ECLI:NL:RBOVE:2026:146

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
84.050571.22 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Partiële nietigheid dagvaarding en vrijspraak faillissementsfraude en witwassen, veroordeling voor niet voldoen aan administratieplicht

In deze zaak heeft de Rechtbank Overijssel op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die als (feitelijk) bestuurder van twee rechtspersonen, [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V., werd beschuldigd van faillissementsfraude, witwassen en het niet voldoen aan de administratieplicht. De rechtbank heeft geoordeeld dat de dagvaarding ten aanzien van het ten laste gelegde valsheid in geschrift (feit 3) nietig is, omdat niet duidelijk was wat vals of vervalst was aan de stukken. De verdachte is vrijgesproken van de beschuldigingen van faillissementsfraude en witwassen, maar is wel veroordeeld voor het niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte opzettelijk niet terstond de administratie aan de curator heeft verstrekt, wat de afhandeling van het faillissement heeft bemoeilijkt. De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een taakstraf van 180 uur, met een ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder voor de duur van drie jaren. De rechtbank heeft ook de vorderingen van benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard, omdat de dagvaarding ten aanzien van feit 3 nietig was en de verdachte voor feit 4 werd vrijgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.050571.22 (P)
Datum vonnis: 15 januari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats],
wonende aan [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 december 2025 en 15 januari 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.A.M. Verweij, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de (opvolgend) curator van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. door mr. J.C. van Galen is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:in de periode van 17 maart 2019 tot en met 2 januari 2024 als bestuurder van
[bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V., welke rechtspersonen in staat van faillissement zijn verklaard, opzettelijk niet terstond de gevoerde en bewaarde administratie aan de curator heeft verstrekt en/of niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van de administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende stukken;
feit 2:in de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 september 2020 als bestuurder
van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. diverse geldbedragen aan de boedel heeft onttrokken en/of buitensporig middelen heeft verbruikt en/of uitgegeven, terwijl hij wist dat hierdoor schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;
feit 3:in de periode van 12 mei 2019 tot en met 17 juni 2020 tezamen met een ander
opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse/vervalste geschriften (waaronder arbeidsovereenkomsten, een werkgeversverklaring en facturen) door die geschriften ter beschikking te stellen aan de ABN AMRO Bank B.V.;
feit 4: in de periode van 28 februari 2019 tot en met 4 augustus 2020 tezamen met een
ander diverse geldbedragen heeft witgewassen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 maart 2019 tot en
met 2 januari 2024 te [plaats 1], [plaats 2], [plaats 3], [plaats 4], althans in
Nederland,
als (feitelijk) bestuurder van een of meerdere rechtspersonen, te weten:
- [bedrijf 1] B.V., welke rechtspersoon op 17 maart 2020 door de rechtbank
Noord-Nederland in staat van faillissement was verklaard, en/of
- [bedrijf 2] B.V., welke rechtspersoon op 1 september 2020 door
de rechtbank Noord-Nederland in staat van faillissement was verklaard,
voor of tijdens het faillissement van die rechtspersonen,
desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende
wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen
gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden
en/of andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de
hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de
curator heeft verstrekt,
en/of
opzettelijk niet heeft voldaan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de
wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren
van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten
gevolge waarvan de afhankelijk werd bemoeilijkt,
immers heeft hij, verdachte, niet de (gehele) administratie waaronder (DOC-027):
a. grootboekkaarten 2017, 2018 2019 en 2020 van [bedrijf 1] B.V. (tot datum
faillissement) en/of
b. memoriaalboekingen 2017, 2018 en 2019 van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2]
[bedrijf 2] B.V. en/of
c. verzamelloonstaten 2017, 2018 en 2019 van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2]
[bedrijf 2] B.V. en/of
d. bankafschriften van [bedrijf 1] B.V. voor de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020
(tot datum faillissement) en/of
e. loonstroken van [naam 1] en/of
f. arbeids-, of managementovereenkomsten met de aandeelhouder(s) en/of
g. rekening-courantoverzichten met aandeelhouder(s) en/of
h. stukken die betrekking hebben op de lening aan [bedrijf 1] B.V. en
[bedrijf 2] B.V. en/of
i. activa overeenkomst [naam 2],
gevoerd en/of doen voeren en/of bewaard en/of doen bewaren en/of aan de curator
van [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2] B.V. verstrekt;
art. 344a lid 2 onder 1° Wetboek van Strafrecht
art. 344a lid 2 onder 2° Wetboek van Strafrecht
( art 344a lid 2 ahf/ond 1° Wetboek van Strafrecht, art 344a lid 2 ahf/ond 2° Wetboek
van Strafrecht )
2
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en
met 1 september 2020 te [plaats 1], [plaats 2], [plaats 3], [plaats 4], althans
in Nederland,
als (feitelijk) bestuurder van een of meerdere rechtspersonen, te weten:
- [bedrijf 1] B.V., welke rechtspersoon op 17 maart 2020 door de rechtbank
Noord-Nederland in staat van faillissement was verklaard, en/of
- [bedrijf 2] B.V., welke rechtspersoon op 1 september 2020 door
de rechtbank Noord-Nederland in staat van faillissement was verklaard,
voor het faillissement,
A. ten aanzien van [bedrijf 1] B.V.
((een) geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer)):
- € 146.094,00 overgeboekt naar [bedrijf 3] B.V.(DOC-030) en/of
- € 63.881,00 overgeboekt naar [medeverdachte] (DOC-032) en/of
-€ 396.972,00 overgeboekt naar [bedrijf 4] B.V. (DOC-030),
B. ten aanzien van [bedrijf 2] B.V.
((een) geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer)):
- € 85.793,00 over naar [medeverdachte] (DOC-031) en/of
- € 537.823,00 over naar [bedrijf 4] B.V. (DOC-031),
althans enig geldbedrag en/of goed aan de boedel heeft onttrokken en/of
(telkens) buitensporig middelen van de rechtspersoon heeft verbruikt, uitgegeven of
vervreemd, dan wel hieraan heeft meegewerkt of daarvoor zijn toestemming
gegeven,
terwijl hij, verdachte, wist dat hierdoor een of meer schuldeisers van voornoemde
rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;
art. 343, onder 1° en/of onder 2° Wetboek van Strafrecht
( art 343 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 343 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)
3
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 mei 2019 tot en
met 17 juni 2020 te [plaats 1], [plaats 2], [plaats 3], [plaats 4], in elk geval
in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen,
opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valse en/of vervalste geschrift(en)
dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten de/het
navolgende document(en) (ZD-003-01):
- een arbeidsovereenkomst van [bedrijf 1] B.V. d.d. 20 december 2018 ten
name van [medeverdachte] (DOC-056), en/of
- een arbeidsovereenkomst van [bedrijf 2] B.V. d.d. 13 maart 2020
ten name van [medeverdachte] (DOC-060), en/of
- een werkgeversverklaring van [bedrijf 2] B.V. d.d. 27 februari
2019 ten name van [medeverdachte] (DOC-059), en/of
- een factuur van [bedrijf 5] d.d. 1 juni 2019 ten name van [medeverdachte]
[medeverdachte] met factuurnummer [nummer 1] (DOC-011), en/of
- een factuur van [bedrijf 5] d.d. 16 oktober 2019 ten name van
[medeverdachte] met factuurnummer [nummer 2] (DOC-012), en/of
- een factuur van [bedrijf 5] d.d. 29 juli 2019 ten name van [medeverdachte]
[medeverdachte] met factuurnummer [nummer 3] (DOC-014), en/of
- een factuur van [bedrijf 5] d.d. 11 augustus 2019 ten name van
[medeverdachte] met factuurnummer [nummer 4] (DOC-015),
als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst,
dan wel vorenbedoelde geschrift(en) opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden
heeft gehad, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift
bestemd is voor zodanig gebruik,
bestaande het gebruik maken hierin dat hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte
dat/die (ver)vals(t)e geschrift(en) ter beschikking heeft/hebben gesteld en/of
heeft/hebben laten stellen aan ABN AMRO Bank N.V.;
art. 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht
art. 47 Wetboek van Strafrecht
( art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
4
hij in of omstreeks de periode van 28 februari 2019 tot en met 4 augustus 2020 te
[plaats 1], [plaats 2], [plaats 3], [plaats 4], althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen,
hierin bestaande dat hij, verdachte,
(sub b)
een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, althans enig(e) geldbedrag(en), te
weten
A. een geldbedrag van in totaal 56.480,70 euro (DOC-011, DOC-012, DOC-014 en
DOC-015), en/of
B. een geldbedrag van in totaal 450.000,00 euro (DOC-143 en DOC-013), en/of
C. een geldbedrag van in totaal 64.545,71 euro (DOC-033),
heeft verworven en/of voorhanden heeft (gehad) en/of heeft overgedragen en/of
heeft omgezet en/of van een voorwerp gebruik heeft gemaakt,
A. door dit/deze geldbedrag(en) te (laten) gebruiken voor aankoop en/of de
verbouwing van de woning aan de [adres] te [plaats 4], en/of
B. door dit/deze geldbedrag(en) te (laten) gebruiken voor aankoop en/of de
verbouwing van de woning aan de [adres] te [plaats 4], en/of
C. door dit/deze geldbedrag(en) over te boeken naar aan verdachte en/of zijn
medeverdachte(n) gelieerde bedrijven,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) wist(en) dat dit/deze
geldbedrag(en) –onmiddellijk of middellijk- (deels) afkomstig was/waren uit
enig(e) misdrij(f)(ven);
en/of
hij in of omstreeks de periode van 28 februari 2019 tot en met 4 augustus 2020 te
[plaats 1], [plaats 2], [plaats 3], [plaats 4], althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudig witwassen, hierin bestaande dat hij,
verdachte,
(een) voorwerp (en), te weten een hoeveelheid geld, althans enig(e) geldbedrag(en),
te weten
- een geldbedrag van in totaal 56.480,70 euro (DOC-011, DOC-012, DOC-014 en
DOC-015), en/of
- een geldbedrag van in totaal 450.000,00 euro (DOC-143 en DOC-013), en/of
- een geldbedrag van in totaal 64.545,71 euro (DOC-033),
heeft/hebben verworven en/of voorhanden (hebben) gehad, terwijl verdachte en/of
medeverdachte(n) wist(en) dat dat/deze voorwerp(en) onmiddellijk geheel of
gedeeltelijk afkomstig was/waren uit enig(e) eigen misdrij(f)(ven);
art 420bis lid 1 onder a en/of b Wetboek van Strafrecht en/of art. 420bis.1 Wetboek van
Strafrecht
art. 47 Wetboek van Strafrecht
( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420bis lid 1 ahf/ond b
Wetboek van Strafrecht, art 420bis.1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1
Wetboek van Strafrecht )

3.De voorvragen

3.1
De geldigheid van de dagvaarding
De rechtbank heeft ambtshalve de geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 3 ter zitting aan de orde gesteld, omdat uit de tekst van de tenlastelegging niet blijkt waaruit de vermeende valsheid van de daarin genoemde geschriften zou bestaan. De raadsman heeft daarbij het standpunt ingenomen dat de dagvaarding in zoverre partieel nietig dient te worden verklaard. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding in samenhang met het dossier op dit punt voldoende duidelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van feit 3 nietig is en overweegt daartoe als volgt. Onder feit 3 van de tenlastelegging is niet omschreven waaruit de verweten gedragingen feitelijk bestaan. Een concrete omschrijving is naar het oordeel van de rechtbank wel vereist. Het ten laste gelegde valsheid in geschrift is nu slechts een omschrijving van de kwalificatie van het strafbare feit. Omdat uit de tenlastelegging – ook niet in samenhang met het dossier - niet kan worden opgemaakt wat vals of vervalst is aan de daarin genoemde stukken, voldoet de dagvaarding in zoverre niet aan de vereisten van artikel 261 Sv. De rechtbank verklaart feit 3 van de dagvaarding dan ook nietig.
3.2
De bevoegdheid van de rechtbank, de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging, en redenen voor schorsing vervolging
De rechtbank heeft vastgesteld dat dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. De bewijsmotivering [1]
4.1
Inleiding
Verdachte (hierna ook [verdachte]) en medeverdachte [medeverdachte] zijn met elkaar gehuwd.
[verdachte] was als volgt gelieerd aan de ondernemingen [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V.
Op 15 februari 2016 is [bedrijf 1] B.V. (verder [bedrijf 1]) opgericht, met [bedrijf 6] B.V. als bestuurder. [2] Verdachte is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 6] B.V. [3]
[bedrijf 1] is op 17 maart 2020 failliet verklaard. In het faillissement van [bedrijf 1] werd mr. H.T. Meijer als curator aangesteld. [4]
Op 16 maart 2018 is [bedrijf 2] B.V. (verder [bedrijf 2]) opgericht, met verdachte als enig aandeelhouder en bestuurder. [5] [bedrijf 2] is op 1 september 2020 failliet verklaard. In het faillissement van [bedrijf 2] werd mr. H.T. Meijer als curator aangesteld. [6]
Mr. Meijer is door Mr. Veenema -Bruinsma als curator in beide faillissementen opgevolgd.
[bedrijf 1] en [bedrijf 2] hielden zich bezig met de verkoop en het plaatsen van houten blokhutten en chalets.
Aanleiding onderzoek
De aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is gelegen in de aangifte van faillissementsfraude op 4 mei 2020 door de curator tegen [verdachte] in de faillissementen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en de aangifte van hypotheekfraude op 22 oktober 2021 door de ABN-AMRO Bank tegen [medeverdachte]. Onder de naam Balmullo is door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 4 heeft gepleegd.
4.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte van de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 4 moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet kan worden aangemerkt als bestuurder van [bedrijf 1], omdat met dit begrip enkel de formele of feitelijke bestuurder wordt bedoeld. Verdachte was middellijk bestuurder van [bedrijf 1], dus daarom dient verdachte voor dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.
Voor zover feit 1 betrekking heeft op [bedrijf 2] heeft de verdediging opgemerkt dat de activa overeenkomst met J. van den Berg (benoemd in de dagvaarding onder i) wel is verstrekt en dat verdachte per e-mail van 8 september aan de curator de benodigde gegevens heeft verstrekt om toegang te krijgen tot het boekhoudprogramma Exact Online.
Voor het overige deel van dit feit heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte ook hier niet kan worden aangemerkt als bestuurder van [bedrijf 1] om voornoemde reden.
Verder is aangevoerd dat zowel met betrekking tot [bedrijf 1] als [bedrijf 2] niet kan worden vastgesteld dat sprake is van onttrekkingen zoals bedoeld in art. 343 Wetboek van Strafrecht (hierna Sr). De in de tenlastelegging benoemde geldbedragen hebben een rechtmatige grondslag. Zo bestond er een rekening-courant verhouding met [bedrijf 3] B.V. en aan het uitbetaalde salaris aan [medeverdachte] lag een arbeidsovereenkomst ten grondslag. Van een fictief dienstverband was geen sprake. Overige overboekingen aan [medeverdachte] betroffen terugbetaling van zakelijke kosten. De overboekingen naar [bedrijf 4] B.V. hebben eveneens een rechtmatige grondslag en kunnen dus niet als onttrekkingen worden aangemerkt. [bedrijf 4] B.V. fungeerde als inkoper van de chalets en bracht daarvoor een vergoeding in rekening bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2].
Subsidiair is aangevoerd dat geen sprake is van een causaal verband tussen de overboekingen in 2018 en 2019 en de faillissementen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in maart respectievelijk september 2020. Meer subsidiair is aangevoerd dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet.
Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging aangevoerd dat - gelet op de nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 3 - geen gronddelict voor het witwassen kan worden vastgesteld, zodat vrijspraak voor dit feit dient te volgen.
4.4
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
Administratieplicht
De rechtbank overweegt dat een bestuurder van een rechtspersoon op grond van artikel 2:10
van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht is een administratie te voeren en de daartoe
behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat
te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Uit
jurisprudentie blijkt dat aan de administratieplicht is voldaan indien het mogelijk is om snel
inzicht te krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie. Daarnaast dienen deze posities en
de stand van de liquiditeiten een redelijk inzicht te geven in de vermogenspositie van de
rechtspersoon (vgl. Hoge Raad 13 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:713; Hoge Raad 10 oktober
Bestuurder
Niet in geschil is dat verdachte in de tenlastegelegde periode (formeel/direct) bestuurder was van [bedrijf 2].
Wel in geschil is of verdachte kan worden aangemerkt als (feitelijk) bestuurder van [bedrijf 1]. De verdediging heeft aangevoerd dat met het begrip bestuurder, zoals bedoeld in artikel 344a Sr, enkel wordt bedoeld de formele en feitelijke bestuurder en aldus niet de middellijk bestuurder. Deze rechtsopvatting van de verdediging is onjuist. In artikel 348a Sr is bepaald dat onder bestuurder van een rechtspersoon voor de toepassing van de bepalingen in de titel XXVI ‘Benadeling van schuldeisers of rechthebbenden’ mede moet worden begrepen degene die feitelijk optreedt als bestuurder van een rechtspersoon. Het komt bij de beoordeling of hiervan sprake is dus aan op de maatschappelijke realiteit. Voor het antwoord op de vraag of een persoon kan worden aangemerkt als feitelijk bestuurder is onder meer bepalend of de betrokkene het beleid van de rechtspersoon heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder van de rechtspersoon. Het gaat hier dus in beginsel om het optreden in algemene zin, al kan ook een enkele handeling al beleidsbepalend zijn indien en voor zover die handeling is gericht op een essentieel en ingrijpend punt van de bedrijfsvoering.
De rechtbank overweegt als volgt. De curator heeft verklaard dat verdachte de feitelijk bestuurder was van [bedrijf 1] (en [bedrijf 2]), hetgeen volgens de curator werd bevestigd door werknemers en andere partijen zoals de bank en crediteuren. Alle contacten verliepen met verdachte en volgens de curator was er nooit discussie of hij de feitelijk bestuurder was. [7]
Verschillende personeelsleden hebben tegenover de FIOD bevestigd dat zij werden aangestuurd door verdachte. Getuige [getuige 1] (in loondienst bij [bedrijf 1] en daarna [bedrijf 2]) heeft verklaard dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] één pot nat waren met verdachte als enige baas. [8]
Getuige [getuige 2] (in loondienst bij [bedrijf 1]) verklaarde eveneens dat verdachte zijn leidinggevende was en dat hij door hem werd aangestuurd. [9]
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich bezig hield met de algehele bedrijfsvoering en als enige toegang had tot de bankrekening van [bedrijf 1] (en [bedrijf 2]) en zodoende ook als enige betalingen verrichtte. Verdachte heeft ter zitting verklaard als eigenaar bewust hiervoor te hebben gekozen en deze situatie in stand heeft gelaten ondanks de omstandigheid dat hij naar eigen zeggen een sloddervos was wat betreft de boekhouding en het feit dat hij door de nasleep van zijn ziekte niet altijd beschikbaar was. [10] Er was dus geen ander die deze werkzaamheden (mede) heeft verricht.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte in de tenlastegelegde periode naast middellijk bestuurder ook feitelijk bestuurder was van [bedrijf 1].
Bevindingen curator
De curator van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] (destijds mr. H.T. Meijer) heeft aangifte gedaan van faillissementsfraude. De curator heeft in haar aangifte onder meer verklaard dat zij verdachte meermalen, zowel telefonisch als per e-mail, heeft verzocht de administratie van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan te leveren. Zij heeft (pas) op 22 september 2020 van verdachte drie dozen met administratie ontvangen en op 18 februari 2021 nog een kratje met papieren. Het betrof een ongeorganiseerd geheel van in totaal drie mappen en enkele enveloppen. In de mappen bevonden zich (ongeordende) inkoopfacturen, diverse stukken van de Belastingdienst en kassabonnen. De stukken van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] waren niet gescheiden. [11]
Verdachte maakte gebruik van een online boekhoudprogramma genaamd Exact Online. De curator heeft tegenover de FIOD verklaard dat zij van verdachte geen toegang heeft gekregen tot dit boekhoudprogramma. De curator heeft uiteindelijk via een tijdelijk account (voor curatoren) toegang weten te verkrijgen tot de online boekhouding, waarbij wederom werd geconstateerd dat de administraties van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] door elkaar heen liepen. [12]
Uit de aangifte van de curator en de contactjournalen kan worden afgeleid dat in de tenlastelegging benoemde stukken - zijnde grootboekkaarten 2017, 2018 2019 en 2020 van [bedrijf 1] B.V. (tot datum faillissement), memoriaalboekingen 2017, 2018 en 2019 van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V., verzamelloonstaten 2017, 2018 en 2019 van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V., bankafschriften van [bedrijf 1] B.V. voor de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020
(tot datum faillissement), loonstroken van [naam 1], arbeids-, of managementovereenkomsten met de aandeelhouder(s), rekening-courantoverzichten met aandeelhouder(s), stukken die betrekking hebben op de lening aan [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. en activa overeenkomst [naam 2] –
niet aan haar zijn verstrekt. [13] Er zijn geen stukken of berichten die erop wijzen dat deze stukken wel zouden zijn verstrekt. Verdachte heeft niet concreet kunnen aangeven waaruit zou blijken welke stukken aan de curator verstrekt zijn.
Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging inhoudende dat [verdachte] wél de activa overeenkomst (zoals benoemd onder i. in de dagvaarding) aan de curator heeft verstrekt en wél toegang heeft verstrekt tot Exact Online. De verdediging heeft haar standpunt op geen enkele wijze onderbouwd en er is geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de curator.
Bevindingen FIOD
De FIOD heeft de aan de curator aangeleverde administratie onderzocht en heeft daarbij geconstateerd dat nagenoeg geen inkoopfacturen aanwezig waren en dat - gelet op nummering van (verschillende) nummerreeksen - veel orderbevestigingen ontbraken over de jaren 2018, 2019, 2020. Daarnaast werd geconstateerd dat de omzetten over de jaren 2018, 2019 en 2020 - zoals afgeleid van de grootboekrekeningen - niet overeen kwamen met de aangeleverde orderbevestigingen. [14] Verder heeft de FIOD tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand aan de Pioneersweg 21 in Emmen een desktop computer in beslag genomen. De FIOD trof op deze computer Excel bestanden aan met overzichten van klanten, orders en (aan)betalingen. Deze overzichten/lijsten vormden een belangrijk onderdeel van de bedrijfsvoering, maar bleken niet aan de curator te zijn verstrekt. [15] Ook constateerde de FIOD dat contante omzet niet werd verwerkt in kasadministratie. [16]
Bevindingen Belastingdienst
De Belastingdienst heeft getracht een boekenonderzoek te verrichten nadat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in staat van faillissement waren verklaard. Getuige [getuige 3], controlemedewerker van de Belastingdienst, heeft tegenover de FIOD onder meer verklaard
dat hij met de aanwezige administratie niet uit de voeten kon omdat elke structuur ontbrak. Onduidelijk was welk document bij welke onderneming hoorde. Hij heeft van de curator inzage verkregen in de administratie, maar het was onmogelijk op grond hiervan een boekenonderzoek te doen omdat geen boekingsnummers op de stukken stonden en geen kasadministratie aanwezig was. Volgens [getuige 3] was het een grote bende. Zo trof hij offertes aan van beide vennootschappen op hetzelfde briefpapier en onduidelijk was op welke wijze tankbonnen waren betaald. De fysieke administratie van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] vond hij volstrekt onvoldoende en incompleet. Voor zijn gevoel was het ‘uit de kast getrokken en in een doos gedonderd.’ [17]
Verklaring verdachte ter zitting
[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat het voeren van de administratie niet zijn sterkste punt is en hij typeerde zichzelf als sloddervos. [verdachte] verklaarde daarom personeel en externe boekhouders te hebben ingeschakeld om de administratie te voeren. [18]
Verklaringen boekhouders en personeel
De FIOD heeft de personen die door verdachte bij de boekhouding zijn betrokken als getuigen gehoord.
Zo heeft [getuige 4] (werkzaam bij [bedrijf 7]) onder meer verklaard dat zijn kantoor in de loop van 2018 en 2019 ‘zo goed en kwaad als het ging’ de jaarrekeningen opmaakte voor [bedrijf 1] en [bedrijf 2] alsmede administratieve ondersteuning bood door een zzp’er in te huren voor het inboeken. [bedrijf 7] had enkel een samenstelopdracht gekregen en geen controleopdracht. [getuige 4] was afhankelijk van de door [verdachte] aangeleverde informatie en dat was lastig want ‘het was een chaos, alles werd door elkaar heen geboekt. Je heb geen controle over iemand zijn houding’. Met name de goederenstroom was niet inzichtelijk, het Excel bestand was leidend. [19]
Getuige [getuige 5] (werkzaam als zzp’er en ingehuurd door [bedrijf 7]) kreeg de opdracht om het reeds geboekte op te schonen. Zij heeft onder meer verklaard dat verdachte een echte sloddervos was en dat het moeilijk was om gegevens van hem te krijgen. Verdachte reageerde vaak niet op haar berichten. Ze kreeg via [getuige 4] kratten met administratie waar ook ongeopende post tussen zat zoals een brief met een bankpas. De Excel bestanden heeft ze weleens gezien maar daardoor raakte ze nog meer in de knoop. Zo klopten de (aan)betalingen nooit met het orderbedrag en er werd geen eindfactuur gestuurd aan de klant.
Vanwege de algehele gang van zaken is ze gestopt met haar werkzaamheden: “
[verdachte] was verantwoordelijk voor de aanlevering en volledigheid van de administratie maar hij bleef in gebreke. Ik kreeg niet de informatie waar ik om vroeg. [verdachte] heeft mij bewust gegevens niet verstrekt, denk hierbij aan openstaande posten zoals onder andere de rekening van [bedrijf 7].” [20]
Getuige [getuige 6] heeft twee maanden als werknemer bij [bedrijf 2] gewerkt. Zijn taak was het inboeken van facturen in het boekhoudprogramma Exact Online. Hij constateerde dat er nog niet veel aan de administratie was gedaan bij aanvang van zijn dienstverband; er lag een stapel achterstallige administratie die hij moest verwerken en waarmee hij nog niet klaar was toen hij stopte met zijn werkzaamheden bij [bedrijf 2]. [21]
Nadat [bedrijf 7] was gestopt met haar werkzaamheden voor [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is door verdachte [bedrijf 8] ingeschakeld. Getuige [getuige 7], werkzaam voor [bedrijf 8], heeft verklaard dat hij er in eerste instantie van uitging dat verdachte alles keurig aanleverde, maar dit bleek niet zo te zijn. De relatie verliep moeizaam; er kwam van [verdachte] geen reactie wanneer om informatie werd verzocht. Ook [bedrijf 8] is gestopt met haar werkzaamheden voor [bedrijf 1] en [bedrijf 2]. [22]
Opzet
De rechtbank overweegt dat verdachte, als bestuurder van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] de verantwoordelijkheid droeg voor de algemene gang van zaken bij de rechtspersonen en daarmee ook voor het op een zodanige wijze (laten) voeren van een administratie dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon duidelijk zijn. Uit het voorgaande volgt dat verdachte in deze verantwoordelijkheid, en ook in de samenwerking met zijn boekhouders, fors is tekortgeschoten. Verdachte had geen affiniteit met de administratie en gaf hieraan geen prioriteit. Hij was voor de boekhouders niet dan wel moeilijk bereikbaar en hij was laks/nalatig met het aanleveren van juiste en volledige bescheiden. In dit nalaten ligt het opzet van verdachte besloten.
Uit voornoemde feiten en omstandigheden volgt eveneens dat verdachte opzettelijk niet terstond de administratie aan de curator heeft overhandigd.
Ten gevolge waarvan de afhandeling van het faillissement is bemoeilijkt
Door een onvolledige administratie is het voor een curator over het algemeen onmogelijk om correct vast te kunnen stellen welke (eventuele) baten er zijn en onder wie die moeten worden verdeeld. Ook het kunnen onderkennen van eventuele onregelmatigheden in het zicht van het faillissement om daarna via acties als de Pauliana of onrechtmatige daad de daardoor veroorzaakte schade op te heffen of te verminderen, wordt door dergelijke handelen ernstig bemoeilijkt dan wel gefrustreerd. De curator heeft verklaard dat zij door de gebrekkige administratie en ontbrekende administratie is bemoeilijkt in de afhandeling van het faillissement. [23]
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de tenlastegelegde periode als bestuurder van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] niet heeft voldaan aan de
administratieplicht en het terstond verstrekken van administratie aan de curator.
Feit 2
Voor een bewezenverklaring van artikel 343 Sr is vereist dat vast komt te staan dat de
verdachte als (feitelijk) bestuurder opzet heeft gehad op de benadeling van de schuldeisers.
In dat verband is voorwaardelijk opzet voldoende. Aangenomen wordt dat dit impliceert dat
ten tijde van de tenlastegelegde handelingen een aanmerkelijke kans op een faillissement
moet hebben bestaan, waarbij een aanmerkelijke kans in dit verband een redelijke mate van
waarschijnlijkheid is, of dat als gevolg van die handelingen een redelijke mate van
waarschijnlijkheid van een faillissement is ontstaan. Het (voorwaardelijk) opzet op het
faillissement zelf is geen zelfstandig vereiste. Met andere woorden, ten tijde van de
tenlastegelegde handelingen moet het faillissement voor verdachte voorzienbaar zijn
geweest.
[bedrijf 1] is 17 maart 2020 failliet verklaard en [bedrijf 2] is op 15 september 2020 failliet verklaard. Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan de rechtbank niet vaststellen dat het faillissement van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] op een duidelijk aanwijsbaar moment binnen de tenlastegelegde periode (1 januari 2018 tot en met 1 september 2020) voorzienbaar was. De FIOD heeft hierover zeer summier geverbaliseerd in haar zaaksdossier. [24] De hierin aangehaalde getuigenverklaringen van personeel en externe boekhouders kunnen niet in een specifiek tijdsbestek worden geplaatst en/of nopen niet tot de conclusie dat een aanmerkelijke kans op een faillissement moet hebben bestaan.
De officier van justitie heeft ter zitting enige indicaties voor de voorzienbaarheid van het faillissement aangevoerd (zogeheten
red flags), maar een concreet aanknopingspunt ontbreekt. Deze
red flagsbrengen naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat helder kan worden vastgesteld vanaf welk moment een faillissement van een van de bedrijven voorzienbaar was.
De girale geldstromen die hebben plaatsgevonden in de tenlastegelegde periode naar en van [bedrijf 1], [bedrijf 2], [bedrijf 3] B.V., [medeverdachte] en [bedrijf 4] B.V. zijn (groten)deels verklaarbaar door de onderlinge verhoudingen en niet is vastgesteld dat deze geldstromen/vermeende onttrekkingen binnen de tenlastegelegde periode hebben geleid tot het faillissement. In de ten laste gelegde periode waren ook problemen met de buitenlandse leverancier Varola, maar ook hiervan kan niet worden vastgesteld dat dit op enig moment heeft geleid tot grote aantoonbare liquiditeitsproblemen. De verdediging heeft opgemerkt dat de aanmerkelijke kans op een faillissement voor [bedrijf 1] mogelijk begin 2020 voorzienbaar was, en voor [bedrijf 2] enige maanden na de uitbraak van COVID-19 in datzelfde jaar, maar het dossier biedt ook onvoldoende grondslag om dat tijdsbestek als uitgangspunt te kunnen nemen.
Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat het faillissement van zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 2] voorzienbaar was. Reeds om die reden zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.
Feit 4
Volgens de officier van justitie kan worden vastgesteld dat verdachte tezamen met [medeverdachte] door middel van het gebruikmaken van een valse arbeidsovereenkomst en een valse werkgeversverklaring een hypothecaire lening ter hoogte van € 450.000 (inclusief een bouwdepot) bij de ABN AMRO Bank N.V. heeft verkregen. De verworven hypotheeksom en het bouwdepot (benoemd onder A en B van de dagvaarding) zijn vervolgens aangewend voor de aankoop en verbouwing van de woning aan de [adres] te [plaats 4]. De gelden zoals benoemd onder C van de dagvaarding zien op uitbetaling van salaris aan [medeverdachte] op grond van valse/fictieve arbeidsovereenkomsten van [bedrijf 1] en [bedrijf 2]. Zodoende is volgens de officier van justitie sprake van witwassen van gelden, die onmiddellijk afkomstig zijn uit door verdachte en [medeverdachte] zelf begane misdrijven (te weten valsheid in geschrift zoals benoemd onder feit 3 van de dagvaarding).
De rechtbank overweegt als volgt. Ter beantwoording van de vraag of de verdachte het tenlastegelegde witwassen heeft begaan dient onder meer vastgesteld te worden dat de betreffende geldbedragen uit misdrijf afkomstig, dan wel door misdrijf verkregen zijn. Gelet op de partiële nietigheid van feit 3 van de dagvaarding, kan de rechtbank niet vaststellen dat de gelden afkomstig zijn uit het (eigen) gronddelict valsheid in geschrift. Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting is evenmin gebleken van enig ander misdrijf waaruit de gelden afkomstig zijn. In dit licht bezien kan feit 4 dus niet tot een bewezenverklaring leiden. De rechtbank zal daarom verdachte vrijspreken van witwassen, zoals onder feit 4 is ten laste gelegd.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit 1 heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 17 maart 2019 tot en met 2 januari 2024 in Nederland,
als (feitelijk) bestuurder van meerdere rechtspersonen, te weten:
- [bedrijf 1] B.V., welke rechtspersoon op 17 maart 2020 door de rechtbank
Noord-Nederland in staat van faillissement was verklaard, en
- [bedrijf 2] B.V., welke rechtspersoon op 1 september 2020 door
de rechtbank Noord-Nederland in staat van faillissement was verklaard,
voor of tijdens het faillissement van die rechtspersonen,
desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende
wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen
gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden
en/of andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de
hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de
curator heeft verstrekt,
en
opzettelijk niet heeft voldaan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de
wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren
van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten
gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt,
immers heeft hij, verdachte, niet de (gehele) administratie waaronder:
a. grootboekkaarten 2017, 2018 2019 en 2020 van [bedrijf 1] B.V. (tot datum
faillissement) en
b. memoriaalboekingen 2017, 2018 en 2019 van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2]
[bedrijf 2] B.V. en
c. verzamelloonstaten 2017, 2018 en 2019 van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2]
[bedrijf 2] B.V. en
d. bankafschriften van [bedrijf 1] B.V. voor de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020
(tot datum faillissement) en
e. loonstroken van [naam 1] en
f. arbeids-, of managementovereenkomsten met de aandeelhouder(s) en
g. rekening-courantoverzichten met aandeelhouder(s) en
h. stukken die betrekking hebben op de lening aan [bedrijf 1] B.V. en
[bedrijf 2] B.V. en
i. activa overeenkomst [naam 2],
gevoerd en/of bewaard en/of aan de curator van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. verstrekt.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De rechtbank heeft het woord ‘afhankelijk’ beschouwt als een kennelijke schrijffout en heeft de tenlastelegging op dit punt verbeterd in ‘afhandeling’. De verdediging is hierdoor niet in haar belangen geschaad. Deze kennelijke verschrijving is zowel door de officier van justitie als de verdediging niet opgemerkt.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 344a Sr. De bestuurder van een onderneming is op grond van artikelen 2:10 en 3:15 van het Burgerlijk Wetboek verplicht een administratie te voeren en te bewaren.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf:
als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens het faillissement van de rechtspersoon, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekken
en
het misdrijf:
als bestuurder van een rechtspersoon, voor het faillissement van de rechtspersoon, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Hierbij is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij de strafbepaling, in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte geen kwade intenties heeft gehad. Verdachte heeft juist boekhouders ingeschakeld teneinde te voldoen aan zijn administratieplicht. De afgelopen jaren zijn voor verdachte en zijn gezin heel zwaar geweest. De feiten zijn inmiddels verouderd en is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast draagt verdachte mede de zorg voor zijn drie minderjarige kinderen. Redenen waarom de raadsman verzoekt om in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar een (gestapelde) taakstraf met eventueel nog een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich niet gehouden aan de hem wettelijk opgedragen plicht een volledige en deugdelijke administratie te voeren en deze administratie terstond aan de curator te verstrekken. Als gevolg hiervan was het voor de curator onmogelijk om het faillissement op een juiste wijze af te wikkelen, terwijl het maatschappelijke en economische verkeer verlangt dat faillissementen voortvarend en efficiënt worden afgewikkeld. Het handelen van de verdachte heeft ook kwalijke gevolgen. De schuldeisers van [bedrijf 1] en [bedrijf 2], waaronder de Belastingdienst, lijden financiële schade en het werk van de curator is in aanzienlijke mate bemoeilijkt. Dit alles neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk, temeer nu van hem als bestuurder professioneel, zorgvuldig en adequaat handelen mocht worden verwacht.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 23 juni 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
Gelet op de ernst van de feiten is een gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal evenwel, gelet op de omvang van de bewezenverklaring na partiële nietigheid van de dagvaarding en partiële vrijspraak, de gevangenisstraf in geheel voorwaardelijke vorm opleggen. De rechtbank acht een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden in combinatie met een taakstraf van 180 uren passend en geboden. Mede omdat verdachte werkzaam is en vermoedelijk zal blijven in deze branche, zal het voorwaardelijke strafdeel als goede stok achter de deur kunnen fungeren om verdachte ervan te weerhouden opnieuw in de fout te gaan. De rechtbank zal een proeftijd van drie jaren opleggen.
De rechtbank acht het verder passend en geboden om aan verdachte een verbod op te leggen tot het uitoefenen van beroep van statutair bestuurder van enige rechtspersoon een proeftijd van drie jaren. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Verdachte heeft ter zitting geen inzicht getoond in zijn gedragingen anders dan te zeggen dat hij een sloddervos is. De verantwoording voor het voeren van een juiste boekhouding legt verdachte buiten zichzelf en hij verwijst in dit verband naar het door hem ingeschakeld personeel en boekhouders/accountants, terwijl uit de verklaringen van deze personen blijkt dat het juist verdachte is geweest die in de samenwerking fors is tekortschoten. Er lijkt sprake te zijn geweest van een patroon waarbij verdachte stelselmatig niet en/of niet volledig de benodigde informatie heeft aangeleverd en niet dan wel slecht bereikbaar was. Deze houding van verdachte lijkt hardnekkig en baart de rechtbank ernstige zorgen nu verdachte zowel in het verleden als heden gelieerd is (geweest) aan diverse ondernemingen. In het dossier bevindt zich een organogram waaruit kan worden afleid dat verdachte in de periode van 2014 tot en met 2021 als (middellijk dan wel direct) bestuurder was gelieerd aan 12 ondernemingen, waaronder de ondernemingen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] (welke twee ondernemingen zijn gefailleerd) en de ondernemingen [bedrijf 4] B.V. en [bedrijf 3] B.V. (welke twee ondernemingen middels turboliquidaties zijn ontbonden).
Ter zitting is gebleken dat verdachte na de faillissementen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] als ondernemer in dezelfde branche werkzaam is gebleven. De officier van justitie heeft ter zitting gesteld – hetgeen door de verdediging niet is weersproken – dat verdachte na de faillissementen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] gelieerd is geweest aan [bedrijf 9] B.V. onder welke vennootschap door de Belastingdienst op enige moment beslag is gelegd op goederen. Er is vervolgens vanuit [bedrijf 9] B.V. activa verkocht aan [bedrijf 10] B.V., welke onderneming inmiddels is gefailleerd. Ter zitting heeft verdachte kenbaar gemaakt dat hij momenteel bestuurder is van drie ondernemingen, waaronder een besloten vennootschap die zich toelegt op de productie van mantelzorgwoningen. De rechtbank acht relevant dat de feiten in hoedanigheid van (indirect) bestuurder van een rechtspersoon zijn gepleegd. Ter bescherming van het handelsverkeer wil de rechtbank herhaling van, kort gezegd, het frauderen door middel van een rechtspersoon voorkomen. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank een bestuurdersverbod passend en geboden.
De rechtbank heeft rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. De redelijke termijn is aangevangen op 20 april 2022, de dag waarop de woning van verdachte is doorzocht. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren had verdachte op 20 april 2024 een eindvonnis mogen verwachten. De rechtbank doet op 15 januari 2026 uitspraak. De redelijke termijn is dus met bijna 9 maanden overschreden. De rechtbank heeft deze overschrijding verdisconteerd in voornoemde strafmaat.
6.4
De inbeslaggenomen voorwerpen
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de caravan en de geldbedragen van € 2.100,--, € 14.211,51 en € 1.000.--, die onder verdachte [verdachte] in beslag zijn genomen, terug gegeven dienen te worden.
De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de aan verdachte toebehorende op de beslaglijst vermelde caravan en voornoemde geldbedragen, aangezien deze - gelet op de bewezenverklaring en partiële vrijspraak - niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7.De schade van benadeelden

7.1
De vordering van de ABN AMRO Bank N.V.
De ABN AMRO Bank N.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.
De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit onderzoekskosten ter hoogte van € 1.875,-- en administratiekosten ter hoogte van € 625,--.
De vordering heeft betrekking op het onder feit 3 en 4 ten laste gelegde. Omdat de dagvaarding ten opzichte van feit 3 nietig is verklaard en verdachte voor feit 4 wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Overigens is ook niet gebleken dat [aangever], die de vordering namens de ABN AMRO Bank N.V. heeft ingediend, hiertoe was gemachtigd. Een schriftelijke machtiging in het dossier ontbreekt.
7.2
De vordering van de curator
De (opvolgend) curator mr. S. Veenema-Bruinsma heeft ten aanzien van [bedrijf 1] verzocht verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 606.974,--, ter vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de (onrechtmatige) overboekingen hebben plaatsgevonden. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: € 146.094,--, € 63.881,-- en € 396.972,-- zoals ten laste gelegd onder feit 2 A.
Ten aanzien van [bedrijf 2] heeft de curator verzocht verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 623.616,-- ter vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de (onrechtmatige) overboekingen hebben plaatsgevonden. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: € 85.793,-- en € 537.823,-- zoals ten laste gelegd onder feit 2 B.
De curator heeft tevens verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De vordering van de curator heeft betrekking op het onder feit 2 ten laste gelegde. Omdat verdachte voor feit 2 wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de curator op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 31, 51 en 57 Sr.
9.Het onderzoek ter zitting is, na op 15 december 2025 te zijn onderbroken, op 15 januari 2026 gesloten.

10.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft feit 3;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het laste gelegde feit 1 heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
het misdrijf:
als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens het faillissement van de rechtspersoon, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekken
en
het misdrijf:
als bestuurder van een rechtspersoon, voor het faillissement van de rechtspersoon, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
180 (honderdtachtig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
90 (negentig) dagen;
-
ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroepvan statutair bestuurder of feitelijk bestuurder van enige rechtspersoon of vennoot van enig rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van
3 (drie)jaren;
- gelast dat de ontzetting uit het beroep van bestuurder van een rechtspersoon
openbaar gemaaktwordt door registratie in het
handelsregister van de Kamer van Koophandelen begroot de kosten daarvan op nihil;
schadevergoeding
- bepaalt dat de (opvolgend) curator mr. S. Veenema-Bruinsma in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V. in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
de in beslag genomen voorwerpen
- gelast de teruggave van de caravan (voorwerp 1 op de beslaglijst) en gelast de teruggave van de geldbedragen van € 2.100,-- (voorwerp 2 op de beslaglijst), € 14.211,51 (voorwerp 3 op de beslaglijst) en € 1.000,-- (voorwerp 4 op de beslaglijst).
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Campen, voorzitter, mr. D. ten Boer en mr. F.M.A. ‘t Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD / Belastingdienst met dossiernummer 69946 (onderzoeksnaam Balmullo).
2.Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 1] B.V. van 2 november 2022 pagina’s 1550-1551 (DOC-086).
3.Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 6] B.V. van 27 september 2021, pagina’s 1791-1792 (DOC-130).
4.Een geschrift, zijnde het vonnis faillietverklaring van de rechtbank Noord Nederland van 17 maart 2020, pagina’s 910-911 (DOC-002).
5.Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 2] B.V. van 2 november 2022 pagina 1552 (DOC-087).
6.Een geschrift, zijnde het vonnis faillietverklaring van de rechtbank Midden Nederland van 1 september 2020 pagina’s 907-909 (DOC-001).
7.Het proces-verbaal van verhoor van de curator, genummerd als G-001, pagina 311.
8.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], genummerd als G-004, pagina 346.
9.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], genummerd als G-007, pagina 379.
10.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 december 2025.
11.Een geschrift, zijnde de aangifte van de curator, genummerd als AG-001, pagina 439 en het proces-verbaal van verhoor van de curator, genummerd als G-001, pagina 315.
12.Het proces-verbaal van verhoor van de curator, genummerd als G-001, pagina’s 312 en 315.
13.Een geschrift, zijnde de aangifte van de curator, genummerd als AG-001, pagina’s 437, 439, 441 en de contactjournalen, genummerd als DOC-027 en DOC-028, pagina’s 1104 t/m 1109.
14.Het proces-verbaal van bevindingen inzake aangeleverde administratie curator, genummerd als AMB-015, pagina’s 593 t/m 595.
15.Het proces-verbaal van bevindingen inzake klantenlijsten, genummerd als AMB-019, pagina 655.
16.Het proces-verbaal van bevindingen inzake niet geboekte omzet, genummerd als AMB-014, pagina 586.
17.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], genummerd als G-011, pagina’s 419 en 420.
18.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 december 2025.
19.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4], genummerd als G-005, pagina’s 355 en 358.
20.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5], genummerd als G-009, pagina’s 400, 401, 402 en 408.
21.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6], genummerd als G-003, pagina 338.
22.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 7], genummerd als G-010, pagina’s 412 en 415.
23.Een geschrift, zijnde de aangifte van de curator, genummerd als AG-001, pagina’s 439 en 441 en 444.
24.Zaaksdossier 1, paragraaf 4.2.4, genummerd als ZD-001-01, pagina’s 155 t/m 157.