Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1291

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
AK_26_871
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning op grond van Opiumwet wegens drugsgerelateerde overlast

De burgemeester van Enschede heeft op grond van artikel 13b van de Opiumwet en het Damoclesbeleid besloten een woning te sluiten voor drie maanden vanwege de vondst van bijna 100 gram cocaïne en andere drugshandelgerelateerde voorwerpen in de woning, alsmede overlast veroorzaakt door de (ex-)vriend van de huurder.

De huurder, eiser, maakte bezwaar tegen het besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening omdat zij per 9 maart 2026 uit de woning moest en geen alternatieve verblijfplaats had. Zij betwistte dat de drugs van haar waren en dat er vanuit haar woning handel werd gedreven, en stelde dat het besluit onevenwichtig was omdat zij de dupe werd van het handelen van haar (ex-)vriend.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was het pand te sluiten gezien de handelshoeveelheid cocaïne en dat het besluit in redelijkheid genomen was. De overlast was aannemelijk op basis van de bestuurlijke rapportage en de sluiting was een geschikt en noodzakelijk middel. Hoewel de motivering over de evenwichtigheid summier was, kon dit in bezwaar worden hersteld. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/871
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats],
hierna: [eiser],
(gemachtigde: mr. J. Dekker),
en
de burgemeester van Enschede,
hierna: de burgemeester,
(gemachtigde: mr. N. Jannink),
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Woningcorporatie Ons Huisuit Enschede,
hierna: de woningcorporatie,
(gemachtigde: mr. M. Douwenga).

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [eiser] tegen het besluit van de burgemeester van 2 maart 2026. Daarin heeft de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet en overeenkomstig de Beleidsregel Damoclesbeleid Enschede 2025 (hierna: Damoclesbeleid) bepaald dat de woning die [eiser] van de woningcorporatie huurt aan de [adres] gesloten dient te worden en gesloten dient te blijven voor een periode van drie maanden, met ingang van 9 maart 2026 tot en met 9 juni 2026.
1.2.
Aanleiding daartoe betreft een bestuurlijke rapportage van de politie van 15 december 2025. Daaruit volgt – samengevat – dat naar aanleiding van een onderzoek in het kader van de Wet Wapen en Munitie naar de (inmiddels ex-)vriend van [eiser] haar huurwoning is doorzocht. Hij is nadat hij de huurwoning van [eiser] verliet op 18 november 2025 door de politie aangehouden, waarbij 11 bolletjes zijn aangetroffen. In de huurwoning zelf heeft de politie vervolgens 98.14 gram cocaïne aangetroffen in een houten kistje op de eetkamertafel, evenals een weegschaaltje, bord en lepel met witte substantie, een rol met plastic zakjes, en zelfgemaakte en verpakte muntrolletjes. Daarnaast volgt uit de rapportage dat de politie van buurtbewoners heeft vernomen dat zij al langere tijd vermoeden dat er drugs worden gedeald vanuit de woning en daarvan overlast ervaren. Ook komt naar voren dat de betreffende (ex-)vriend van [eiser] degene is die de (drugs)overlast heeft veroorzaakt rondom de huurwoning, alsook op andere plekken in Enschede. [eiser] en haar (ex-)vriend woonden niet samen, maar de politie vermoedt dat hij veelal in de woning van [eiser] verbleef.
1.3.
[eiser] is het met het besluit van 2 maart 2026 niet eens en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Omdat zij per 9 maart 2026 uit de woning moest en geen andere verblijfplaats heeft, heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken. Samengevat brengt zij naar voren dat door haar niet wordt ontkend dat er verdovende middelen in haar huurwoning zijn aangetroffen, maar wel dat deze van haar zijn of dat zij daar weet van had. Ook ontkent zij dat drugs vanuit haar woning verhandeld zouden worden en dat daardoor sprake is geweest van overlast. Dit blijkt ook onvoldoende uit de bestuurlijke rapportage. De onderliggende stukken waarnaar de politie ter onderbouwing van de overlast verwijst hadden aan de bestuurlijke rapportage moeten worden toegevoegd. In zoverre is sprake van een motiveringsgebrek in het besluit. Daarnaast wijst zij naar haar, naar zij stelt, ex-vriend en zijn rol zoals die uit de bestuurlijke rapportage naar voren komt, en hun verhouding. Verder is [eiser] van mening dat de noodzaak tot sluiting ontbreekt en een lichter middel meer voor de hand had gelegen, nu de bekendheid van het pand in het drugscircuit volgens haar ontbreekt. Ook is het besluit niet evenwichtig. De bestuurlijke rapportage wijst vooral in de richting van (overlast van) haar (ex-)vriend. Door het besluit wordt zij echter de dupe van zijn handelen, nu zij daardoor met haar hond op straat is komen te staan.
1.5.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift en blijft bij zijn besluit. De woningcorporatie heeft ook schriftelijk gereageerd, is het eens met het besluit van de burgemeester en heeft de huurovereenkomst met [eiser] inmiddels ontbonden.
1.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [eiser], de gemachtigde van de burgemeester, en de gemachtigde van de woningcorporatie, bijgestaan door [naam] van de woningcorporatie.
1.7.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

2.Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.2.
De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat gezien de handelshoeveelheid cocaïne die is aangetroffen in de huurwoning van [eiser] de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten.
2.3.
Het gaat in dit geval om de vraag of de burgemeester in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van deze bevoegdheid, en vooral of dit mevrouw [eiser] onevenredig hard raakt.
2.4.
De voorzieningenrechter vindt het op basis van de inhoud van de bestuurlijke rapportage aannemelijk dat er overlast is ondervonden die is gerelateerd aan het pand. Zij twijfelt niet aan wat daarover in de rapportage is geschreven, mede gelet op het feit dat in de woning bijna 100 gram cocaïne is aangetroffen en de (ex-)vriend van [eiser] met bolletjes is aangehouden net nadat hij uit de woning kwam. Om die reden zijn onderliggende rapportages/processen-verbaal naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet nodig. Ook vindt zij van belang op te merken dat het in de besluitvorming gaat om het pand waarin de (drugs)overlast plaatsvindt en de noodzaak tot sluiting daarvan en in mindere mate om [eiser] zelf. Die overlast blijkt voldoende uit de bestuurlijke rapportage.
2.5.
De burgemeester heeft verder gehandeld in lijn met het Damoclesbeleid. De sluiting houdt verband met het tenietdoen van de gevolgen en het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet. Gelet op de stukken, in het bijzonder de bestuurlijke rapportage en wat er op zitting is besproken, is de sluiting van deze woning in dit geval naar het oordeel van de voorzieningenrechter een geschikt en noodzakelijk middel. Met een minder ingrijpend middel had de burgemeester niet kunnen volstaan, zo is op zitting voldoende toegelicht.
2.6.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan [eiser] op basis van wat er in de bestuurlijke rapportage naar voren komt een verwijt worden gemaakt. Zij wordt geraakt door de sluiting in de zin dat zij, met haar hond, op straat is komen te staan, de wooncorporatie de huurovereenkomst wil ontbinden en het vinden van nieuwe woonruimte ingewikkeld is. Deze gevolgen zijn inherent aan het sluiten van een woning op grond van de Opiumwet. De burgemeester heeft op zitting toegelicht dat en welke alternatieven voor (tijdelijke) huisvesting er bestaan, en dat hulp kan worden geboden om aan andere woonruimte te komen. [eiser] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet gezegd worden dat de maatregel in dit geval onevenwichtig is en daarom niet mocht worden opgelegd.
2.7.
Wel vindt de voorzieningenrechter dat de burgemeester het besluit op het punt van de evenwichtigheid summier heeft gemotiveerd. Dit kan echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar worden hersteld, mede gelet op de gegeven toelichting op zitting.

3.Conclusie en gevolgen

3.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026 door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.