De rechtbank Overijssel behandelde de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde, die was veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 1 januari 2017 tot en met 26 januari 2021.
De officier van justitie vorderde een bedrag van €777.535, gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling van de FIOD, die een overschrijding van contante uitgaven ten opzichte van legale inkomsten vaststelde. De verdediging betwistte de betrokkenheid bij een contant bedrag van €50.000 en stelde dat geen sprake was van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank oordeelde dat het bedrag van €50.000 niet als wederrechtelijk voordeel kon worden aangemerkt en bracht daarnaast provisiekosten van €42.195 in mindering. Hierdoor werd het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €690.340. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn van meer dan twee jaar werd de betalingsverplichting verminderd met €5.340, waardoor de veroordeelde €685.000 aan de Staat moet betalen.
De rechtbank baseerde haar oordeel op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en de feiten uit het vonnis van 12 maart 2026, waarbij ook andere strafbare feiten als bron van het voordeel werden aangenomen. De betalingsverplichting is opgelegd met inachtneming van de redelijke termijn en de wettelijke voorschriften.