ECLI:NL:RBOVE:2026:1278

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
11900992 \ CV EXPL 25-1742
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BWArt. 6:119a BWArtikel 3 van de algemene voorwaardenArtikel 11 van de algemene voorwaardenArtikel 3.3 van de algemene voorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsachterstand en ontbinding huurkoopovereenkomst auto

Partijen sloten op 22 mei 2024 een huurkoopovereenkomst voor een Mercedes Benz met een looptijd van 60 maanden en een totale leaseprijs van €53.527,80. Gedaagde is tekortgeschoten in de nakoming door niet tijdig diverse leasetermijnen te betalen. Op 31 juli 2025 is de overeenkomst beëindigd en de auto ingeleverd.

Eiseres vordert betaling van het restantbedrag van €18.211,64 vermeerderd met rente en incassokosten. Gedaagde erkent de betalingsachterstand maar betwist de hoogte van het bedrag, verwijzend naar een hogere marktwaarde van de auto en gemaakte kosten.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde niet als consument handelde en dat de ontbinding rechtsgeldig is. De verkoopprijs van de auto is redelijk en de berekening van het restantbedrag conform de overeenkomst. Het verweer van gedaagde faalt. De gevorderde wettelijke rente en incassokosten worden toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het restantbedrag, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten na ontbinding van de huurkoopovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer : 11900992 \ CV EXPL 25-1742
Vonnis van 10 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
eisende partij, hierna te noemen [eiseres] ,
gemachtigde: mr. Th. Van Wijngaarden, gerechtsdeurwaarder te Ommen,
tegen
[gedaagde], h.o.d.n. [bedrijf] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J. Nijland, advocaat te Borne.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 10 februari 2026. Partijen zijn op de mondelinge behandeling verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben op 22 mei 2024 een huurkoopovereenkomst (financiële leaseovereenkomst) gesloten terzake een Mercedes Benz met kenteken [kenteken] (hierna ook: de auto). De looptijd van deze overeenkomst is 60 maanden. De totale leaseprijs bedraagt € 53.527,80 (inclusief de kredietvergoeding van € 10.027,80). De maandelijkse leasetermijn bedroeg bij aanvang van de huurkoopovereenkomst € 892,13 uiterlijk te betalen de 22e van elke maand.
2.2.
Blijkens de afstandsverklaring van 31 juli 2025 heeft [eiseres] de huurkoopovereenkomst met [gedaagde] per die datum beëindigd en heeft [gedaagde] de auto ingeleverd bij AVS (de gemachtigde van [eiseres] ).
2.3.
Bij creditfactuur van 15-08-2025 heeft [eiseres] een bedrag van € 21.695,00 gecrediteerd aan [gedaagde] vanwege de verkoopopbrengst van de auto.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 19.282,52, vermeerderd met de rente van 1,5% per maand over € 18.211,64, vanaf 19 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening toe en kosten rechtens.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn betalingsverplichting uit hoofde van huurkoopovereenkomst en dit grond is om de overeenkomst te ontbinden.
3.3.
[gedaagde] heeft erkend dat er een achterstand is ontstaan bij de betaling van de maandelijks verschuldigde leasetermijnen. Wel meent hij, op hierna te bespreken gronden, dat het onredelijk is dat hij nog een bedrag van ongeveer € 22.000,00 moet betalen.

4.De beoordeling

Gedaagde heeft niet als consument gehandeld

4.1.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet als consument heeft gehandeld. [eiseres] heeft gesteld dat sprake is van zakelijke lease en [gedaagde] heeft dit niet weersproken.
De gevolgen van de ontbinding van de huurkoopovereenkomst
4.2.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij een huurkoopovereenkomst hebben gesloten voor de auto. [gedaagde] heeft erkend dat een betalingsachterstand is ontstaan.
4.3.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] door het niet (tijdig) betalen van diverse leasetermijnen is tekortgeschoten in de nakoming van verplichtingen uit de huurkoopovereenkomst. Hij was op grond van de huurkoopovereenkomst en artikel 3 van Pro de algemene voorwaarden verplicht om de leasetermijnen op tijd te betalen.
4.4.
Het niet betalen is een tekortkoming. Die tekortkoming levert, krachtens de algemene voorwaarden en het bepaalde in artikel 6:265 lid 1 BW Pro, in dit geval beginsel een grond op voor ontbinding. [eiseres] mocht de overeenkomst dan ook (buitengerechtelijk) ontbinden. [gedaagde] is overigens op 31 juli 2025 ook akkoord gegaan met de beëindiging van de overeenkomst.
4.5.
In artikel 11 van Pro de algemene voorwaarden staan de gevolgen van een dergelijke beëindiging (ontbinding) beschreven. Bij zo een beëindiging mag [eiseres] onder meer de onbetaalde termijnen en het totaal van de toekomstige termijnen opeisen. Ook verkoopt [eiseres] de auto, waarna zij de netto-opbrengst van die verkoop verrekend met het nog verschuldigde bedrag.
4.6.
[eiseres] merkt op dat het restantsaldo van de overeenkomst bij inname van het voertuig (31 juli 2025) € 43.753,95 bedroeg en de verkoopopbrengst van € 21.695,00 daarop in mindering is gebracht zodat een door [gedaagde] te betalen hoofdsom resteert van € 22.058,95. [eiseres] heeft verder op het bedrag van € 22.058,95 een rentebedrag van € 3.847,31 gecrediteerd, zodat in totaal een bedrag van € 18.211,64 resteert.
4.7.
[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de ontbinding of de hoogte van de betalingsachterstand. Wel meent hij dat het onredelijk is dat hij alsnog zo’n hoog bedrag moet betalen. [gedaagde] vindt het verschil tussen de prijs waarvoor de auto is verkocht (€ 21.695,00) en de prijs waarvoor de auto nu bij een derde te koop staat (€ 34.899,00) erg groot. Hij wijst er daarbij op dat hij kosten heeft gemaakt aan de auto waardoor de auto in een betere staat is geraakt en dat hem, toen hij de auto inleverde, werd verteld dat de auto er netjes uitzag. Een waardevermindering van € 22.000,00 vindt [gedaagde] onevenredig veel. Hij had de auto aangeschaft voor € 43.500,00 en de auto is nu verkocht voor € 21.695,00.
4.8.
[gedaagde] begrijpt dat hij een bedrag moet betalen maar het gevorderde bedrag vindt hij (veel) te hoog. [gedaagde] wijst er op dat hij, toen hij in financiële moeilijkheden kwam te verkeren, zelf contact heeft gezocht met [eiseres] en de auto netjes heeft ingeleverd. [gedaagde] had op begrip gerekend van [eiseres] mede omdat hij hen had verteld dat hij door de wijziging van de regelgeving voor zzp’ers geen opdrachten meer kreeg.
4.9.
[eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht hoe het verkoopproces verloopt. Het is daarbij zo dat de marktprijs (substantieel) kan afwijken van de verkoopprijs op een veiling. De verkoopprijs van de auto was redelijk en realistisch. [eiseres] heeft ter onderbouwing van deze stelling een overzicht overgelegd van drie biedingen. De kantonrechter acht de toelichting van [eiseres] toereikend en ziet geen aanleiding om te oordelen dat de verkoopprijs onrealistisch of onredelijk was.
4.10.
Ook het verweer van [gedaagde] dat er ten onrechte schadeposten aan de auto in rekening zijn gebracht kan niet slagen. Weliswaar hebben de geconstateerde zogeheten ‘niet acceptabele schades’ een waarde verminderend effect bij de verkoop, maar de schades maken geen onderdeel uit van de vordering. De kantonrechter ziet verder geen reden te twijfelen aan de door [eiseres] vermelde schades en schadeposten in het inspectierapport. [gedaagde] heeft ook bij inname van de auto akkoord getekend voor enkele schades.
4.11.
De conclusie is dat de verweren van [gedaagde] falen. Het restantbedrag van € 18.211,64 is volgens de regels van de overeenkomst berekend en [gedaagde] moet dit betalen.
[gedaagde] moet rente betalen
4.12.
[eiseres] vordert over de totale hoofdsom van € 18.211,64 de contractuele rente van 1,5% per maand vanaf 19 september 2025 tot aan de dag van volledige voldoening. Daarnaast vordert [eiseres] op grond van artikel 3.3 van de algemene voorwaarden een bedrag van € 113,76 terzake contractuele rente van 1,5% gerekend vanaf 30 augustus 2025 tot en met 18 september 2025. [eiseres] stelt dat [gedaagde] deze rente subsidiair verschuldigd is op grond van artikel 6:119a BW.
4.13.
Na de datum van de ontbinding van de overeenkomst op 31 juli 2025 kunnen geen nieuwe verbintenissen meer ontstaan op basis van de overeenkomst. Om die reden kan [eiseres] geen aanspraak meer maken op contractuele rente over de vervallen en toekomstige leasetermijnen. Ook de gevorderde wettelijke handelsrente kan niet worden toegewezen, omdat het bedrag voor de toekomstige termijnen een schadevergoeding is. Daarom zal de kantonrechter over het bedrag van € 18.211,64 de wettelijke rente toewijzen vanaf 30 augustus 2025 tot aan de dag van volledige betaling.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.14.
[eiseres] vordert een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De hoogte van het bedrag is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en worden geacht redelijk te zijn. Het terzake buitengerechtelijke incassokosten gevorderde bedrag van € 957,12 is daarom toewijsbaar.
Proceskosten
4.15.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten dagvaarding € 123,73
- griffierecht € 1.461,00
- salaris gemachtigde € 864,00 (2 punten x € 432,00)
- nakosten
€ 144,00
Totaal € 2.592,73

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen:
- een bedrag van € 18.211,64, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling,
- een bedrag van € 957,12 aan buitengerechtelijke incassokosten.
5.2.
Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.592,73.
5.3.
Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
5.4.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. A.M. van Diggele, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.