In deze civiele procedure staat centraal of Torque als derde-beslagene haar verklaring over het loon van [naam] voldoende heeft onderbouwd en welk bedrag zij maandelijks aan eiseres moet betalen op grond van artikel 479a Rv.
Torque heeft stukken overgelegd zoals loonaangifte december 2024, de jaarrekening 2024 en de IB-aangifte van [naam] over 2024, waarmee zij haar verklaring voldoende heeft gestaafd. De rechtbank wijst de primaire vordering van eiseres af dat Torque het volledige gevorderde bedrag moet betalen wegens onvoldoende onderbouwing.
Subsidiair betwist eiseres de juistheid van de verklaring en vordert zij vaststelling van een hogere redelijke vergoeding. De rechtbank stelt vast dat het loon van [naam] in 2024 is verlaagd naar het minimale DGA-loon, maar dat deze verlaging niet voldoende is gemotiveerd en dat het loon feitelijk te laag is vastgesteld. De rechtbank volgt eiseres in haar standpunt dat op grond van artikel 479a Rv een fictief hoger loon moet worden vastgesteld, mede gelet op de ongewijzigde werkzaamheden en financiële situatie.
Partijen verschillen over de hoogte van het loon in 2023 en de periode waarover het fictieve loon moet worden betaald. De rechtbank geeft partijen de gelegenheid zich hierover nader uit te laten en verwijst de zaak naar de rol voor verdere behandeling.
De rechtbank besluit de zaak op 1 april 2026 te agenderen voor nadere stukken en een antwoordakte, waarna het debat over de vergoeding kan worden afgerond.