ECLI:NL:RBOVE:2026:144
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Op 15 januari 2026 heeft de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, uitspraak gedaan in een strafzaak waarbij het Openbaar Ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel had ingediend. De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in deze vordering. Dit besluit was gebaseerd op de partiële nietigheid van de dagvaarding en de vrijspraak van de verdachte in een eerdere strafzaak. De vordering was behandeld op de openbare terechtzittingen van 15 december 2025 en 15 januari 2026, waarbij de verdachte werd bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. E.G. Engwirda. De officier van justitie had een bedrag van € 255.509,80 gevorderd als wederrechtelijk verkregen voordeel, maar de rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van dergelijk voordeel, gezien de eerdere vrijspraak en de nietigheid van de dagvaarding. Het vonnis is uitgesproken door een meervoudige kamer voor strafzaken, met mr. R.P. van Campen als voorzitter, en is in het openbaar bekendgemaakt op dezelfde datum.