AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Tussenuitspraak over onvoldoende concrete voorschriften bij omgevingsvergunning voor kappen van 38 bomen in Zwolle
De Stichting Zwolle Groenstad betwist de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Zwolle op 17 maart 2025 verleende voor het kappen van 38 bomen ten behoeve van een mobiliteitshub. De rechtbank beoordeelt dat het college een juiste belangenafweging heeft gemaakt, waarbij het verwijderingsbelang zwaarder weegt dan het behoudensbelang van de bomen. De bomen zijn niet aangemerkt als bijzondere bomen en de ecologische en cultuurhistorische waarden zijn laag tot middelmatig.
Echter oordeelt de rechtbank dat de voorschriften bij de vergunning onvoldoende concreet zijn, met name omdat de kap kan plaatsvinden voordat een definitieve omgevingsvergunning voor de mobiliteitshub is verleend en omdat het compensatieplan niet voldoende is geborgd in de voorschriften. Dit leidt tot strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank geeft het college de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen door de voorschriften concreter te maken. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak. Het verzoek van de Stichting tot heropening van het onderzoek wordt afgewezen omdat de aangevoerde nieuwe informatie reeds aan bod is gekomen in eerdere procedures.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de voorschriften bij de omgevingsvergunning onvoldoende concreet zijn en geeft het college zes weken om dit te herstellen.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2406
tussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
Stichting Zwolle Groenstad, gevestigd in Zwolle,
hierna: de Stichting
(gemachtigde: mr. I.A. Verbeek),
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle
hierna: het college
(gemachtigde: mr. D.C.M. Vleeskens).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de gemeente Zwolle
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de op 17 maart 2025 door het college verleende omgevingsvergunning voor het kappen van 38 bomen aan de Luttenbergstraat in Zwolle ten behoeve van de realisatie van een zogenoemde ‘mobiliteitshub’. De Stichting is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Volgens de Stichting heeft het college een verkeerde afweging gemaakt, omdat aan het behoud van de bomen onvoldoende waarde is gehecht en niet is onderkend dat sprake is van waardevolle bomen.
2. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit gebrekkig is, omdat het college voor het realiseren van een verbeterd groenplan onvoldoende concrete voorschriften in de vergunning heeft opgenomen. De rechtbank geeft het college de gelegenheid om het gebrek te herstellen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.
Procesverloop
3. Op 11 februari 2025 heeft de gemeente Zwolle een omgevingsvergunning aangevraagd voor het kappen van 38 bomen aan de Luttenbergstraat ten behoeve van het realiseren van een mobiliteitshub (hierna: mobihub).
4. Bij besluit van 17 maart 2025 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Hierbij heeft het college als voorschrift een herplantplicht opgelegd van (minimaal) 38 bomen op of in de nabijheid van de te realiseren parkeergarage. Het exacte sortiment aan bomen dient in overleg met het college te worden vastgesteld.
5. De Stichting heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning.
6. Bij besluit van 29 juli 2025 op het bezwaar van de Stichting heeft het college de omgevingsvergunning deels herroepen en de voorschriften behorende bij de omgevingsvergunning vervangen.
7. De Stichting heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op 16 januari 2026 op het beroep gereageerd met een verweerschrift en heeft daarbij aanvullende stukken ingebracht, waaronder een compensatieplan van [bedrijf] en een memo van adviesbureau Ecogroen over dit compensatieplan.
8. De Stichting heeft in reactie op het verweerschrift en de aanvullende stukken verzocht om uitstel van de zitting zodat zij deskundigen kon inschakelen om de stukken te beoordelen.
9. De rechtbank heeft na contact met de gemachtigde van de Stichting het uitstelverzoek afgewezen en toestemming gegeven aan de Stichting om ter zitting inhoudelijk te reageren op de door het college ingediende stukken van 16 januari 2026.
10. Op 26 januari 2026 heeft de rechtbank (na verzoek van de Stichting) het college verzocht om twee ontbrekende stukken alsnog in te dienen. Het college heeft deze twee stukken op 28 januari 2026 ingediend.
11. Op 4 februari 2026 heeft de Stichting aanvullende beroepsgronden, inclusief bijlages ingediend.
12. De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verschenen namens de Stichting, [naam 1], vergezeld door [naam 2] (deskundige), de gemachtigde van de Stichting, namens het college [naam 3] en [naam 4], de gemachtigde van het college en namens de gemeente Zwolle [gemachtigde], vergezeld door [naam 5] en [naam 6] (deskundigen).
13. Na de zitting van 5 februari 2026 heeft de Stichting op 23 februari 2026 verzocht om heropening van het onderzoek ex artikel 8:68 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
14. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
15. De omgevingsvergunning voor het kappen van 38 bomen houdt verband met het plan om een mobihub onder de Luttenbergstraat en onder de huidige parkeerplaats aan de westzijde van het Provinciehuis te realiseren. Mobiliteitshubs zijn volgens de website van de gemeente Zwolle plekken waar verschillende vormen van vervoer samenkomen. Je kunt er bijvoorbeeld parkeren en vervolgens overstappen op een deelauto, (elektrische) fiets of het openbaar vervoer. Maar er zijn vaak ook extra voorzieningen, zoals pakketkluizen of zelfs een supermarkt. Mobiliteitshubs zijn daarmee knooppunten die reizen makkelijker maken.
16. De ruimtelijke besluitvorming omtrent de te realiseren mobihub staat los van de procedure omtrent de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen. Bij besluit van 15 december 2025 heeft de gemeenteraad van Zwolle het ‘Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Zwolle, TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, Weezenlanden-Noord’ vastgesteld, waarin de realisatie van de mobihub op de betreffende locatie bij het provinciehuis mogelijk wordt gemaakt. De Stichting heeft beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) tegen het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan.
17. Bij afzonderlijk besluit van 5 maart 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het verplaatsen van elf bomen ten behoeve van de mobihub. Deze omgevingsvergunning is onherroepelijk en ligt in deze procedure niet voor.
18. In het bestreden besluit van 29 juli 2025 heeft het college de voorschriften bij de vergunning vervangen door de volgende voorschriften:
“Voorschriften:
a. a) Kap vindt niet eerder plaats dan in het najaar van 2026 (ervan uitgaande dat het omgevingsplan dan is vastgesteld en de omgevingsvergunning voor de mobihub is aangevraagd).
b) Na de kap dienen er bomen te worden herplant boven op het toekomstige dak van de mobihub WZN volgens een goedgekeurd compensatieplan/herplantplan. Er mag niet eerder worden gestart met de kapwerkzaamheden dan na verkregen goedkeuring van dit plan. In het plan dient rekening te worden gehouden met de volgende punten:
Aantal: de compensatieopgave wordt bepaald op basis van het boomkroonvolume. Er moet minimaal een gelijkwaardig of hoger boomkroonvolume gecompenseerd worden.
Maat: bomen dienen te worden geplant in een minimale maat van 25/30 (omtrek van de stam op 1 meter hoogte van de boom).
Volwaardige groeiplaats: dit verschilt per boomsoort en dient te worden berekend met behulp van de bomenmonitor van Norminstituut Bomen.
Soort: Bij het boomassortiment dient rekening te worden gehouden met een divers bomenbestand dat minder kwetsbaar is voor ziekten en plagen. Uitgangspunt voor een kwalitatieve herplant is dat de nieuw te planten bomen weer 80 jaar of langer mee moeten kunnen. Het exacte assortiment moet in overleg met de groenadviseur van de gemeente worden vastgesteld.
c) De bomen dienen uiterlijk in het 1e plantseizoen na oplevering van het perceel te worden herplant.
d) Vergunninghouder is verplicht om de bomen te onderhouden en in stand te houden en deze te vervangen als deze binnen een termijn van 3 jaar niet aanslaan.”
19. Adviesbureau [bedrijf] heeft een compensatieplan van de te kappen bomen, zoals bedoeld in voorschrift b, opgesteld (d.d. 1 oktober 2025).
20. Met de memo van 13 januari 2026 heeft advies & ingenieursbureau Ecogroen geconcludeerd dat het landschappelijk ontwerp met het plan voor de bomencompensatie voornamelijk positieve (+) en enkele gemengde (+/-) effecten op de groenstructuur heeft, dat in de plannen met alle voorwaarden rekening is gehouden en dat, concluderend, een toekomstbestendig, klimaatrobuust en biodiversiteit-versterkend ontwerp is opgesteld.
21. Gelet op het advies van Ecogroen heeft de groenadviseur van de gemeente Zwolle op 13 januari 2026 positief geadviseerd over het opgestelde compensatieplan.
22. Bij mail van 14 januari 2026 heeft de afdeling Vergunningen aan de gemeente Zwolle als vergunninghouder te kennen gegeven dat het compensatieplan is beoordeeld en akkoord is bevonden en dat daarmee voldaan is aan voorschrift b van de omgevingsvergunning.
Verzoek tot heropening
23. De Stichting heeft na de zitting van 5 februari 2026 per brief van 23 februari 2026 verzocht om heropening van het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 8:68 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Bij het verzoek heeft de Stichting informatie overgelegd die ziet op de leeftijd van de bomen, de vraag of het bijzondere bomen zijn en de cultuurhistorische waarde van de bomen.
24. De rechtbank wijst het verzoek van de Stichting af. Uit de door de Stichting overgelegde informatie volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het onderzoek niet volledig is geweest. De informatie heeft namelijk enkel betrekking op de leeftijd van de bomen en of er daarom gesproken kan worden van ‘bijzondere bomen’ en de mogelijke cultuurhistorische waarde van de bomen. Dit zijn onderwerpen die al in bezwaar zijn aangevoerd, in het beroepschrift uitvoerig zijn gemotiveerd en ter zitting zijn besproken. Ter zitting is verder besproken of de behandeling van het beroep voldoende is geweest en of een schriftelijke ronde nog wenselijk werd geacht. Partijen hebben hierop ontkennend geantwoord.
25. Nu de rechtbank het verzoek tot heropening afwijst, zal zij het beroep van de Stichting inhoudelijk behandelen.
Het beroep
26. De Stichting stelt zich – samengevat – op het standpunt dat (1) het belang van de bomen onvoldoende is meegewogen bij de locatiekeuze van de mobihub, (2) het college geen deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt, dat (3) de voorschriften behorende bij de omgevingsvergunning nog steeds onduidelijk en te onzeker zijn en, gelet op het al voorgaande, dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.
De beoordeling
27. De rechtbank beoordeelt het beroep van de Stichting aan de hand van de door haar aangevoerde beroepsgronden.
De locatiekeuze van de mobihub
28. De Stichting voert aan dat de bomen en het belang van bomen voor de leefbaarheid in de stad ten onrechte niet zijn betrokken bij de locatiekeuze van de mobihub. Het college heeft bovendien onvoldoende naar alternatieve locaties gezocht voor de te realiseren mobihub.
29. De rechtbank overweegt dat de keuze voor deze locatie van de mobihub een politiek besluit is, dat niet voorligt in deze procedure, zoals reeds in rechtsoverweging 16 is opgemerkt. De gemeenteraad van Zwolle heeft gekozen voor een mobihub op deze locatie. Welke belangen betrokken zijn bij deze afweging, is een vraag die in het kader van deze procedure tegen de verleende omgevingsvergunning voor het kappen van de 38 bomen niet aan de orde kan komen. Dat de bomen gekapt worden ten behoeve van de te realiseren mobihub is uiteraard wel van belang voor de (juridische) beoordeling van de vergunningaanvraag, namelijk in het beoordelingsformulier, punt 21.
30. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de plannen voor de te realiseren mobihub op de locatie bij het provinciehuis verder voldoende concreet om mee te kunnen wegen bij de beoordeling van de omgevingsvergunning voor het kappen van de 38 bomen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de gemeenteraad eind 2014 in de begroting een budget heeft opgenomen voor het realiseren van de mobihub en daarbij specifiek de betreffende locatie heeft gekoppeld als voorwaarde voor het gebruik van dit budget. Ten tijde van het doen van de aanvraag (op 11 februari 2025) waren de plannen voor de mobihub op deze locatie daarmee voldoende concreet.
31. De beroepsgrond slaagt niet.
De belangenafweging
32. De Stichting stelt zich ten aanzien van de belangenafweging op het standpunt dat het college bij het beoordelingsformulier ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het verwijderingsbelang groter is dan het belang van het behoud (in het beoordelingsformulier aangeduid als “behoudensbelang”) van de bomen. Zo heeft het college ten aanzien van het behoudensbelang miskend dat er sprake is van bijzondere bomen (punt 10) omdat de bomen, anders dan in het bomenbeheersysteem vermeld staat, ouder zijn dan 50 jaar , de waarden voor het beschermen van natuur en biodiversiteit (punt 11) ‘hoog’ zijn in plaats van ‘gemiddeld’ en de cultuurhistorische waarden (punt 15) ook ‘hoog’ zijn in plaats van ‘laag’. Ten aanzien van het verwijderingsbelang heeft het college miskend dat het beoogde herplantplan niet bijdraagt aan een verbetering van het groenplan omdat er niet binnen 15 jaar een vergelijkbaar boomkroonvolume wordt bereikt (punt 17) en het maatschappelijk belang van de realisatie van de mobihub (punt 21) hoogstens als ‘hoog’ gekwalificeerd kan worden en niet als ‘zeer hoog’.
33. De rechtbank overweegt ten aanzien van punt 10 van het beoordelingsformulier dat, ook als aangenomen wordt dat de bomen – anders dan er in het bomenbeheersysteem staat – ouder zijn dan 50 jaar, daarmee niet vast is komen te staan dat er sprake is van ‘bijzondere bomen’ zoals bedoeld in de Bomenverordening 2021 gemeente Zwolle. Volgens de toelichting op de Bomenverordening 2021 moet er namelijk ook sprake zijn van één van de specifieke voorwaarden: (1) de boom heeft voor Zwolle een belangrijke ruimtelijke betekenis, (2) de boom is een monument of (3) de boom heeft een extra hoge natuurwaarde. Het college heeft voldoende inzichtelijk gemaakt dat geen van deze drie specifieke voorwaarden van toepassing zijn op de te kappen bomen. Dat de bomen in de nabijheid staan van het (gemeentelijk) monumentale provinciehuis, is onvoldoende om aan te nemen dat zij onderdeel uitmaken van een monumentale omgeving en dat daarmee voldaan is aan de tweede specifieke voorwaarde. Het college heeft in het beoordelingsformulier bij punt 10 daarom 60 punten mogen toekennen aan het behoudensbelang, in plaats van de 80 punten die voor bijzondere bomen geldt.
34. Het college heeft bij punt 11 van het behoudensbelang, de waarden voor het beschermen van natuur en biodiversiteit, naar het oordeel van de rechtbank uit mogen gaan van ‘middel’ in plaats van ‘hoog’. Daarbij is van belang dat de te kappen bomen (platanen) niet van een boomsoort zijn die van nature thuishoort in Nederland en geen onderdeel zijn van de PNV (Potentieel Natuurlijke Vegetatie). Ook is ter zitting onweersproken gesteld en gemotiveerd dat de ecologische waarde en de waarde voor de biodiversiteit van platanen (exoten) ten opzichte van inheemse soorten een stuk lager zijn. Het college heeft bij punt 11 daarom10 punten (middel) mogen toekennen aan het behoudensbelang voor wat betreft de waarden voor het beschermen van natuur en biodiversiteit.
35. Het college heeft ook voldoende onderbouwd dat de cultuurhistorische waarde (punt 15) van de te kappen bomen ‘laag’ is, in plaats van ‘hoog’. Hierbij overweegt de rechtbank – net als hiervoor – dat het gegeven dat de bomen in de nabijheid staan van het (gemeentelijk) monumentale provinciehuis onvoldoende is om aan te nemen dat zij onderdeel uitmaken van een monumentale omgeving. De bomen vallen ook niet onder de andere genoemde categorieën bomen die bij punt 15 van het beoordelingsformulier zijn benoemd. Het college mocht daarom 0 punten toekennen aan het behoudensbelang voor de te kappen bomen voor wat betreft de cultuurhistorische waarde.
36. Ten aanzien van het verwijderingsbelang overweegt de rechtbank dat het college bij punt 17 heeft mogen concluderen dat het beoogde herplantplan bijdraagt aan een verbetering van het groenplan. Hoewel door de kap aanvankelijk wordt ingeboet aan groen, en volgens Ecogroen uit het compensatieplan van [bedrijf] inderdaad volgt dat het 41 jaar duurt voor er een vergelijkbaar boomkroonvolume is gerealiseerd, overstijgt het potentiële boomkroonvolume in de toekomst de huidige situatie, en bovendien heeft het herplantplan een veel positievere invloed op de biodiversiteit dan in de huidige situatie het geval is. Dit is een kwalitatieve verbetering van het groenplan. Uit de Bomenverordening 2021 en het beoordelingsformulier wordt bovendien niet als voorwaarde gesteld dat in het geval van een verbeterd groenplan een vergelijkbaar groenbeeld wordt gerealiseerd binnen 15 jaar na aanplant. Het college heeft, gelet op het voorgaande, voldoende onderbouwd dat de herplant bijdraagt aan een verbeterd groenplan voor de omgeving en heeft daarom 80 punten mogen toekennen aan het verwijderingsbelang.
37. Voor wat betreft punt 21, het maatschappelijk belang, acht de rechtbank de onderbouwing van het college dat sprake is van een ‘zeer hoog’ maatschappelijk belang afdoende. Volgens het beoordelingsformulier is van een zeer hoog maatschappelijk belang sprake indien er een provinciaal of rijksbelang speelt, en de ontwikkeling een breder doel dient. De positieve effecten moeten niet alleen in Zwolle te merken zijn, maar ook in het achterliggende gebied. Van een ‘hoog’ maatschappelijk belang is volgens het beoordelingsformulier sprake indien er voor meer dan 100 mensen in de stad een positief effect van de ontwikkeling merkbaar is. De realisatie van de mobihub past in een bredere, programmatische aanpak van de gemeente Zwolle om de stad toegankelijker te maken voor mensen van buitenaf, de binnenstad autoluwer te maken en meer ruimte te reserveren voor woningbouw. Hiermee heeft het college volgens de rechtbank voldoende aangetoond dat de mobihub een ruimtelijke ontwikkeling is waarvan veel meer dan 100 mensen een positief effect zullen merken en dat het een ontwikkeling is die niet alleen voor inwoners van de gemeente Zwolle relevant is, maar ook voor het achterliggend gebied. Een provinciaal belang is daarmee voldoende inzichtelijk gemaakt.
38. Gelet op het voorgaande heeft het college op basis van het beoordelingsformulier, behorende bij de Bomenverordening 2021, tot de conclusie mogen komen dat het verwijderingsbelang van de bomen groter is dan het behoudensbelang van de bomen. De beroepsgrond slaagt daarmee niet.
De voorschriften
39. De Stichting voert aan dat de voorschriften die in het bestreden besluit zijn opgenomen nog steeds onvoldoende concreet zijn en onvoldoende bescherming bieden voor de te kappen bomen. Zo is er een niet toereikende koppeling gemaakt met de ontwikkeling van de mobihub, waardoor zelfs al wordt de mobihub niet gerealiseerd, de bomen alsnog gekapt kunnen worden.
40. De rechtbank oordeelt dat de (nieuwe) voorschriften uit het bestreden besluit, behorende bij de omgevingsvergunning, inderdaad onvoldoende concreet zijn. Zij overweegt daartoe als volgt. In de voorschriften wordt in punt (a) voorgeschreven dat de kap niet eerder zal plaatsvinden dan eind 2026, ervan uitgaande dat het omgevingsplan dan is vastgesteld en de omgevingsvergunning voor de mobihub is aangevraagd. Dit biedt onvoldoende zekerheid dat een aangevraagde omgevingsvergunning voor de mobihub ook voldoet aan het omgevingsplan en daarmee voor verlening in aanmerking komt. Gelet op de onomkeerbaarheid van het kappen van de bomen acht de rechtbank, met het oog op de rechtszekerheid, het onwenselijk dat de kap van de bomen doorgang kan vinden, voordat er een omgevingsvergunning door het college is verleend voor de mobihub zoals dat nu is beoogd (op deze locatie en met deze omvang, waarvoor de betreffende bomen gekapt worden). Ook acht de rechtbank voorschrift (b) onvoldoende concreet. De Bomenverordening 2021 en het daarbij horende beoordelingsformulier schrijven voor dat er een verbeterd groenplan moet worden gerealiseerd. Dit is onvoldoende geborgd in de vergunningsvoorschriften. De voorschriften spreken namelijk enkel over ‘rekening houden met’ en van goedkeuring door de groenadviseur, maar maken niet concreet dat er een verbetering van het groenplan dient plaats te vinden, terwijl daar de beoordeling van de vergunning voor het kappen van de bomen wel op is gebaseerd. De voorschriften zijn ook onvoldoende concreet over de vorm waarin deze verbetering gerealiseerd dient te worden of waaraan deze verbetering moet voldoen. Uit de voorschriften volgt op deze manier niet dat het door [bedrijf] opgestelde compensatieplan gevolgd dient te worden. De noodzaak van een voldoende borging in concreto volgt uit de Bomenverordening 2021 en is nodig ter bescherming van de in artikel 11 vanPro de Bomenverordening genoemde belangen en uit oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming.
41. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit wat betreft de voorschriften onder (a) en (b) in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
42. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuw besluit op het verzoek, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het college de vergunningsvoorschriften behorende bij de verleende omgevingsvergunning voldoende concreet maken. Het college moet hierbij in acht nemen wat de rechtbank in rechtsoverweging 40 heeft overwogen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
43. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank de Stichting in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel – ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken – zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. [1]
44. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
draagt het college op binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, voorzitter, mr. E.C. Rozeboom en
mr. A. Oosterveld, leden, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.