk ter beëindiging of voorkoming van een onzekerheid of geschil en daardoor heeft de vrouw bewust het risico van benadeling aanvaard.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Het convenant is een vaststellingsovereenkomst
4.1.
Partijen hebben een convenant met elkaar gesloten om de (financiële) gevolgen van hun echtscheiding te regelen. Zij verschillen van mening over de vraag of het convenant kwalificeert als een vaststellingsovereenkomst: de vrouw vindt van niet, de man vindt van wel.
4.2.
Een vaststellingsovereenkomst is volgens art. 7:900 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) een overeenkomst die gericht is op de beëindiging of de voorkoming van een onzekerheid of een geschil.
Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen zich jegens elkaar aan een vaststelling omtrent hetgeen rechtens tussen hen geldt, ook voor zover deze toestand mocht afwijken van de tevoren tussen hen bestaande rechtstoestand. Niet vereist is dat partijen kunnen overzien waarvan zij afzien (ofwel: waarop de onzekerheid of het potentiële geschil precies betrekking heeft).
4.3.
De vraag of sprake is van een vaststellingsovereenkomst is afhankelijk van uitleg van de desbetreffende overeenkomst. Wat partijen zijn overeengekomen moet daarom worden vastgesteld aan de hand van wat zij over en weer hebben verklaard en uit hun verklaringen en gedragingen over en weer hebben afgeleid en redelijkerwijs mochten afleiden (de zogeheten
Haviltex-maatstaf). Daarbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol en kan mede betekenis worden toegekend aan gedragingen en uitlatingen van partijen na de schriftelijke overeenkomst.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het convenant een vaststellingsovereenkomst is en licht dat als volgt toe. Uit de stellingen van de man volgt dat partijen de bedoeling hebben gehad om de gevolgen van de echtscheiding in onderling overleg te regelen waarbij zij ten tijde van het maken van de afspraken niet wisten wat de waarde in het economisch verkeer was van de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap, waaronder de waarde van de woning en de ondernemingen. Om aan die onzekerheid een eind te maken, hebben partijen zelf bewust de waardes bepaald en in het convenant opgenomen. De vrouw heeft de stellingen van de man onvoldoende gemotiveerd weersproken. Om die reden kwalificeert de tussen partijen gesloten overeenkomst als een vaststellingsovereenkomst.
4.5.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is namelijk gebleken dat beide partijen het van belang vonden om de gevolgen van de echtscheiding in onderling overleg te regelen. Partijen hebben samen gekozen om hun echtscheiding via mediation te regelen, waarbij de man de vrouw de vrijheid heeft gelaten om een mediator te zoeken. Partijen hebben uiteindelijk gekozen voor mevrouw [naam 2] als mediator, die met partijen vier gesprekken heeft gevoerd.
4.6.
In het kader van de waardering van de woning is tijdens de mediationgesprekken onder meer gesproken over de vraag of de man de woning zou kunnen behouden. De man heeft onweersproken aangevoerd dat hij daar belang bij had omdat hij zijn werkzaamheden vanuit de woning uitvoerde, zijn moeder ook op het perceel woonde en het voor de kinderen prettig zou zijn als zij een vaste basis konden behouden. Uit de mededelingen van de mediator van 23 oktober 2024 en 25 februari 2025 blijkt ook dat deze omstandigheden tijdens de mediation ter sprake zijn gekomen bij de waardebepaling van de woning.
Partijen hebben bij de waardebepaling in eerste instantie aansluiting gezocht bij de laatst bekende waarde van de woning zoals geregistreerd stond bij de SNS bank. Zij hebben dat bedrag (€ 325.000,-) als startpunt voor de gesprekken over de waardebepaling genomen. De vrouw heeft gesteld dat de woning sindsdien flink was verbouwd, waardoor haar een woningwaarde van € 400.000,- reëel leek. Volgens de vrouw wilde de man geen taxatie uitvoeren. Uiteindelijk hebben partijen, naar het oordeel van de rechtbank om verdere onzekerheid te voorkomen, in een gesprek bij de mediator het bedrag van € 375.000,- als woningwaarde afgesproken.
4.7.
Voor wat betreft de waardering van de onderneming staat vast dat partijen tijdens de mediation hebben besproken dat het uitgangspunt zou zijn dat ieder der partijen hun eigen eenmanszaak zou behouden. Waardes van de ondernemingen zouden in onderling overleg bepaald worden en op basis daarvan zou een financiële afrekening plaatsvinden. Vaststaat dat partijen bij de waardebepaling van de onderneming van de vrouw zijn uitgegaan van een recente aankoop van rechten van een webshop van € 10.000,-. Voor wat betreft de waardebepaling van de onderneming van de man, is er contact geweest met de boekhouder die een schatting heeft gemaakt van de waarde op basis van de jaarcijfers tot en met juni 2023. Daarmee is door partijen rekening gehouden bij de waardebepaling van die onderneming. Hiermee staat vast dat er bewust geen waardebepaling van de ondernemingen naar de waarde in het economisch verkeer heeft plaatsgevonden, maar dat de waardes van de ondernemingen in onderling overleg zijn vastgesteld, naar het oordeel van de rechtbank ook in dit verband om verdere onzekerheid te voorkomen.
4.8.
Ook de tekst van het convenant sluit aan bij de kennelijke bedoeling van partijen om in onderling overleg tot een minnelijke regeling te komen die moet worden beschouwd als een vaststellingsovereenkomst. In de tekst van artikel 3.9.5. van het convenant is immers opgenomen dat partijen in onderling overleg tot een waarde voor de woning zijn gekomen, waarbij het zo kan zijn dat de fiscus vindt dat er van een andere waarde uitgegaan moet worden. Gelijkluidende bepalingen zijn opgenomen voor wat betreft de waardering van de ondernemingen van partijen (artikelen 3.13.3., 3.13.4, 3.14.3. en 3.14.4.). Daarbij is door de man niet weersproken aangevoerd dat er ook een finale kwijtingsbepaling is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst, waaruit blijkt dat het de bedoeling was dat partijen met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst het doel hadden iedere onzekerheid of geschil te voorkomen.
4.9.
Door de vrouw is nog gesteld dat zij bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft gedwaald door een uitlating van de man, hetgeen door de man is weersproken en door de vrouw niet nader is onderbouwd. Voor zover de vrouw daarmee doelt op haar stelling dat de man wel op de hoogte was van de waarde van de woning en zij niet, geldt dat zij deze stelling gezien de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende heeft onderbouwd. Overigens is door de vrouw ook niet toegelicht wat het rechtsgevolg hiervan zou moeten zijn, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat.
Benadeling van de vrouw met een vierde en bewuste aanvaarding daarvan
4.10.
Nu het echtscheidingsconvenant kwalificeert als een vaststellingsovereenkomst, dient vervolgens in dat licht beoordeeld te worden of (partiële) vernietiging van de overeenkomst mogelijk is.
4.11.
Op grond van artikel 3:196 lid 1 BW Pro is een verdeling vernietigbaar, wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer tot de verdeling behorende goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld.
Goederen en schulden die onverdeeld zijn gelaten worden niet meegerekend. Verder geldt voor de berekening van de vereiste benadeling dat er gekeken moet worden naar wat de benadeelde deelgenoot per saldo (goederen minus schulden) uit de gemeenschap behoorde te ontvangen in vergelijking met wat deze deelgenoot bij de feitelijke verdeling daadwerkelijk heeft ontvangen. Een verdeling is in beginsel niet op grond van dwaling vernietigbaar, indien de benadeelde de toedeling te zijnen bate of schade heeft aanvaard. [1]
4.12.
Nu het echtscheidingsconvenant kwalificeert als een vaststellingsovereenkomst, dient vervolgens in dat licht beoordeeld te worden of (partiële) vernietiging van de overeenkomst mogelijk is. Slechts onder bepaalde omstandigheden kan een vaststellingsovereenkomst worden vernietigd wegens dwaling. Het moet dan gaan om dwaling ten aanzien van andere feiten en omstandigheden dan die ten aanzien van hetgeen waarover juist werd getwist of waarover onzekerheid bestond. [2]
4.13.
De rechtbank stelt vast dat de vrouw voor meer dan een kwart is benadeeld nu tussen partijen vaststaat dat de woningwaarde van de woning aan de [adres] per peildatum € 564.000,- bedroeg en niet de waarde waar partijen vanuit zijn gegaan, namelijk € 375.000,-. Daarvan uitgaande betreft het aandeel van de vrouw bij de verdeling als gevolg van de hogere woningwaarde niet € 99.938,- maar € 194.155,-.
4.14.
De rechtbank beslist echter dat de vrouw geen beroep op vernietiging toekomt, nu partijen juist over de woningwaarde in onderling overleg een afspraak hebben gemaakt ter voorkoming van onzekerheid daarover en dus een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten hetgeen reeds volgt uit r.o. 4.4. Daarmee hebben partijen bewust het risico aanvaard dat de tussen hen overeengekomen waarde van de woning hoger of lager zou blijken te zijn dan de werkelijke waarde. Door de vrouw zijn geen feiten gesteld waaruit volgt dat partijen van een misvatting zijn uitgegaan bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst.
4.15.
Bovendien is door de man een geslaagd beroep op artikel 3:196 lid 4 BW Pro gedaan. In dat verband is door de man gesteld dat de vrouw ten tijde van het sluiten van het convenant kennis had kunnen hebben van de juiste waarde van de woning. Zoals volgt uit r.o. 4.6. is er op meerdere momenten overleg geweest over de waarde van de woning. Door de vrouw is niet weersproken dat zij wist dat de waarde die partijen overeenkwamen niet de marktwaarde van de woning was. Dat zij niet wist wat wel de waarde van de woning was, doet hier niets aan af. Door de man is bovendien duidelijk toegelicht waarom partijen andere uitgangspunten hebben gekozen om in onderling overleg tot een waardebepaling te komen en niet van de waarde van de woning in het economisch verkeer wilden uitgaan. Daarmee staat vast dat de vrouw er van op de hoogte was dat zij mogelijk benadeeld zou worden.
4.16.
De vrouw heeft er vervolgens niet voor gekozen om onderzoek te doen naar de waarde van de woning in het economisch verkeer, terwijl zij, anders dan zij stelt, gelet op de omstandigheden wel op de hoogte was of moet zijn geweest van verschillende uitgangspunten die van belang konden zijn bij de waardebepaling van de woning. Zij heeft immers benoemd dat de man geen taxatie van de woning wilde laten uitvoeren en daaruit blijkt dat ze op de hoogte was van de mogelijkheid om een taxatie van de woning te laten uitvoeren. Dat de man dit niet wilde staat de vrouw er niet aan in de weg om zelf een taxatie uit te laten voeren. Ook is door de man onweersproken benoemd dat de mediator heeft verteld dat de WOZ- waarde als ondergrens kon dienen voor de waardering. De vrouw heeft in reactie hierop enkel gezegd dat zij zich niet kan herinneren dat dit besproken is en dat het inderdaad mogelijk was geweest om de WOZ waarde te raadplegen, maar dat zij dit niet heeft gedaan omdat zij teveel bezig was met de verhuizing die op dat moment plaatsvond. Hoewel de echtscheiding ongetwijfeld veel impact heeft gehad op de vrouw en de kinderen, ontslaat dit de vrouw niet van haar eigen verantwoordelijkheid bij de financiële afwikkeling van de echtscheiding. Dat de vrouw bewust haar benadeling heeft aanvaard blijkt bovendien uit een Whatsapp bericht dat de vrouw aan de man heeft gezonden, waarin vermeld staat: ‘
Ik heb er echt op vertrouwd dat ik van jou eerste keus zou krijgen in de inboedel. Omdat ik de financiën in jouw voordeel heb gedaan (…).’ Dat de vrouw, zoals zij aanvoert, ten tijde van het opstellen van het convenant niet bewust haar benadeling heeft aanvaard omdat zij niet wist wat de marktwaarde van de woning was, komt dan ook voor haar rekening en risico nu zij vanwege het afspreken van een waarde in onderling overleg wel wist dat zij mogelijk werd benadeeld, ook wist van de mogelijkheden om na te gaan wat de woningwaarde was maar er niet voor koos om na te gaan in hoeverre zij mogelijk werd benadeeld.
4.17.
Voor zover de vrouw stelt dat zij haar benadeling niet bewust heeft aanvaard omdat ze niet voldoende rechtsbijstand heeft kunnen ontvangen tijdens het mediationtraject geldt dat dit door de man gemotiveerd is betwist en door de vrouw vervolgens onvoldoende is weersproken. Door de man is onweersproken aangevoerd dat partijen al enige tijd uit elkaar waren voordat het mediationtraject werd gestart, dat het initiatief voor het vinden van een mediator aan de vrouw is overgelaten, dat er vier mediationgesprekken hebben plaatsgevonden en dat de mediator bij het ondertekenen van de overeenkomst het document met partijen heeft besproken. Daardoor staat vast dat de vrouw voldoende gelegenheid en tijd heeft gehad om bij onduidelijkheid vragen te stellen aan de mediator en eventueel externe juridische bijstand in te schakelen. Dat de vrouw dit niet heeft gedaan, dient voor haar rekening en risico te komen, maar lag wel op haar weg temeer nu zij stelt (maar niet onderbouwt) dat de man manipulatief is, dat zij zich niet gelijkwaardig voelde aan de man en zij tijdens het huwelijk heeft geconstateerd dat de man bij de uitoefening van zijn onderneming ‘sjoemelde.’
4.18.
Voor zover de vrouw meent dat zij, afgezien van de waardebepaling van de woning, nog steeds voor een kwart is benadeeld, geldt dat zij deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Indien de vrouw doelt op een benadeling omdat de waarde van de onderneming van de man te laag is vastgesteld, geldt dat ten aanzien van de waarde in het economisch verkeer de vrouw weliswaar een bericht van [bedrijf 2] heeft ingebracht waaruit volgt dat de intrinsieke waarde van de onderneming van de man per 31 december 2023 € 165.094,- bedraagt terwijl partijen zijn uitgegaan van een waarde van € 65.565,- maar door de man is terecht aangevoerd dat het moet gaan om een waardering per peildatum (25 augustus 2023). Daarnaast heeft de man onweersproken toegelicht dat de tweede helft van het jaar 2023 financieel gunstiger was dan de eerste helft, zodat het goed mogelijk is dat de waarde aan het einde van het jaar hoger was. Daardoor is onduidelijk wat de waarde in het economisch verkeer is van de onderneming van de man per peildatum en kan dus niet vastgesteld worden of de vrouw is benadeeld en zo ja, in hoeverre zij is benadeeld.
De vrouw stelt nog dat bij de waardebepaling van de onderneming van de man ten onrechte geen rekening is gehouden met de loods maar ter zitting is besproken dat partijen tijdens mediation hebben besloten om geen waarde aan de loods te koppelen omdat de loods voor 100 %, althans 90% gefinancierd was. Dit blijkt overigens ook uit het emailbericht van de vrouw aan de mediator van 9 juni 2023 waarin zij zelf meldt dat de loods geen overwaarde heeft en dus niet verrekend hoeft te worden. Dat de notaris besloten heeft de verdelingsakte niet te passeren (mede) vanwege het ontbreken van een afzonderlijke waardering van de loods, maakt dit niet anders en levert gezien de door partijen op dit punt gesloten vaststellingovereenkomst geen grond voor vernietiging op.
4.19.
Uit het voorgaande volgt dat de vrouw haar benadeling te harer bate of schade heeft aanvaard, waardoor de vordering tot vernietiging van het convenant op de grond dat de vrouw heeft gedwaald over de waardes van de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap om die reden niet kan slagen. De rechtbank zal deze vordering en de gevorderde verklaring voor recht dan ook afwijzen.
4.20.
Nu de rechtbank oordeelt dat er geen grond voor vernietiging van de verdeling is, zal zij de subsidiaire vordering van de vrouw tot wijziging van de verdeling ex
artikel 3:198 BW Pro afwijzen. Ook de vordering om tot hertaxatie van de bestanddelen van de verdeling over te gaan en een bedrag tot nadeelcompensatie vast te stellen zal de rechtbank afwijzen. Het gevolg daarvan is dat de verdeling in stand blijft.
De bepaling over de pensioenverevening blijft in stand
4.21.
Door de vrouw is gesteld dat de tussen partijen overeengekomen regeling van pensioenverevening ‘gegeven de omstandigheden’ naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zij heeft echter nagelaten voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit deze conclusie kan worden getrokken. In dit verband is door de vrouw enkel gesteld dat de mediator aan de vrouw zou hebben verteld ‘dat zij ergens recht op zou hebben, maar dat zij dan meer pensioen dan de man zou ontvangen en dat dat raar zou zijn.’ Hoe deze vermeende uitlating van de mediator ertoe heeft geleid dat de vrouw besloot om in te stemmen met de regeling van pensioenverevening zoals is opgenomen in het convenant is, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet te volgen. Bovendien constateert de rechtbank dat er geen sprake is van een uitsluiting van de pensioenverevening, maar dat er afwijkende percentages voor pensioenverevening zijn overeengekomen tussen partijen. Reden waarom de rechtbank niet komt tot het oordeel dat de bepaling over uitsluiting van de pensioenverevening op grond van artikel 6:248 BW Pro buiten toepassing blijft. Zij zal de vordering hiertoe dan ook afwijzen.
Proceskosten
4.22.
Partijen hebben over en weer verzocht om een proceskostenvergoeding maar gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van de vrouw af;
5.2.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Hermsen en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 3:196 lid 4 BW Pro
2.HR 15 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC4400