ECLI:NL:RBOVE:2026:1333

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/08/344578 KG RK 26-79
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter-commissaris in economische strafzaak ongegrond verklaard

Op 2 februari 2026 diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de rechter-commissaris die belast was met onderzoekshandelingen in zijn strafzaak over economische delicten. Verzoeker stelde dat de rechter-commissaris niet onpartijdig was, omdat zij het verhoor leidde op een wijze die zijn ondervragingsrecht beperkte en niet ingreep toen de officier van justitie hem onderbrak.

De rechter-commissaris verweerde zich door te stellen dat zij handelde binnen de opdracht van de meervoudige kamer en dat de beperkingen in het stellen van vragen voortkwamen uit deze opdracht. Ook gaf zij de officier van justitie ruimte om haar standpunt toe te lichten. De wrakingskamer oordeelde dat de indruk van partijdigheid niet objectief gerechtvaardigd was en dat het knikken van de rechter-commissaris geen instemming of vooringenomenheid betekende.

De wrakingskamer benadrukte dat de rechter-commissaris de regie moest voeren tijdens het getuigenverhoor en dat dit geen grond voor wraking oplevert tenzij in uitzonderlijke gevallen. De juistheid van procesbeslissingen valt buiten de wrakingsprocedure en kan via andere rechtsmiddelen worden aangevochten. Het verzoek tot wraking werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris is ongegrond verklaard wegens ontbreken van objectieve aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: C/08/344578 KG RK 26-79
Beslissing van 12 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker tot wraking

1.De procedure

1.1.
Op 2 februari 2026 heeft de heer [verzoeker] (hierna te noemen: verzoeker) het verzoek tot wraking gedaan van mr. W.P.M. Elderman, rechter-commissaris strafrecht in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met onderzoekshandelingen in de strafzaak tegen verzoeker met parketnummer: 84.293169.22. Verzoeker heeft het wrakingsverzoek gedaan tijdens een getuigenverhoor door de rechter-commissaris, zoals blijkt uit het proces-verbaal. Verzoeker heeft het wrakingsverzoek op 2 februari 2026 schriftelijk verduidelijkt.
1.2.
De rechter-commissaris heeft op 16 februari 2026 schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd. Zij heeft niet berust in de wraking.
1.3.
Het wrakingsverzoek van verzoeker is op 24 februari 2026 behandeld. Verzoeker, de rechter-commissaris en de officier van justitie zijn met kennisgeving niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De strafzaak tegen verzoeker heeft betrekking op economische delicten.
2.2.
Op 2 februari 2026 heeft de rechter-commissaris een getuige in de strafzaak tegen verzoeker (verdachte) gehoord. Bij dit getuigenverhoor waren verder aanwezig verzoeker, de griffier en de officier van justitie.

3.Het wrakingsverzoek

3.1.
Verzoeker heeft het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Hij heeft tijdens het getuigenverhoor de indruk gekregen dat de rechter-commissaris niet onpartijdig is. De wijze waarop de rechter-commissaris het verhoor leidde, heeft ervoor gezorgd dat verzoeker geen effectief gebruik heeft kunnen maken van zijn ondervragingsrecht. Volgens verzoeker heeft de officier van justitie tijdens het getuigenverhoor verzoeker meermaals onderbroken en de rechter-commissaris heeft toen niet ingegrepen. Verzoeker werd ten onrechte ook beperkt in het aantal vragen dat hij mocht stellen aan de getuige. Ook heeft de rechter-commissaris instemmend geknikt tijdens een uiteenzetting van de officier van justitie over de zogenaamde inkeerregeling. Verzoeker vindt dat hij hierdoor in zijn belangen, in het bijzonder het recht op een eerlijk proces wordt geschaad..
Verzoeker vraagt de wrakingskamer:
1. de wraking gegrond te verklaren;
2. te bepalen dat het verdere onderzoek, voor zover nodig, plaatsvindt door een andere rechter-commissaris;
3. althans een beslissing te nemen die de wrakingskamer in goede justitie passend acht.

4.Het standpunt van de rechter-commissaris

4.1.
De rechter-commissaris stelt dat er geen sprake is van vooringenomenheid. Verzoeker wist wat hij kon verwachten bij het getuigenverhoor, gelet op de inhoud van de processen-verbaal van de meervoudige strafkamer van 29 september 2025 en
16 oktober 2025. Het klopt dat de officier van justitie een felle reactie richting verzoeker had. De rechter-commissaris heeft de officier van justitie niet onmiddellijk onderbroken omdat zij haar de gelegenheid wilde geven om haar standpunt over het verloop van het verhoor naar voren te brengen. Die gelegenheid was verzoeker eerder al geboden. Hierna gaf verzoeker aan dat hij nog veel vragen wilde stellen aan de getuige. Hij heeft toen een lijst overhandigd van vijftien pagina’s met vragen. De rechter-commissaris heeft na het lezen van de vragen besloten verzoeker niet in de gelegenheid te stellen om deze vragen te stellen, omdat dit verder zou reiken dan de opdracht die de meervoudige kamer heeft geformuleerd in het proces-verbaal van verwijzing van de zaak naar de rechter-commissaris. Inhoudelijk is de rechter-commissaris niet in discussie gegaan met de officier van justitie of verzoeker.

5.De beoordeling

5.1.
De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek ongegrond verklaren. De wrakingskamer licht dit toe.
5.2.
De wrakingskamer moet de vraag beantwoorden of de rechter partijdig is of dat zij die indruk bij verzoeker heeft gewekt. Die indruk gaat niet alleen maar over het persoonlijke gevoel van verzoeker, maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoeker op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is. Het uitgangspunt is dat de rechter vanwege zijn aanstelling als rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, waaruit kan worden afgeleid dat hij vooringenomen is.
5.3.
De rechter-commissaris heeft op 2 februari 2026 uitvoering gegeven aan de opdracht van de meervoudige kamer tot het horen van de getuige. De meervoudige kamer heeft daarbij in het proces-verbaal van 16 oktober 2025 expliciet aangegeven tot welke vragen/onderwerpen de verdachte zich moest beperken tijdens het getuigenverhoor. De rechter-commissaris heeft uitvoering gegeven aan deze opdracht en zich daarbij rekenschap gegeven van deze beperking. De officier van justitie heeft tijdens het verhoor in haar bewoordingen weergegeven hoe zij tegen deze opdracht aankeek.
5.4.
Dat de rechter-commissaris de officier van justitie niet heeft onderbroken, geeft naar het oordeel van de wrakingskamer geen blijk van partijdigheid, en ook niet van vooringenomenheid. Ook de non-verbale uiting van de rechter-commissaris, te weten het knikken van haar hoofd, toont niet aan dat er sprake is van (de schijn van) vooringenomenheid ten aanzien van verzoeker of zijn vragen. Zonder specifieke toelichting is immers niet aannemelijk dat het knikken van een luisterende rechter duidt op instemming met het standpunt van een sprekende partij, laat staan van vooringenomenheid tegen de andere partij.
5.5.
De wrakingskamer kan, gelet op het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor van 2 februari 2026 en het proces-verbaal van de wraking, niet vaststellen dat er sprake is van een (schijn van) partijdigheid van de rechter-commissaris en ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ook geen aanwijzingen voor een objectief gerechtvaardigde vrees hiervoor. De wrakingskamer zal daarom het verzoek ongegrond verklaren.
5.6.
De wrakingskamer overweegt nog dat de overige bezwaren van verzoeker evenmin leiden tot een gegrondverklaring van het verzoek. Voor zover bij verzoeker een gevoel is ontstaan dat er weinig ruimte was voor zijn eigen inbreng en het naar voren brengen van zijn visie op de door de meervoudige kamer opgestelde onderwerpen/vragen waaraan verzoeker zich moest houden, geldt dat op de rechter-commissaris de taak rust regie te voeren en orde te houden tijdens het getuigenverhoor. De wijze waarop zij dat doet levert alleen bij hoge uitzondering een grond voor wraking op.
5.7.
Tot slot is het niet aan de wrakingskamer om een oordeel te geven over de juistheid van genomen (proces)beslissingen. De juistheid van de beslissingen kan aan de orde worden gesteld middels een eventueel in te stellen rechtsmiddel, dan wel bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak.
5.8.
Ook hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht over regie- en procesbeslissingen leidt daarom niet tot het oordeel dat er sprake is van de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid bij de rechter-commissaris.

6.De beslissing

De wrakingskamer
6.1.
verklaart het verzoek ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. U. van Houten, mr. A. van Holten, R.F. van Aalst in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.M.E. Liebregt en in openbaar uitgesproken op
12 maart 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.